GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE SCHRIFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SCHRIFT

6 minuten leestijd

Bluscht den Geest niet uit; veracht de profetieën niet. 1 Thess. 5:19, 20.

Maranatba-leven en Kerk.

Heeft de Apostel Paulus het Maranatha-l«ven geteekend als ©en leven van dankende en biddende

gelooi'sblijdschap (vs 16—18), thans beeldt hij datzelfde leven uit in geheel andere relaüe.

Het gaat hier over de levenshouding der ge^ loovigen tegenover het kerkelijke leven, waarin zij krachtens de gemeenscliap der heiligen, een naam en plaats verkregen hebben.

Ook daar moet het leven in verband met Jezus' wederkomst zijn eigen stempel ontvangen.

„Bluscht den Geest niet uit, veracht de profetieën niet!'... zoo roept de Apostel Christus' adventsgemeente toe.

Met dien „Geest" heeft hij het oog op de kï-achten en werldngen, welke van den Geest des Hearen sedert den groeten Pinksterdag uitgaan in de gemeente, speciaal in het charisma der profetie, waardoor men onder directe, wonderrolle Geestesdrijving hel Woord des Heeren sprak en verklaarde.

Beide vermaningen liggen dus in één lijn, in één vlak. Afgedacht van het zeer bijzondere werk des Geestes in de eerste Christen-gemeenten, gaat het hier over de houding, welke de Gemeente des Heeren in te nemen heeft tegenover den dienst des W o or ds. Natuurlijk zien wij het onderscheid tusschen een „profeet" in de gemeente van Thessalonica en een geordend dienaar des Woords in onze kerken niet voorbij. Maar in wezen is er tusschen beider dienst toch geen verschil.

Houdt ge dit nu in 't oog, dan wordt ook het zeggen: „Blusch den Geest niet uit!" voor u verstaanbaar. Dat kan natuurlijk niet beteekenen, dat wij dien Geest in Zijn persoonlijk bestaan zouden kunnen dooden. Hij is te& amen met den Vader en met den Zoon eeuwig God en geen schepsel kan Hem in Zijn bestaan ook slechts in 't geringste tegenstaan of Zijn heerlijkheid verduisteren.

Het kan óók niet beteekenen, dat eenig geloovige, die door dien Geest den Christus werd ingelijfd, en al Zijn schatten en gaven aannam, dien Geest in Zijn innerlijke, zaligmakende, wederbarende werkingen zou kunnen weerstaan en Hem zou kunnen verdrijven en verliezen.

Er is geen afval der heiligen.

De roeping en verkiezing Gods is onberouwelijk.

Moogt ge door het geloof kinderlijk belijden, dat 'die Geest ook u gegeven is, dan verlaat Hij u nimmermeer. Ge kunt Zijn werk in u nimmer ongedaan maken en in dien zin den Geest niet blusschen; Hij verlaat niet, wat Zijn hand' begon.

Eens gegeven, blijft gegeven, en hoezeer ge Hem ook bedroeven kunt, blusschen nimmermeer.

Daarom moeten we liier denken aan het „objectieve" werk des Geestes in den Dienst des

Woords. Hij getuigt door middel van 't ambt in 't midden der gemeente.

Hij werkt in haar door gaven en krachten en in heel den kerkelijk-ambtelijken dienst.

Daarin brandt die Geest als een vum*.

Hij wil daardoor uw oog verlichten, uw ziel verwarmen, u sterken in den geloove, heiligen in den wandel, bekrachtigen in uw hope, u in stanid houden naar den „inwendigen mensch".

Wat moet nu onze houding daartegenover zijn met het oog op Christus' wederkomst?

Vele Christenen van vroeger en van later tijd hebben gemeend, dat juist de levende, intensieve verwachting van 's lieilands wederkomst een zekere losse houding tegenover het gemeentelijke leven, althans tegenover het kerkelijke instituut zou wettigen.

Montanisme en Anabaptisme braken de Kerk af. Maar de apostel wijst dit met beslistheid af. „Bluscht den Geest niet; veracht de profetieën nie t!"

Juist de gedachte aan Christus' wederkomst moet ons samenbinden in een leven bij en uit de Schriften. Ze doe ons luisteren naar wat de Geest tot de gemeente te zeggen heeft en leere ons ons leven naarstig bouwen in de vaste structuur van eenvoudige, vaste, blij de Woord gehoorzaamheid.

Hebben we de opweklcing daartoe niet brood'noodig?

Het blusschen van den Geest, het verachten der profetie behoort in menigen Clhristelijken kring niet meer tot de groote uitzonderingen.

Menig belijder, die eens voor Gods aangezicht zich tot het tegendeel verbond, laat terwille van allerlei gril en wil de onderlmge samenkomsten na. Men blijft om allerlei redenen weg.

Men wil wel eens „uitslapen".

't Is in de kerk te „warm" of te „koud"; te „tochtig" of te „benauwd".

Men blijft weg omdat men iets heeft met dezen of genen broeder.

Men staat „critisch" tegenover den aanleg of de ligging, de gaven of de talenten van de voorgangers.

Men léért er niet genoeg volgens den één en luistert ge naar den ander, dan is het lang niet „gemoedelijk" genoeg.

Men wil het xrije profetische woord, door ieder te spreken, die ertoe wordt aangezet.

Men klaagt over doodigheid in den eeiredienst en zoekt de meer vrije en spontane samenkomsten van kinderen Gods, waarbij de kerk het aan warmte en innigheid toch maar niet halen kan.

. En als men nog komt, laat men het Wloord in lijdelijke lijzigheid maar over zich komen. Men leeft niet mee. Er is te weinig een willen hoorein.

Ziet... dat alles is een blusschen van den Geest; een verachten van de profetie.

Zulk een houding dooft de .Geest-drift der voorgangers en tast uw eigen geestelijk leven aan.

Bluscht den Geest niet! Ge doet schade aan uzelf. Ge doet afbreuk aan de kerk des Heeren. Ge neemt „wereldsche" allures aan. Ge schiet in voorbeeld tegenover uw kinderen te kort. Ge acht klein, wat God groot geacht heeft

tot de komst van Zijn Rijk in en door u! Wiekt den Geest op en zoolang de Dag toeft en Jezus Christus Zijn Kerk vergadert door Geest en „profetie", bidt voor uw voorgangers; bidt voor den Dienst des W'oords; bidt voor bet Woord in de opening van de Schriften; bidt om de opening van uw hart voor dat Wioord in al zijn rijkdom.

Acht de profetie hoog. "Waardeer haar in een trouw en naarstig komen tot de gemeente. Zie toch hoe God Zijn wachtende bruidskerk in de woestijn des tijds wil voeden met

het Manna, dat verborgen is. Laat u onder het Wioord binden in de gemeenschap der heiligen. Onderzoekt de Schriften. Laat het Woord met zachtmoedigheid in u planten. Hebt acht op het profetische Woord, dat zeer vast is, totdat de morgenster opga in uwe harten.

Maranathaleven is liefde tot de Kerk, liefde jegens het ambt, waardeering van den Dienst dels

Woords. Wie dat leven leeft, in trouwe, zonder ophef, die zal „heden" broo'd eten in het Koninkrijk Gods en „morgen", in Z ij n groeten Dag, niet beschaamd worden in Zijn toekomst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE SCHRIFT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1937

De Reformatie | 8 Pagina's