GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE (IX slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE (IX slot)

18 minuten leestijd

§ 11. En nu?

We zijn aan het eind gekomen van de bespreking van de verhouding welke momenteel, blijkens de officiële kerkelijke handelingen, tussen de gebonden en de vrijgemaakte kerken bestaat.

En vanzelf dringt aan het einde daarvan zich de vraag aan ons op: wat nu ?

Het is, om iets ter beantwoording van deze vraag te zeggen, dringend nodig zich helder en nuchter voor ogen te stellen hoe zij, die de besluiten der synoden van 1942—1950 van harte of feitelijk aanvaarden èn zij, die deze beslissingen verwerpen, op dit ogenblik tegenover lelkaar staan.

Doet men dat, dan moet men met diepe schaamte constateren, dat een benaderen van elkaar bijna niet meer mogelijk is!

Wij willen omtrent deze benauwende werkelijkheid een paar opmerkingen maken. En dat met de grootst mogelijke openhartigheid.

En dan wijzen we allereerst hierop, dat door de „synodale" pers reeds sinds jaren zo over de „vrijgemaakten" geschreven wordt, dat er ten opzichte van hen bij de overgrote massa van de leden der gebonden kerken een hartgrondige afkeer, ja, een psychische aversie is gegroeid.

Dat is feitelijk reeds begonnen toen zij, die de leer van de veronderstelde wedergeboorte niet konden aanvaarden, door de kerkeUjke vergaderingen als onruststokers, kérkscheurders en revolutionairen werden gekwalificeerd. En dat is daarna voortgegaan in de pers. Met een zekere wellust werden alle mogelijke uitingen en gedragingen van de vrijgemaakten getekend en gecommentarieerd als het koude, harteloze, hatelijke drijven van een stel boosaardige lieden, dwazen of 92 maniakken, die in de ban van extreme ideeën voorthollen en overal alles „kapot maken".

Nu denken wij er niet aan alle daden en woorden, welke door de vrijgemaakten werden en worden gedaan en gezegd, goed te keuren. Er is ook onder hen — net als in iedere gemeenschap — heel veel zondigs en dwaas! Maar terwijl we dit met droefheid erkennen, willen we tegelijk aan allen, die zich aan dit geschrijf schuldig maken met alle ernst vragen: denkt U er nooit aan, welk een ontzaglijke geestelijke verwoesting er door dit steeds voortgaande onzakeUjke, tendentieuze, soms zelfs leugenachtige opzwepen van duizenden en duizenden tegen medechristenen wordt aangericht? Is dit zaaien van haat, weerzin en afkeer niet het allerslechtste wat men kan doen? Betekent het niet een verruwen, een ont-geestelijken, dat in heel de levensopenbaring van hen, in wie het teweeg gebracht wordt, de meest katastrofale gevolgen moet hebben. Is het niet een uitstrooien van een zout, dat de geesteUjke akker „dood" maakt?

En voorts willen we ook dit nog vragen: Ziet U niets van de ontstellende afval in Christus' kerk, van de al sneller voortgaande ontbinding van het gereformeerde leven in al zijn uitingen? Siddert U niet elke dag over de geraffineerde verleugening, de subtiele ontkrachting van Gods Woord, de morele ontbinding, de voortsluipende verwereldlijking, waarvan de christehjke wereld vól is, en die ook in de gereformeerde volksgroep steeds sneller voortvreten en steeds groter overwinningen behalen? Is U er blind voor, dat de waarachtige vroomheid, — dat wil zeggen: het simpele leven uit Gods Woord, het werkelijke liefhebben van de Here Jezus, het haten van de wereld in al haar uitingen en vormen, het kruisigen van het vlees, het smaadheid dragen om Christus' wil, het zichzelf als een Gode welbehagelijke offerande overgeven aan de Here, het niets anders zoeken dan Gods koninkrijk en (jods gerechtigheid — als sneeuw voor de zon verdwijnt? En ziet U er niets van, kunt U zich niet opwerken tot de erkenning, dat ondanks alle zonde en alle dwaasheid, die wij dagelijks aan de Here moeten belijden, toch het diepste motief van al het worstelen, zwoegen en Hjden der vrijgemaakten de begeerte is om bij de Here te blijven, te leven uit zijn woord en trouw te zijn aan Hem, Die elke dag zijn kerk vergadert, beschermt en onderhoudt? Is U er werkelijk blind voor, dat de vrijgemaakten daarom neen zeggen tegen alles wat het Evangelie verduistert, Gods wet krachteloos maakt en 's Heren kerk verwoest?

We komen nu tot wat anders.

In deze artikelen is nog weer eens met de stukken aangetoond wat precies in het verleden geschied is. Het is een onwrikbaar vaststaand feit, dat de gereformeerde kerken in 1944/45 hen, die duidelijk uitspraken, dat ze de theorie inzake het voor wedergeborenhouden niet aanvaardden, onder'het vonnis van scheur-• makers, revolutieverwekkers enz. uit het ambt hebben gejaagd. Dat was een ontzettend gebeuren. Want de kerk heeft dat gedaan!

Wat zien we evenwel nü geschieden?

Algemeen wordt geroepen — vooral Prof. Grosheide gaf deze oproep met kracht door —: U moet wat gepasseerd is vergeten! Haal geen oude koeien uit de sloot. Kom praten. Als U dat doet en de „geest" is over en weer goed, is alles in een oogwenk 'in orde.

Zeker, er is ook schuld. Maar die ligt aan beide zijden! Als we evenwel met elkaar vnllen spreken en dat in feite gaan doen, dan is dat tegelijk ook een wederzijdse schuldbelijdenis. En daarmee is dan die schuldkwestie tegelijk van de baan.

Daartegenover zeggen nu de „vrijgemaakten": Maar dat kan toch niet! Het gaat immers over kerkeiijke oordelen. Dat wil zeggen: over woorden, die voor Gods a a n g e z i c h t en in

z ij n Naam werden uitgesproken! Als ze goed waren moeten ze tot iedere prijs worden gehandhaafd! Want daarbij is dan Goda zegen over Uw kerken in het geding. En als ze niet goed waren moet U ze herroepen. Want dan is Gods zegen onlosmakelijk aan dat herroepen verbonden! En zeg nu hoe U over deze dingen denkt. Zeg nu of U ze handh aaf t of V e r w e r p t of omtrent de rechtmatigheid daarvan in twijfol verkeert. Zeg dat nu. Dat is de éérste kwestie, die ons beiden moet bezig houden. Zeg dat nu, dan kunnen we verder komen.

Maar zie, als de vrijgemaakten zo spreken is Leiden in last! Dan wordt' een vernietigend vonnis over hen geveld. Dan wordt hun liefüeloosheid, hardheid, koppigheid, gemis aan vergevingsgezindheid verweten.

En terwijl deze dingen over en weer worden gezegd gaan de processen voort en horen de , , vrijgemaakten" zich voor de rechter officieel beschuldigen, dat ze zijn „afgeweken van de in de Gereformeerde Kerken geldende leer". Want zij leren, „dat de geloovigen met al hun kinderen begrepen zijn in het verbond, doch dat dit niet wegneemt, dat sommigen het verbond verwerpen en daarom verloren gaan, terwijl anderen het verbond aanvaarden en behouden worden". Daarentegen hebben de gebonden kerken de behjdenis der vaderen onveranderd vastge-. houden. Want zij bleven trouw aan de leer van de veronderstelde wedergeboorte!

In de rechtsprocedures worden op deze wijze alle oude koeien dus wèl uit de sloot gehaald. Van de kop tot de staart!

En vraag nu niet hoe!

lO7) Het bovenstaande werd ontleend aan de dagvaarding welke de vrijgemaakte kerk van Hasselt ontving In verband met de procedure, welke haar door de gebonden kerk aldaar werd aangedaan.

We noemen een ander punt.

Het is uit de officiële stukken duidelijk geworden dat de synoden met aUe kracht en ernst de leer van het voor wedergeboren-houden der kinderen een uitermate belangrijk moment in de gereformeerde leer achtten. Speciaal verzetten ze zich fel tegen de voorstelling dat Gods verbondsbeloften aan alle bondelingen g e 1 ij k e 1 ij k toekomen en dat de doop, wanneer liij wettig werd bediend voor alle dopelingen dezelfde inhoud en kracht bezit'^''*). De synoden spraken in dit verband zelfs van een heilig patrimonium dat trouw moest worden bewaard. En ze verboden scherp alle propaganda tegen de synodale en voor de verworpen leer.

Maar wat zien we nu gebeuren?

Overal wordt openüjk en duidelijk, vsdjl met de feiten, gezegd, dat men om deze synodale uitspraken geen zier geeft, ja, haar grondig verwerpt.

Ds Feenstra leert in zijn verklaring van de Nederlandse Geloofsbelijdenis uitdrukkeüjk, dat de beloften van het genadeverbond, waartoe ook behoort „de belofte, dat de Heilige Geest het volle werk van Christus toepast" aan alle kinderen der gelovigen gegeven wordt. En hij betoogt voorts, dat alle gedoopte kinderen in Christus geheiligd zijn. Van dit in-Christusgeheiligd-zijn verklaart hij voorts, dat het een „verbondsrelatie" aanduidt, welke „de inwendige heiligheid niet buitensluit, maar ook niet altijd insluit" ^°^).

De friese predikanten onder leiding van Dr Schelhaas tjrpeerden de vervangingsformule als een leeruitspraak vol „klinkklare en tevens duistere theologische constructie", verzekerden voorts, dat ze een immoreel ding is, een monster met een Januskop en ver-klaarden bovendien op eigen gezag, dat de leer der bezwaarden, zoals die in hun „Verklaring van Cïevoelen" werd geformuleerd in de gebonden kerken rechtskracht bezit"»).

bovenstaande verklaring nóg voor zijn rekening neemt.

Dit zijn enkele stemmen!

Zoals boven reeds bleek zijn er nog veel meer te noemen.

Maar wat we citeerden is reeds meer dan voldoende om te kunnen en te moeten constateren „hoe allerlei „leerstellingen", waartegen men zich vóór de scheuring niet verweren kon op straffe van schorsing, vandaag zonder eenige bemoeilijking in onze kerken mogen bestreden worden en hoe er practisch een ruimte is, die veel verder gaat dan in 1943 zelfs maar begeerd werd" 1^").

Een ieder rechtschapen mens, ook al zou hij een communist zijn, zal met het oog op dit verbijsterende kerkelijke handelen dit oordeel moeten onderschrijven: , , Het is IMMOREEL, gelet op al de krasse uitspraken en dwingende strafmaatregelen van het verleden vandaag oogluikend toe te staan wat men eerder onder bedreiging met sancties verbood" i^*).

Het is deze immoraliteit nu welke onnoemelijk veel kwaad heeft gedaan in de onderlinge verhoudingen. Kan men zich daar nu niets van voorstellen?

We lezen in duidelijke synodale besluiten, dat de gebonden kerken alles, alles wat ze vroeger spraken en deden onveranderd handhaven.

We horen ons evenwel tegelijk toeroepen: mensen er is een geheel nieuwe situatie geschapen, kom toch bij ons en laat u aan ons hart drukken.

En we zien tevens in klare harde feiten, dat men zakeHjk niets meer handhaaft van wat men vroeger, naar men ons zelf bezwoer, in gehoorzaamheid aan Gods wil heeft gedaan.

In dit verband moeten we nog op iets anders wijzen. Als we letten op wat de synoden van 1942—1945 tot stand brachten, kunnen we niet anders zeggen

Maar wat zien we daarna en daartegenover gebeuren?

In de gebonden kerken ontplooit zich een steeds sterker wordende beweging, welke met alle macht streeft naar de aansluiting van deze kerken aan „de Wereldraad". Wat men wel „oecumenische mentaliteit" noemt, wordt daar steeds sterker. In verband daarmee wordt de vraag naar de noodzaak en wettigheid van afscheiding en doleantie door velen, vooral onder de jongeren, niet meer met een krachtig „ja" beantwoord. In een Haags gereformeerd jeugdblad, waarvan Dr Wielenga niet lang voor zijn dood verklaarde, dat het een frisse, reformatorische indruk op hem maakte, werd reeds een paar jaar geleden geschreven, dat ^de tijd gunstig was voor de gereformeerden „om nu onbelemmerd door de reglementen in deze zieke kerk terug te keeren en zonder hoogmoed haar te helpen genezen" ^'^^). Het is algemeen bekend, dat de oecumenische jeugd-beweging bet grootste deel van haar leden uit de gebonden kerken recruteert. Nog onlangs heeft de meerderheid van de leden der gereformeerde studentenorganisatie'aan de Stedelijke Universiteit te Amsterdam zich vanwege de te enge grondslag (de drie formulieren) van die organisatie losgemaakt en een nieuwe gevormd, welke de dubbelzinnige grondslagformule van de Wereldraad in haar vaandel schreef. En dat geschiedde niet in eerster instantie onder druk van Hervormde zijde, maar onder de leiding van zeer vooraanstaande gereformeerden. Geheel in overeenstemming met deze „nieuwe geest" worden overal gecombineerde kerkdiensten met de Hervormden georganiseerd, 't Kwam zelfs voor, dat ergens een middagdienst niet werd gehouden, omdat de kerkeraad de intree van een Hervormd predikant ter plaatse wilde bijwonen. Openlijk wordt van de kansels verkondigd dat samenwerking en eenheid met de Herv. Kerk, zoals deze nu is, 'vurig wordt begeerd. Jaren geleden schreef Prof. Grosheide eens, dat ergens een gereformeerd predikant in een Herv. Kerkdienst was voorgegaan en dat de gemeente daardoor dermate was geschokt, dat ze deze ontstellende idaad zo geheim mogelijk hield en niet nistte voor de be-wuste predikant deze zonde beleden had ^^^'). Nu lacht men om dergelijke benepenheid. En toen /een kerkelijke vergadering een aanklacht over deze kwestie moest behandelen, kwam ze niet verder dan een lichte terechtvpijzing, op grond van het feit, dat er over en weer en bij elkaar preken een zaak van de kerken gemeenschappehjk was en een afzonderlijke kerk in deze dus niet op eigen houtje mocht handelen. Als men deze dingen overweegt, weet men, dat Prof. van Niftrik gelijk heeft als hij betoogt, dat de officiële leiders der Gereformeerde Kerken niet de gehele Kerk zijn; „er roert en gist iets — zo verzekerde hij — in de Gereformeerde jongeren, mede onder invloed van de vernieuwing in de Hervormde Kerk. En dat vinden •wij een hoopvol teken""''). Het bekende en als openbaring van een nieuwe, geheel uit de moderne tijdgeest opgekomen en gegroeide, mentaliteit zo onheilspellende boek van Bouman en Booy, het boek, dat volgens Ds Hoorweg de Gereformeerde kerken op haar grondvesten doet schudden, is van deze gisting en roering een uitermate belangrijk symptoom.

'landelijke en internationale Zendingsraad. Broederhjk wordt met vogels van diverse pluimage een orgaan uitgegeven en leidinggevende rapporten opgesteld en gepubliceerd. Rosin, de bekende hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Djakarta, die volgens Dr Zuidema „gevaarhjke en misleidende ketterijen" verkondigt en „valse profetie" lanceert, werkt broederlijk samen aan de opleiding van Indonesische predikanten mèt gereformeerden. Enz., enz.

Zie, met dit alles voor ogen vragen we ons af: hoe is het toch ter wereld mogehjk geweest, dat kerken, met zulke sterke eenheidstendenzen, met zulke oecumenische allures, met zulke wijde waarderingsmogelijkheden, mensen, die niet geloven, dat God ons gebiedt de kinderen voor wedergeboren kinderen te houden, buitensloten?

En hoe is het mogelijk, dat men dit dwaze, slechte vonnis handhaaft, terwijl men tegenover anderen steeds ruimer en breder wordt?

Voelt men niet, dat dit tweeërlei met elkaar zo VÓIT komen vloekende kerkehjke gedrag, verwijdering, zo niet erger, moet teweegbrengen?

Waarom, laat men allen van de wil tot eenheid, van de hartstocht der hereniging genieten — behalve de vrijgemaakten? Gaat het aan zonder enig verwijt of bezwaar aan te zien dat de Indonesische gereformeerde kerken de leeruitspraken niet aanvaarden — ze gaven daarvan aan de vrijgemaakte kerken officieel kennis — en met deze kerken zónder een woord van critiek gemeenschap te blijven oefenen, terwijl men de vernietigende voimissen, waarmee men de vrijgemaakten uitwierp, onveranderd handhaaft?

Wanneer komt het moment, dat rechtschapen mannen opstaan en het luide uitroepen: Om Gods wil — dat mag niet langer!

Nu de verhouding tussen de „synodalen" en de „vrijgemaakten" zo is gegroeid, is het benaderen van elkaar, het met elkaar worstelen om weer gezamenUjk in waarheid en oprechtheid op de weg te komen welke de Here wijst, wel uiterst moeilijk geworden.

Maar al is dat moeilijk, ja bijna onmogelijk, we moeten blijven getuigen, we moeten blijven vechten tegen alles wat de opbouw - van Christus' kerk schaadt en de ware eenheid der zijnen tegenstaat.

Daartoe riep de synode van Kampen dan ook alle leden van de kerken welke zij vertegenwoordigde op.

En nu willen wij, als slot van deze_^ reeks op datgene wijzen, wat nu vóór alles, ja, wat thans alleen moet worden gezegd!

Om dat te doen mogen we herinneren aan wat we in de inleiding schreven.

We wezen er daarin op, dat onze Here Jezus Christus zijn éne, heilige kerk dag in, dag uit vergadert. En dat Hij dat geheel en alléén doet.

En nu is dit de grote beslissende vraag voor iedere kerkgemeenschap en voor ieder gelovige: werkt gij in alles wat gij doet hierin met Christus mee?

Maakt ge u in al uw doen en laten aan Christus bij Diens kerkvergadering dienstbaar?

Als we ih de greep van die vraag voor (3od staan, schiet er niet veel van ons over! Dan m.oeten we en dan zullen we met Calvijn zeggen: „Welk een armzalige en verachte mensjes wij zijn, zijn wij ons zeer wel bewust, namelijk voor God ellendige zondaars en voor de ogen der mensen de allerverachtste; indien men wil, uitwerpselen en wegwerpselen der wereld, of zo men nog iets verachteUjkers kan noemen; zodat er niets overblijft, waarop wij bij God kunnen roemen, dan alleen zijn barmhartigheid, door welke wij zonder enige verdienste onzerzijds tot de hoop op de eeuwige gelukzaligheid zijn aangenomen".

Vooral wanneer men in een kerkstrijd betrokken werd zal men als vanzelf deze woorden van Calvijn in het hart willen nemen. Want breken de boze gedachten en de kwade begeerten uit de donkere idiepten van het hart ooit erger los dan wanneer in de kerk tussen broeders wordt gestreden? Als men in een kerkstrijd wordt gesleept moet de bede: „Heer erbarm U mijner" wel zeer krachtig in de ziel leven!

Maar behalve deze persoonlijke houding, actie, zon. de en schuld is er ook en vooral het meer objectieve, het veel ernstiger, het ook veel duurzamer, handelen en spreken van de kerk als zodanig. Het is dat spreken en handelen, dat in officiële boeken werd vastgelegd en bindend bUjft zolang het niet wordt herroepen.

Welnu, op dat officiële kerkehjke spreken en handelen richten we nu al onze aandacht.

En we willen aan aUen, die zich naar de naam van Christus noemen, thans deze vraag stellen:

Zijt gij van mening, dat J e z u s Christus een man, die van harte de Gereformeerde confessie als v e r t o l k i n g van zijn geloof aanvaardt, maar die weigert de leerb e s l i s s i n-g en van 1942 en 1946 te onderschrijven, NIET als ambtsd r a g e r in zijn kerk wil d u l d e n ? Zijt gij van mening, dat, i n d i e n zulk een man reeds a m b t s d r a g e r is, Jezus Christus van allen, die d a a r v o o r verantwoordelijk zijn eist, dat zo'n man uit h-et a m b t wordt uitgestoten?

In deze vraag wordt het ganse kerkelijke der laatste jaren tot zijn kern teruggeleid. conflict

Zie, op deze vraag begeren wij vurig een eenvoudig, duidelijk antwoord te ontvangen.

Daar smeken we om!

Dat is het eerste wat thans moet worden gedaan!


108) Deze term gelijkelijk is ontleend aan Calvijn, die n.l. betoogde, dat het ganse zaad van Jacob gelijkelijk met de getuigenissen van Gods genade, namelijk met zijn woord en zijn sacramenten, verwaardigd worden. Zie zijn komment. op Gen. 25 : 33.

109) Onze Geloofsbelijdenis - , Ksunpen, 1947, p. 442 v.

Ds Ros van Bennekom schreef publiek: „Ik predik hier zonder me te bekommeren om eenige leeruitspraak van de synode, aangaande het verbond 'k Vind de bindingsgeschiedenis een afschuwelijke geschiedenis" 111).

Op het hoogtepunt van de kerkelijke strijd verklaarde Ds-de Jager van Utrecht, dat het hem niet mogelijk was in te zien, dat de synodale constructie inzake belofte en doop in de Schrift wordt geleerd. En tegenover wat de Synode uitsprak vertolkte hij zijn geloof in deze aldus:

„Ie. de doop verzegelt Gods rijke verbondsbelofte, die de volle zaligheid bevat, welke naar Gods bestel in den weg des geloofs wordt vervuld en bij ongeloof wordt verworpen en krachteloos gemaakt;

2e. de doop verzegelt niet wat in den doopeling aanwezig is of verondersteld wordt aanwezig te zijn;

3e. aan alle (!!) kinderen des verbonds komt deze belofte toe. Volgens Prof. Bouwman behoeven wij dienaangaande niets te veronderstellen bij den doop. Niet alleen aan sommige kinderen, maar aan alle kinderen der geloovigen komt de belofte toe;

4e. deze kinderen behooren volgens de behjdenis tot de kerk en moeten meenens en oprecht als leden der kerk behandeld worden. Wijken we daarvan af, dan moet de kei'keUjke tucht op hen worden toegepast en bij verharding in het kwaad moeten ze van Christus' kerk worden afgesneden".

En hij sprak openlijk uit, dat naar zijn overtuiging de binding aan genoemde leeruitspraak een binden is aan iets „waaraan God ons niet bindt" n^). Onlangs verzekerde Ds de Jager publiek, dat hij de

HO) Om recht, revisie en hereeniging, p. 28, 29.

111) Zie: Gereformeerd Gezinsblad, 16 Oct. 1948.

112) Dit stuk is in mijn bezit.

113) Aldus Ds J. A. Schep, Het is wèl waar, p. 90.

114) Idem, p. 96. dan dat de Gereformeerde Kerken ten aanzien van de leer zeer strakke lijnen trokken. Ze verhieven inmaers inzake verbond, belofte en doop leerstellingen tot dogma's, welke door alle andere gereformeerde kerken niet werden aanvaard of zelfs nadrukkelijk werden verworpen. Ze deden dat met zulk een ernst, dat ze er zelfs tientallen ambtsdragers aan waagden. Ze kozen om der wille van deze leer zelfs een zeer vérgaand isolement.

115) De Konde Tafel (!!!) Nov. 1945.

Nog veel meer „ruünte" ontdekken we in de gebonden kerken als we op haar zendingsarbeid letten. Na lang aarzelen doet men nu volledig mee aan de

110) Wij blijven Gereformeerd (!!!) 1918.

117) Kerk en Theologie, 1951, p. 240.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 december 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE (IX slot)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 december 1951

De Reformatie | 8 Pagina's