GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

In De Bazuin

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

In De Bazuin

5 minuten leestijd

In De Bazuin richt Ds. Littooy van Middelburg een vraag tot ons blad, waarop we ons haasten, hem van antwoord te dienen. Zijn vraag is deze, of geëxcommuniceerden niet toch gedoopt blijven, en of hier niet uit volgt, dat de kring van de zichtbare kerk en de kring der gedoopten niet geheel saam vallen. Hij zegt er van:

„Hoever” vraagt gij, tstrekt de gemeente Christi ? " en uw antwoord daarop luidt : •i> Uitwendig over alle gedoopten!'^ Houd mij ten goede, als ik u zeg, naar het mij voorkomt, is dit zoo niet. Zijn doop toch kan men, meen ik, niet verhezen, maar zijn lidmaatschap wél. Men kan een gedoopt persoon en desalniettemin geen lid der gemeente Christi zijn.

Immers, als iemand afgesneden is, is hij geen lid meer; maar wel een gedoopt persoon. En het is daarom, dat men zoo iemand bij wederopneming immers niet bij vernieuwingdoopt ? Tenminste, uit het forniulier der wederopneming blijkt veeleer het tegendeel. Welnu, doet mea dat niet, maar blijft men hem als reeds gedoopte erkennen, dan gaat het ook niet op, om op de vraag »Hoever strekt de gemeente Christi? '' te antwoorden: » Uitwendig over alle gedoopten."

De Schrift toch zegt, dat de afgesnedene gedoopten, in plaats van leden der gemeente, ons als heidenen en tollenaren geworden zijn. En Augustinus zegt, en met hem Calvijn, (Institutie fol. 303), »dat zij, die buiten stonden en er wederom opgenomen worden, niet en behoeven wederom op een nieuw gedoopt te worden: maer dat d' oplegginghe der handen ghenoeghsaem is." En daar deze dingen alzoo zijn, volgt ook uit het - iniet overdoopen van Ds. Littooy" geenszins, wat gij voor hem als volgen laat, dat hij namelijk nu ook moet erkennen, dat alle gedoopten leden der gemeente Christi zijn. Bij mij bestaat er een groot onderscheid tusschen gedoopten en doorleden. : Naar ik meen, zijn er veel meer gedoopten, dan doojtleden, dan leden der gemeente Christi.

Tegen deze opmerking hebben we niets in te brengenj al vatten we ter wereld niet wat Ds. Littooy er meê betoogen wil. Als ik toch zeg: „Tot de Nederiandsche burgers worden gerekend al diegenen te behooien, die uit Nederlandsche ouders geboren zijn"; wat bewijst men dan tegen mij, zoo men beweert en terecht beweert: „Als een geboren Nederlander in Amerika genaturaliseerd wordt, houdt hij op, Nedcrlandsch burger te zijn, en is dus afgesneden van ons burgerschap, hoewel hij toch uit Nederlandsche ouders geboren was"?

Natuurlijk heeft niemand ter wereld hier de allerminste bedenking tegen, en zal men antwoorden: „Wilt ge ook cp het verlies van dit recht letten, uitnemend, dan wordt de definitie deze: Tot de Nederlandsche burgers behoorenal diegenen, die uit Nederlandsche ouders geboren zijn, voorzoover ze dit recht niet op wettig geconstateerde wijze verloren hebben."

Toegepast op de kerk wordt het dan; Tot de „sienlicke" Kerk op aarde behooren alle gedoopten, voorzoover zij hun aanhoorigheid tot de „sienlicke" kerk niet op wettiglijk geconstateerde wijze verloren hebben.

Dit brengt ons dus geen stap verder in het onderhavige geschil. Met Ds. Littooy toch zijn wij het van harte eens, dat de ambtsdragers, in college vergaderd, den plicht hebben, om de gedoopte personen te vermanen, op te wekken tot belijdenis, van hun dwalingen af te houden, en bij volharding in het kwaad en gebleken hardnekkig ongeloof of onverzettelijke ketterij in leer en leven, hen van de gemeente, d. i. van de georganiseerde „sienlicke" kerk af te snijden. En ons verschil van inzicht loopt niet over degenen die zuel, maar juist over hen die niet door kerkelijke tucht behandeld zijn.

Een gedoopte, die niet door den ban van de „sienlicke" kerk is afgesneden, zeggen wij, dat als zoodanig tot de „sienlicke" kerk moet gerekend worden, terwijl Ds. Littooy oordeelt, dat er zijn kunnen, die, zonder door den ban te zijn afgesneden, zichzelven feitelijk van hun aanhoorigheid tot de > sienlicke" kerk hebben beroofd. Ter beoordeeling van dit punt nu beroepen zij, die het gevoelen van Ds. Littooy zijn toegedaan, zich, begrijpelijker wijze, op de uitspraken van eenige godgeleerden, die overigens van goeden naam zijn en metterdaad hun gevoelen eenigszins .steunen.

Wij onzerzijds beroepen ons daarentegen op het eenparig oordeel onzer oudste hervormers, godgeleerden en synoden, en op de algemeene kerkelijke practijk. Dit nu dunkt ons sterker. Ook Ds, Littooy toch geeft de practijk toe. Een Roomsch gedoopt kind doopt hij niet.

Immers, meer dan één wettig afgezet ambtsdrager en ook meer dan één wettig afgesneden kring gaat voort met het bedienen van den doop. En al is het nu, dat wij die personen niet meer erkennen in hun ambt en die kringen niet meer als tot de gemeente Christi te behooren, totli zullen wij, bijaldien door hen : of in hun midden gedoopten in den Naam des Drieëenigen tot ons overkomen, niet zoo gemakkelijk overdoopen; of liever, niet van de stelling uitgaan, dat zij nog niet gedoopt zijn. Dit staat ten minste vast, d at onze vaderen daarin zeer scrupuleus waren. Het is mijns inziens ook daarom, dat zij ons voorgegaan zijn, om den doop der Roomschen te erkennen. Doch dat zij mitsdien, zooals gij blijkens uw boven afgedrukt schrijven kennelijk wilt, nu ook de Roomschen tot »de gemeente Christi" rekenden, is mij nog niet duidelijk en kan ik alzoo nog niet toestemmen.

Ds. Littooy dankende voor deze echt Katholieke verklaring (Katholiek in den goeden zin) zeggen wij nu op onze beurt: Zekere acte is Doop of geen Doop. Is ze Doop, en wel bepaaldelijk kinderdoop, dan kan ze alleen kinderdoop zijn, doordien ze bediend is aan het zaad der kerk. Wie derhalve met Ds. Littooy oordeelt, dat een Roomsch gedoopt kind wel waarlijk als kind gedoopt is, moet ons toegeven, dat het alsdan dezen Doop alleen kan ontvangen hebben, als behoorende tot het zaad der kerk en tot de kleine kinderef', der geloovigen.

Dat we hier nu stuiten op een 2êer netelig en moeilijk punt, dient beiderzijds toegegeven. o, Het is zoo goed te begrijpen, dat men telkens er toe neigde, om al zulken ketterdoop als geett Doop te beschouwen. Dan was men van alle moeilijkheid af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

De Heraut | 4 Pagina's

In De Bazuin

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken