GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

8 minuten leestijd

ENKA. (Mej. A. VAN DER VLIES). Kan een echtzinnig christen socialist zijn? Bevesiigend eantwoord. Baarn HoUandia-Drukkerij Ï9°T-

Dit boekje is No. 7 van Serie I der „Lsvensragen". Een brochurenreeks voor allen, die in en geestesstrijd onzer dagen belang stellen.

ENKA, die het niet aan stijl ontbreekt endat

ook in dit haar geschrift toont, beantwoordt, met de apodicticiteit der propagandiste, de vraag of een rechtzinnig christen socialist kan zijn, bevestigend. Het wil mij voorkomen, dat de «jjze waarop de geachte schrijfster in deze vraag haar' gedachten formuleert, aan duidelijkheid te wenschen overlaat.

Vele harer lezers zullen haar verkeerd be fijpen en deze begripsverwarring acht ik èn voor Enka zelf èa voor den geestesstrijd onzer dagen jiet weinig bedenkelijk.

Dat komt er van als men in den geestesstrijd onzer dagen over levensvragen wil mee-praten en meeschrijven, zonder zich de moeite te geven van juiste begripsbepaling.

Wat is een „rechtzinnig'christen" ?

Ik zou, wijl niet de bijbel, maar de belijdenis van de kerk waartoe een christen behoort, het criterium zijner rechtzinnigheid is, willen antwoorden: een christen die het goed eens is met de belijdenis zijner kerk.

Maar nu komt de groote moeilijkheid.

Wijl er onderscheiden kerken ieder met een eigen belijdenis zijn, zoo zijn er ook onderscheidene „rechtzinnige christenen".

Welk rechtzinnig christen heeft ENKA nu op het oog?

Een nadere bepaung ware hier allermmst overbodig geweest, doch zij laat u daaromtrent in volslagen onwetendheid.

Of een roomsche, een gereformeerde, een luthersche christen volgens haar bedoelen socialist kan zijn, dan wel een, die van nog'n andere kerk lid is, moet ge maar raden.

Erger nog is het met het woord socialist.

Wat is een „socialist"?

Men kan, bij de woord-verklaring blijvende, zeggen, ieder die zin heeft voor de gemeenschap; en dan staat een socialist tegenover een individualist.

Ik zelf heb voor jaren, in een lezing voor Patrimonium over „Individualisme en Socialisme" het gebruik van het woord „socialist" in dien zin verdedigd en zelfs de samenkoppeling van „Christen-socialist" voorgestaan.

’t Was dood-onschuldig bedoeld. En toen kon 't nog even; maar nu niet meer.

’k Bedoelde toen niet anders dan'n christen met zin voor de gemeenschap, a aar ik zou het toch niet graag weer doen en ontraad ieder om het na te doen.

En dat vanwege de spraakverwarring die men er mee sticht.

Wie toch het woord „socialist" gebruikt, doet zijn medemenschen aan heel wat anders denken dan aan 'n mensch met sterken gemeenschapszin.

Maar vooral indien men niet bij de woordverklaring wil blijven dient men, waar men in den geestesstrijd onzer dagen leidend wil optreden, voor zijn medemenschen toch nader te bepalen, wat men verstaat onder 'n socialist. Begaat men hier een zonde van verzuimenis, dan wreekt zich dat in misverstand, in nietbegrijpen.

Velen verstaan onder een socialist nog altijd een communist.

Een Gereformeerde, die er dit onder verstaat zal het met ENKA al dadelijk niet eens wezen, want als rechtzinnig Christen kan hij geen „communist" zijn. Immers naar zijn belijdenis verwerpt hij de wederdoopers en andere oproerige menschen, en in 't gemeen al degenen, die de Overheden en Magistraten verwerpen en de Justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen" (Gel. Bel. Art. 36).

Nu is dit begrip van „socialist" zeker onjuist.

Communisme is een ruimer begrip dan socialisme.

Maar omdat velen deze twee begrippen nog altijd dooreenhaspelen, dient, wie als leider bij den geestesstrijd onzer dagen wil optreden, ze des te nauwkeuriger te bepalen.

Het socialistisch communisme of „het socialisme" wil alleen het communisme van de arbeidsmiddelen, van grond en werktuigen; en wil daarbij zoowel de voortbrengmg als de verdeeling van het voortgebrachte georganise.-rd door den staat.

Als zoodanig is het socialisme een staathuishoudkundig systeem.

Niet meer en niet minder.

Maar, wijl de moderne socialisten, en met name de aanhangers van KARL MARX, deze organisatie op geheel democrattschen grondslag willen verwezenlijken, noemen zij zich sociaaldemocraten en hun systeem Sociaal-demokratie.

Wie nu in onze dagen van „socialist" spreekt, wekt bij velen zijner medeburgers, ook bij hen die communisme en socialisme niet dooreenhaspelen, de gedachte op aan een Sociaal-democraat.

Aan een MARXIST.

Aan 'n socialist, die er behalve de socialistische hervormingsplannen, ook nog de twee bekende MARXISTISCHE dogmen, dat van de „meerwaarde" en dat van de „materialistische geschiedbeschouwing", op nahoudt.

Nu geef ik toe dat Socialisme alweer een ruimer begrip is dan Marxisme.

Maar omdat velen ook deze begrippen nog altijd dooreenhaspelen dient, wie als leider bij den geestesstrijd onzer dagen wil optreden, ze des te nauwkeuriger te onderscheiden.

Wie nu ENKA'S brochure nauwkeurig leest, merkt wel, dat ze het MARXISME niet in bescherming neemt. In een ingezonden stuk in de Standaard van 25 Maart jl. verzekert zij bovendien, dat in haar brochure volstrekt niet wordt betoogd, dat een Christen met de Sociaaldemocratie kan meegaan. Maar dan had ook de titel van haar brochure anders moeten zijn.

MEJ. V. D. VLIES is een Christelijke vrouw, en waar nu de vraag: Kan een rechtzinnig Christen socialist zijnl met het bevestigend antwoord er bij, zoo rauwelings, van christelijke zijde, onder het publiek wordt geworpen, daar acht ik dat bij den geestesstrijd onzer dagen uiterst bedenkelijk.

„De vraag zelf", zegt Enka, „is nog geen brandende quaestie."

„Maar eerlang zal zij dat worden; in komende jaren zal zij het vraagstuk zijn".

Deze uitlating geeft mij den indruk, dat MEJ. V. D. VLIES zelve nog zoo zeker niet is van haar zaak. Ik kan mij toch niet voorstellen hoe iemand, die een vraagstuk voor het publiek pas opgelost heeft, verwachten kan, dat het in komende jaren een brandende kwestie, HET vraagstuk zal worden.

Maar juist omdat ENKA in haar brochure de begrippen niet duidelijk genoeg onderscheidt; juist omdat zij, gelijk we reeds opmerkten, met 200 groote apodicticiteit spreekt; juist omdat haar boekje zoo suggestief is, vrees ik, dat No. 7 der „Levensvragen" in enkele geesten toch verwarring zal stichten.

Ik denk daarbij, en dit dringt mij om vóór andere boeken, thans ENKA'S geschrift te bespreken, aan de geesten van sommige onzer politieke vrienden, bij wie 'n sterke neiging bestaat om het „groen", dat par droit denaissaace de kleur der anti-revolutionaire partij is, te verbinden met het „rood" der sociaaldemocratie.

Eu niet alleen op esthetisch gebied is het, dat groen en rood, — de Duitschers noemen dat „Bauern-farbe" — tegen elkander vloekt.

De kunst van lezen nu wordt over het algemeen slecht verstaan.

Het groote publiek, waartoeik ook hen reken, die tot de zooeven genoemde kleurenverbinding neigen, heeft weinig zin voor subtiele distincties.

’t Is al mooi wanneer het een socialist van een communist weet te onderscheiden.

Maar het dan nog weer de nadere distinctie tusscheneen socialisten een Marxist bijtebrengen, daarvoor is veel geduld en heel erg-duidelijk-zijnnoodig.

Nu zal ik niet zeggen, dat ENKA dit in haar brochure niet bedoeld heeft te doen, maar gedaan heeft ze het niet en haar titel bederft alles.

Die titel is tartend.

De inhoud van het boekje wordt vergeten, maar dat „een rechtzinnig christen socialist kan zijn", dat blijft hangen in het bewustzijn.

En of ENKA nu al in haar brochure volstrekt niet betoogt, dat een rechtzinnig christen een sociaal-democraat kan zijn, helpt niets. Wie naar „rood" trekt, denkt „socialist is socialist" en zegtj: „zie je wel, ook die christelijke ENKA heeft het gezegd, dat je als rechtzinnig christen heel goed socialist kunt wezen".

Maar afgezien nog van deze begripsverwarring, waartoe ENKA'S brochure aanleiding kan geven, acht ik haar bedenkelijk.

Of een rechtzinnig christen socialist kan wezen, — geen Marxist nu, maar Socialist in den zin waarin Mej. v. d. Vlies dat bedoelt, — is een vraag, waarvan ik meen, dat de bevestigende beantwoording moet toegeschreven óf aan zekere passie die voor de uitspraken, welke tot haar ontkennende beantwoording leiden, blind maakt, 5f aan volslagen onbekendheid met die uitspraken. De bestudeering der brochure doet mij bij ENKA het eerste even sterk vreezen als het tweede vermoeden.

Ik denk nu mèt de schrijfster alleen aan het socialisme als „economisch systeem"; aan dat systeem waarbij, indien het eens werd toegepast, „het privaat grondbezit en de concurrentie voortbrenging vervangen' zou zijn geworden door gemeenschappelijk grondbezit, gemeen schappelijke productie, gemeenschappelijke ver deeling" — zooals Mej. v. d. Vlies het op p. 13 omschrijft. Ik vraag nu met Enka, of een rechtzinnig-christen — en deze ietwat vage term neem ik nu maar in den zin van: een rechtzinnig christen van welke belijdenis ook — voorstander, propagandist zelfs, van dit systeem kan zijn.

En dan zal zij het wel met mij hier over eens wezen, dat de rechtzinnige christen ver standig genoeg is om alleen zulk een economisch systeem voor te staan, dat naar zijn overtuiging voor toepassing vatbaar is, en wel zóó, dat, cm nog eens haar eigen woorden te gebruiken, „de maatschappelijke toestanden er beter, harmonischer" dan de tegenwoordige door worden.

Nu heb ik, bij christelijke en niet> christelijke schrijvers over het socialisme als economisch systeem, op dit stuk uitspraken gelezen, die daaromtrent alle illusie ontnemen. Uitspraken, niet zoo maar daarheen geworpen, maar rustend op kalm betoog.

Maar al te goed wetend, dat het bezit eener overtuiging samenhangt met nog andere psycho logische momenten, dan de intellectueele, vrees ik, dat het niet heel veel zal geven, of ik ENKA al aanraad ook van deze literatuur eens kennis te nemen.

Men kan echter niet weten.

En dairom zij het mij vergund ditmaal al vast onder haar aandacht te brengen, wat een rechtzinnig christen, nu eens geen gereformeerde, maar een roomsche, en wel VICTOR CATHREIN S. J., in zijn voortreffelijke MORALPHILOSOPHIE II over de unmöglichkeit des Socialismus schrijft.

Misschien krijgen wij dan nog eens een tweede brochure: Kan een rechtzinnig christen, van welke belijdenis ook, socialist in enger of ruimer zin zijn? ontkennend beantwoord door ENKA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's