GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

12 minuten leestijd

„De wereld juicht er in.”

Ds Popma schrijft in „Amersfoortsche Kerkbode" het volgende:

'k'Wil het hebben over de vraag of we ons nu zoo diep moeten, schamen over 't feit, dat telkens weer een strijd opduikt. En dan speciaal schamen tegenover de „wereld", die smaalt: daar heb je nu die Gereformeerden; 't is me een fraai stelletje!

Er zijln. er altijd onder ons, die, wanneer ze van zulke botsingen hooren, alleen maar meewarig het hoofd schudden en zuchten: de wereld juicht er in. Daarbij meenen ze, dat na zulk een woord alle Gereformeerden mijlen in 't rond ter aarde moeten storten.

Tegen de houding, die daaruit spreekt, heb ik bezwaar. De houding van: we moeten ons er toch eigenlijk voor geneeren, dat mensohen zich over zulke kwesties warm maken, terwijl rondom een wereld in nood is.

Immers: we prediken het evangelie aan die wereld. "We willen die menschen brengen tot de kerk, de Gereformeerde Kerk. Denkt ge nu waarlijk, dat er veel aantrekkelijks schuilt in een kerkelijk leven, waar 't met de rechtsbedeeling niet heelemaal zeker is; waar iemand „lastig" wordt gevonden, omdat hij in een ernstige kwestie open en eerlijk zijn meening zegt?

Maar 't omgekeerde is wel 't geval. "Wij zeggen, dat we heel ons leven, ook alles van de kerk-inriohting willen hebben, alleen maar in onderworpenheid aan Gods Woord. "Wij zeggen er altijid bij, dat 't beste van ons onvolkomen is en met zonde bevlekt.

Wanneer dan de meeningen scherp tegenover elkaar komen te staan en het onderling debat tastend den weg zoekt, dan kan, die „wereld" alleen maar zeggen: ziji trachten in de practijk hun woord waar te maken.

Wanneer ik evangelisatie-object was, zou ik uiterst wantrouwend staan tegenover een kerkelijke samenleving zonder gisting van debat en polemiek; zoolang we blijven op den grondslag van Schrift en belijdenis, ons houden aan de Kerken-orde, behoeven we ons er niet voor te schamen, afgedacht dan van de moeite van on^ze onvolkomenheid, die ook hierin spreekt.

Natuurlijk moeten we niet in dit polemisch bedrijf ons uitgangspunt nemen in de onderstelling, dat alleen de specialist hier recht van meespreken heeft en mag een argument van niet-willen-toegeven-uit halsstarrigheid zelf niet worden genoemd. Maar 't feit van een kerkrechtelijik meeningsversohil als zoodanig zal waarlijk ons evangelisatie-werk niet breken.

Men kan zeggen: we staan toch maar voor 't feit, dat de neutrale pers er in smult.

Dan zou ik willen wijzen op een antwoord, dat Anton V. Duinkerken gaf aan Mussert en dat met de noodige wijzigingen overnemen.

Mussert had gesproken over „den zich Katholiek noemenden Van Duinkerken".

Van Duinkerken antwoordde met de „ballade van den Katholiek", waarvan het eerste couplet luidt:

Jawel, mijlnheer, ik noem mij Katholiek En twintig eeuwen kunnen 't woord verklaren Aan u en aan uw opgewonden kliek, Die blij; mag zijn met twintig volle jaren. Als ónze God u toestaat te bedaren Van 't heil-geschreeuw, geleerd bij de barbaren, En als uw volksbeweging haar muziek Toonzetten leert op ónze maat der eeuwen. De Roomschen hebben in de politiek Iets meer gedaan dan onwelluidend schreeuwen, Daarom, mijnheer, noem ik miji Katholiek.

Met de noodige wijzigingen zou ik dit willen overnemen niet alleen tegenover de neutral© pers, maar tegenover heel veel mode-stroomingen, seoten, kringen en groepen, die zich veroorloven kwaad te spreken van de Kerk.

Een zeer verstandig woord, dat op zijn tijd komt.

De verklaring van de curatoren der V.U.

In „Amersfoortsche Kerkbode" schrijft Ds Popma:

We hebben het merkwaardige feit beleefd, dat de ééne hoogleeraar aan de V. U. den andere beschuldigde af te wijken van zoo ongeveer de meest fundamenteele gedachten van het christendom.

Dat gaf uiteraard eenige deining. Zou het onderwijis aan de V. ü. niet langer te vertrouwen zijn? Die onrust week, toen werd aangetoond, dat de aanklagende hoogleeraar met de gedachten van zijn collega niet voldoende vertrouwd was en diens meeningen onjuist weergaf.

Toen hebben de besprekingen der bekende brochures de rust doen weerkeeren. Hoewel er soms onprettige ervaringen waren en onvriendelijke woorden door gebrek aan inzicht in de vragen, waar 't om ging, ben ik nog steeds dankbaar dat ons Kerkblad zelfstandig en onafhankelijk hieraan heeft meegedaan.

Vervolgens citeert Ds Popma de verklaring van curatoren der V.U., waarna hij opmerkt:

Dat beteekent in de eerste plaats: curatoren zijin door de aanklagende brochures niet overtuigd. Reden tot ingrijpen is er voor hen op dit oogenblik niet.

Ze hebben zich immers met deze polemiek bezig gehouden en als ook maar de helft waar was van de aanklachten, hadden ze het er niet bij kunnen laten. In de tweede plaats wordt een weg gezocht om herhaling van het misverstaan van elkaar te voorkomen, daarom wordt naar rechts gezegd: Als ge weer piibliceeren gaat op principieel terrein, bespreek dan eerst de zaak met de collega's, om te voorkomen, dat straks blijkt, dat ze uw bedoelingen niet hebben begrepen. En naar links wordt gezegd: niet meer op dergelijke wijfce polemiseeren, waarbij ge voorbarig uw collega in staat van beschuldiging stelt. Eerst samen spreken in den kring, die daartoe aangewezen is.

Aan deze publicatie der curatoren ligt m.i. de gedachte ten grondslag: er is een misverstand, en er is behoorlijk kans, dat onderlinge bespreking de meeningen dichter biji elkaar brengt of althans de intrekking der beschuldiging van afwijken van de belijdenis ten gevolge heeft.

Er is nu alle reden om aan te nemen, dat herhaling van voorbarige beschuldiging wordt voorkomen, doordat men aan twee kanten daartoe meewerkt. Dit behoeft niet te beteekenen, dat de verschijning der „brochure-reeks" wordt stopgezet.

Curatoren hebben buiten den kring van het academisch leven niets' te zeggen.

De volgende brochures zullen gericht zijn niet

tegen hoogleeraren van de V. U. Maar wanneer men in den academischen kring den stelregel aanvaardt: eerst samen in den aangewezen kring de dingen bespreken, kan men dien regel moeilijik daarbuiten verloochenen.

We mogen dus hopen.

In „Asser Kerlibode" merkt Ds B. A. Bos over deze aangelegenheid op:

Met groote instemming las ik in dit schrijven: „Curatoren aarzelen niet, hunne teleurstelling uit te spreken over de publicatie en verbreiding van opvattingen op principieel terrein, die nog niet voldoende in eigen kring zijn bezien." Verder wordt in dit schrijven als oorzaak van de polemiek, welke betreurd wordt, aangewezen „het verschil van opvatting tusschen enkele hoogleeraren onzer universiteit". Me dunkt, voor deze verklaring mogen we zeer dankbaar zijn; eerstens toch zijn de zaken tot de oorzaak teruggeleid, iets, wat den laatsten tijid nog al eens uit het oog werd verloren, en in de tweede plaats toonen Curatoren dat zijl het doen van Prof. Hepp in het bijKonder, niet goedkeuren.

Van harte hopen we, dat deze open verklaring haar vruchten zal afwerpen, tot heil onzer Kerken, en ook tot zegen van onze V. Universiteit. Tevens hopen we vurig: dat „een herhaling zal worden vermeden".

Provisorische sluiting.

Ds B. A. Bos zegt in „Asser Kerkbode":

Met het provisorisch gesloten zijn der Synode is het toch wel vreemd. Eerst wisten we niet dat deze Synode andermaal provisorisch gesloten - was; daarna kwam Ds W. W. Meijnen van Dordrecht, en lid van de laatste Synode, in zijn Kerkbode vertellen dat de Synode weer provisorisch was gesloten, en wel met het oog op de beslissing van Prof. Bavinck. Nu komt Ds Meijnen meededen zich vergist te hebben. De Synode is wel provisorisch gesloten, maar dit staat in verband met het proces dat biji den Hoogen Raad aanhangig is inzake kerkelijke goederen.

Als ik me wel herinner, valt ook deze laatste mededeeling buiten de orde.

Och, wijs mij den man....

Ds J. O verduin schrijft in „Credo" over iemand, die „enkele nieuwe gedachten aan de hand deed" in betrekking tot het schrijven van traktaatjes voor de evangelisatie, over welk onderwerp nog pas in ons blad de heer N. Baas gehandeld heeft.

V/e lezen:

En wat was nu zijn ideaal? Elk tractaat moest een gedeelte uit Gods Woord behandelen en laten zien, hoe God de Heere in dien tijd werkte en voortschreed met Zijn Openbaring. In de theologie noemt men dat historia revelationis, of te wel geschiedenis der Godsopenbaring.

Dit schoone „vak" is voor verscheidene menseben zoo ongeveer bet één en het al geworden. Er bestaat geen grondiger middel om de „geschiedenis der Godsopenbaring" in discrediet te brengen, dan door deze overwaardeering.

Ik wilde, dat ik van deze „verscheidene menschen" er nu eens ééntje mocht kennen. Ik zou hem vragen, hoe hij zich bevindt onder deze „over-waardeering", en hoe hij het klaargespeeld heeft om door de waardeering heen te komen en boven haar uit te komen. Hetzelfde geldt van de „sommige menschen", van wie Ds Overduin nog verhaalt:

En nu krijgt men van sommige menschen sterk den indruk, dat een preek pas een goede Gereformeerde preek is, wanneer daarin uitsluitend geschiedenis der Godsopenbaring gegeven wordt en enkele groote lijnen worden getrokken. Dit is even dwaas als wanneer men de preek laat opgaan in een dogmatische verhandeling of een psychologische ontleding der

figuren. Het is zoo jammer, dat sommigen op dit stokpaardje van de geschiedenis der Godsopenbaring rijden. Jammer voor de zaak zelve, want dit element is inderdaad langen tüd verwaarloosd. Jammer, want men kan meer rijkdommen van het Woord Gods laten schitteren en dat speciale Woord meer recht doen, wanneer men ernstig rekening houdt met dit element. Maar men moet de heele preek er niet in laten

opgaan. Dan is het geen preek meer. Ook hier vraag ik: wijs mij den man. Ik ken er wel enkelen, die, dank zij Gods genade, „historische stoffen" als historische zijn gaan behandelen, en ik ken er zeer veel anderen, die zich van dezen eenvoudigen plicht tegenover het "Woord Gods niets aantrekken. Maar den zèt, die een preek „uitsluitend geschiedenis der Godsopenbaring" wil doen geven, heb ik voor mij nog nooit ontmoet. En ik vrees, dat met het strijden tegen deze windmolens de bedremmelde Sancho Panza, die den strijd nog leeren moet, weer een eindje achteruit geworpen wordt, en dat intusschen de heusche vijanden in homiletisch opzicht verder gaan, kwaad te stichten in de kerk.

Beroep op Gods Woord.

Dr J. Ch. Kromsigt vertelt in het Herv. Weekblad „De Gerei. Kerk" onder meer het volgende:

'k Krijg daar pas in handen een brochure door de vereeniging van vrijzinnigen gezonden aan de leden der Prov. Kerkbesturen met 'toog op het door hen te geven advies.

En wat lees ik daar over het beroep op Gods Woord? Met beroep op de autoriteit van Prof. Slotemaker de Bruine (die o.i. op ander gebied wel meer gezaghebbend is) wordt daar aan zoo'n beroep alle beteekenis, feitelijk aan Gods Woord alle autoriteitsgeldigheid ontzegd.

Dit beroep op Gods Woord is, zoo lees ik daar: „een volkomen onhoudbare gedachte". „Er is immers geen instantie, die beslist, wat het Woord Gods zegt. De beklaagde, die zich op Gods Woord beroept, moet zich aan de meerderheid onderwerpen of hij moet uittreden. In de praktijk valt dus Gods Woord samen met de opvatting der meerderheid in de Kerk. Het plechtige „behoudens beroep op Gods Woord" beteekent dus feitelijk niets. De voorstelling, alsof hiermede aan den beklaagde een recht in handen gegeven wordt, is zuiver schijn."

In een noot wordt nog opgemerkt:

Men leze hieronder in het verslag van de toespraak van Ds Dijkstra in de bijeenkomst over reorganisatie in de Westerkerk te Amsterdam gehouden: „Sprekers hart kromp ineen toen hij las, dat wij niet zouden weten, wat Gods Woord is", zoodat daarom beroep op Gods Woord niet zou baten. Is dan het beroep op het geweten geen schijn? Welke waarborg is er daarbij, dat iemand persoonlijke willekeur niet uitgeeft voor persoonlijk „geweten".

In verband met een en ander wordt dan door Dr Kromsigt nog opgemerkt:

Zeker, zeker — „het beroep op Gods Woord beteekent feitelijk niets!" Maar beteekent dan de bewering, dat men in de Kerk samen komt onder „den dienst des Woords" wel iets? Beteekent dan het voorgeven van iemand, dat hij is een „dienaar des goddelijken" Woords wel iets? Is dat iets anders dan plechtige nonsens, wijsmakerij van de goedgeloovige menigte? Iets waarover de „dienaren des Woords" onder elkander glimlachen, zooals de heldensche priesters in Cicero's tijd elkaar niet zonder glimlach voorbij konden gaan van wege het vrome bedrog, waarmee zij de groote schare bedotten! Is het daarom verstandiger, dat dienaren des Woords zich onder elkaar niet op het Woord beroepen, maar liever zich op hun vergaderingen bepalen tot allerlei finantiëele en administratieve aangelegenheden, die dienstiger zijn tot onderlinge eenheidsopenbaring en versterking van eenheidsband!

„Feitelijk niets." Zeker, zeker, zoo is het voor het nuchtere verstand, dat de realiteit van ieder mystiek element ontkent. Zoo is het voor „den natuurlijken mensch, die niet onderscheidt de dingen, die des Geestes Gods zijn", die niet eens weet, wat sommige heidenen reeds wisten: „Magna est Veritas et praevalebit". „Groot is de Waarheid en zij zal overwinnen". We hopen toch, dat het zoo voor die schrijvers niet is! Met belangstelling volgen wij een en ander. Alleen verklaren wij, niet te verstaan, hoe men in dezen kring zich op deze wijze kan verzetten tegen degenen, die een beroep op Gods Woord afwijzen. Men heeft toch zelf herhaaldelijk de grondgedachten van Karl Barth helpen verbreiden, en de consequentie daarvan is precies dezelfde: dat men op „Gods Woord" zich niet werkelijk beroepen kan. Ter toelichting verwijzen we nog maar eens naar ons hoofdartikel van enkele weken geleden, onder den titel: „De Bijbel Gods Woord".

GereL Jongelingsblad.

Enkele weken geleden schreven we, dat de bespreking, in het „Gerei. Jongelingsblad" gewijd aan mijn rede voor de Oranjegarde, was uitgeloopen op een persoonsbeoordeeling van bedenkelijk allooi. Tot onze blijdschap is in het nummer van de vorige week deze passage teruggenomen. Op dit punt ligt dus de weg weer vlak. Mocht nu ook nog voldaan worden aan ons verlangen, dat men zijn stellige bewering inzake het in strijd schijnen te komen met wat ik anderen voorhield, zou bewijzen of anders terugnemen, dan was daarmee het heele geval op goede basis gebracht. En dan is er nog

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren