GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

"Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zebentig, of zoo we zeer sterk zijn, tachtig jaren."

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

"Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zebentig, of zoo we zeer sterk zijn, tachtig jaren."

8 minuten leestijd

Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar, of, zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarhenen. Psalm XC:10,

De dood lag niet in de ordinantie der Schepping, maar is eerst als gevolg van den val in^ onze menschelijke existentie ingeslopen.

Toch niet op eens met volle kracht. Geldt nu nog steeds de klacht van Mozes, dat de dagen onzer jaren om 't zeveniigtal zweven, en dat .'t bijna een uitzondering is, zoo iemand de tachtig jaren halen mag, in de eeuwen vlak na den val was het nog zoo geheel anders. Methusalem bracht het tot 969 jaren, en Adam die het eeist het oordeel te dragen had, leefde slechts 39 jaren korter. Dit leven vaii zooveel langer dan thans, nam daarna wel gaandeweg af, maar zelfs .Noach suerf eerst toen hij de 9S0 jaren vervuld had. Doch na den zondvloed trad de sterke daling in. Bij Nahor is de levensduur reeds tot op anderhalve eeuw naar beneden gegaan. En al mocht Mozes zich nog in een levensduur van ver over de honderd jaar verheugen, reeds in zijn tijd was, naar luid zijn lied in Psalm 90, het gewone raenschenleven, ver beneden de eeuw, op zeventig, en veel zeldzamer op 80 jaar naar beneden gegaan. En zoo staat 't nog. Op de zes en drie kwart millioen zielen, die op onze erve leven, waren er blijkens de laatste, volkstelling niet meer dan even 43.000 die den taehrigjarigen leeftijd bereikt hadden of Overschreden. Dit moge nu in Rusland nog len deele anders zijn, daar erin dit wondere land nog leeftijden van honderddertig en meer jaren voorkomen, doch in het gemeen genomen bleef het dan-toch gelijk het in Mozes dagen reeds was, zeventig jaren het gelukkig normale en tachtig jaar reeds hooge uitzondering.

Doch ook hiermede is inog niet genoeg gezegd. Als regel toch mag gezegd, dat reeds op 50 jarigen leeftijd de kracht des menschen èn lichamelijk èn geestelijk begint af te nemen, dat met zestigjarigen leeftijd de ouderdom reeds intreedt, en dat, komt men verder, het leven nog wel gespaard kan worden, maar toch de nadering van het einde reeds intrad, zoodat, al komt er nog levensverlenging, dan toch de bejaarde op verre na niet meer over zijn vroegere kracht

beschikt. Bij het leger durft men niet dan bij uitzondering over de vijf-en-veertig jaar gaan.

De ouderen kunnen niet meer meê.

Nu is er wel, dank zij de medische studie, een kleine kentering ten goede ingetreden.

De sterfte der. pasgeborenen daalde met meer dan een vierde. Het cijfer van hen die de zestig en zelfs de zeventig jaar overschrijden mochten, klom zeer in 't oogloopend, maar wat beduiden-deze kleine verschillen, zoo ge het verlies en de winste in levensduur vergelijkt met wat ze op zichzelf naar Gods bestel wezen zou, en sinds als^evolgvan den vloek geworden is. Iets wat te meer drukt, omdat nie-t-alleen de duur van ons leven derwijs is ingekotj, maar ook de levenskracht, èa lichamielijk èn geestelijk, op 200 bange wijze slonk. Het volle, ongeknakte en zich volop maiatineerende menschenlevea overschrijdt thans de halve eeuw niet meer, en wat, zelfs, na den val, aanvankelijk de tien eeuwen nabijkwam, is thans tot op de halve eeuw gedaald. Een droef gebeuren, waar Mozes in zijn lied dan nog aan toevoegt, dat het meeste onzer jaren zoo telkens bedroefd wordt door moeite en verdriet. Zoo in alles het tegendeel van wat 't ia 't Paradijs oorspronkelijk was.

Sterk vooral gevoelt men dit aan de gelukwcnschen die de langer gespaarden tegemoet mogen zien, indien ze ook maar de tachtig jaren halen mogen. Reeds het bereiken van zulk een leeftijd geldt ook nu nog voor zoo iets gelukkigs, dat men er elkander met vreugdegeroep om tegemoet treedt. En mag 't dan zijn, dat zelfs op zulk een leeftijd de gebroken' kracht zich nog binnen zekere afmetingen mocht staande houden, dan acht men dit een zoo hoog gaand geluk, dat'men het u bijna benijden zou. . De inzinking, die dan reeds intrad, rekent men dan ter nauwernood. Over waf men aan kracht en frischheid verloor, valt geen jammerklacht. Als men zelfs op zoo hoogen leeftijd zich nog boven verwachting staande kan houden, wordt dit zoo hoog aangeslagen, als mocht men bij de gelukkigen gerekend worden.

Het verlies van een veertig percent van zijn sterkte en bezieling schijnt minimaal bij wat 't vaak bij .anderen is, en 't geen toch feitelijk een zoo bang bewijs van onze ontreddering is, wordt toegejuicht om de exceptie.

Nu spreekt er ongetwijfeld genade in, zoo kunst en wetenschap er, op wat kleine'schaal dan ook, in slagen, den levensduur met een twee-drietal jaren te verlengen, en zoo het gelukt meerderen dan eertijds, de uiterste grens te doen bereiken.

Ge moogt 't dan betreuren, dat zij die hierin slagen mochten, er Gode niet altoos de eere van geven, maar eer in eigen wetenschap roemen, doch wie gelooft, kan er toch zijn God voor danken.

Wat alleen niet mag is, tóegeven aan de zelfverheffing, als betraden we allengs wegen en paden die tot een verlengen van 't leven met tientallen van jaren zouden leiden. De dahng en inzinking van lichamelijke en geestelijke kracht in de middagjaren van de eeuw blijven ons het oordeel prediken. Het is de dood die is ingetreden, en die ons, ook al werd ons leven iets langer gespaard, ons toch straks achterhaalt, en dan aan ons het oordeel, dat over alle zonde gaat, voltrekt.

Hier nu mag niet overheen geglipt met wetenschappelijke vondsten'. Steeds moet „in ons hart het beeld weer opkomen van wat 't zou geweest zijn, indien geen val ware ingetreden, indien 'geen oordeel des. doods over ons geveld ware geworden, en indien we, zonder sterven, uit onzen aardsehen staat in hemelsche gelukzahgheid waren overgegaan.

Dank moge daarom van zelf uit ons hart opwellen, dat er, al is 't slechts op kleine schaal en in zeen" beperkte mate, verlichting van de inzinking ons gegund wordt; maar onze gewaarwording mag daarom • niet in valsche pades worden geleid. Veeleer moet hoogere roeping ons tot ernst stemtnen. Ook de oudere jaren toch leggen een geheel eigenaardige verplichting op, om niet 't leven te rekken voor eigen levensdorst, maar het langer gegunde leven .te inniger in den dienst der hef de te besteden en het: Gij zult God liefhebben boven alles en uw naaste als u zelf, een vrucht te doen dragen die boven wat eertijds genoten werd, uitgaat.

Een langer toegestaan leven moet tot hooger bate leiden. Niet alleen voor ons zelf persoonlijk, maar meer nog zelfs voor het gezin waarin we geplaatst zijn, en voor den levenskring waarin onze levenstaak viel. En moge dan de oude dag u al lichamelijk, in uw geheugen, in uw klaarheid en uw volheid van toon verzwakken, er moet dan toch uit het oudere leven een rijpheid van inzicht en levensmoed zijn opgekomen, die u bekwaamt tot wat in jonger jaren uw nog minder geoefende kracht ie boven ging.

De ouden van dagen verloren hun volle kracht, en missen, bij het rekken van het leven, , de cordaatheid en het alles aandurvende, waar eertijds hun roem in stak. En nu doet zich voor hen dit tegenstrijdige voor, dat ze, over veel minder kracht beschikkend, toch feitelijk tot een nog hooger staande taak geroepen zijn.

Er moet nu blijken, of ze gewonnen hebben in wat hun God over hen beschikte. Gewonnen in het zich ontworstelen aan wat stootte en hen eenzijdig maakte, maar gewormen ook in het rijpen van hun geest conform het liefdesgebod, dat ons voor God en voor den mededienstknecht, de toewijding verhoogen mag.

Lang duuit het dan toch niet meer.

De vrucht die allengs rijpte, en ten slotte 't schoon van het gerijpte deed uitkomen, ziet maar'al te spoedig de vlek in het te rijpe intreden, en gaat onder. Maar hoe kort van duur dit rijper en rijp-zijn dan ook wezen moge, het geeft dan toch, voor hoe kort ook, , wat 't voorheen in minder gerijpten toestand niet geven kon.

Zoo is het in de natuur met ooft en vrucht, en zoo ook moet 't in de rijping van onze menschelijke existentie zijn.

Minder in wat het ik raakt, meer los van zichzelf worden, en bij de inzinking van wat ons vermogen eertijds leverde, nu aan anderen te plukken geven, wat bij ons naderend einde ten volle uitkomt in zelfverloochening, in toewijding en in 't klein zijn voor God.

Dr. A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 november 1917

De Heraut | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 november 1917

De Heraut | 4 Pagina's