GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Tweeërlei Bidden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tweeërlei Bidden.

4 minuten leestijd

II.

De Tollenaar.

Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden.

De één was een Parizeer, do ander een tollenaar.

Er was tusschen die twee menschen, al gingen ze beiden op om te bidden, een groot onderscheid'.

De één was een geëerd man van een voorname secte.

De ander was eigenlijk veracht en behoorde tot een stand, die in slechten reuk stond'.

Geen Farizeër zou er zich toe leanen om tollenaar te worden.

De tollenaar was belastingambtenaar.

De Romeinsche staat Verpachtte de belastingen van een land of van een provincie aan een be^ paald persoon, die er door middel van ontvangers voor zorgde, dat hij, zijn geld van 'de bev'olkingj binnenkreeg.

Dat waren de tollenaars.

Reeds om hun werk waren ze gehaat.

Maar daarbij kwam nog, dat ze zich schuldig maakten aan afpersing en oneerhjkheden in hun eigen voordeel.

Het spreekt dus vanzelf, dat de Joden^ die de Romeinsche overheersching toch al zooi moeilijik verdroegen, hen het meest haatten.

Een Jood, die er zich toe leende om tolbeambte te worden, werd uit de godsdienstige gemeenschap verbannen.

Men meed den omgang met hem.

Zelfs zijn familie werd er door bezoedeld.

Geen wonder, dat een 'tollenaar op; één lijii werd gesteld en dus in één adem werd genoemd' met openbare zondaren, met hoeren en moordenaars.

Evenwel, uit den tempel kon een tollenaar niet geweerd, zoolang hij. niet levitisdh onrein was verklaard.

Uit de synagoge wèl.

Nergens ontmoeten we dan ook' op; het Evangelieblad een tollenaar in een synagoge.

En in de scholen der Rabbijinen liet men een tollenaar evenmin toe.

Van heel het godsdienstige levjen zijjner dagen was de tollenaar dus uitgesloten.

Het is daarom zoo volkomen begrijpelijk, dat tollenaars tot Johannes den Dooper kwamen.

Zij konden nergens heen en hier werden zij ontvangen.

Zelfs eischte Johannes yan hen niet dat ze hun ambt zo'uden neerleggen, maar wèl dat ze zich zouden bekeeren en van alle onrecht onthouden.

Eenigen van hen gedoopt. werden dan ook door hem

Zoo verbreidde zich het woord van Johannesi over de handelswegen van Palestina.

Mattheus, een der tollenaren, werd als discipel geroepen.

En Jezus ontving ook' tollenaren.

Er kwam dus blijkbaar een godsdienstige beweging, een opwekking onder hen.

In dat licht zien wij het gaan van dezien tollenaar naar den tempel om te bidden.

De H. Schrift gunt ons een blik in zijh hart. Hij heeft den drempel van het heiligdom oversclireden, maar verder durft hij' nauwelijks gaan.

De Farizeër stelde zich in gevoel van eigenwaarde op de plaats, waar hij' meende rechtens te verkeeren, de , Jollenaar stond er ja, maar op den achtergrond.

Ook durfde hij^ ^ijn oogen niet opslaan naar den hemel.

Want het stormde, onstuimig angstig, in zijn ziel.

Een Israëliet, die tollenaar geworden is, dat is een tragedie.

Een besnedene, die afvallig was geworden, den Sabbat niet meer hield, van den 'tempel was "vervreemd, zich aan de heidenen verhuurd had en met hen in bond nu zijn eigen natie knevelde, dat was meer dan landverraad, d'at was verkoopen van zijn eerstgeboortereoht en verliezen van zijn adeldom.

Dat was geweest een wegwerpen en vertreden in het 'slijk van zijn eere en glorie als zoon van Abraham en ^Is kind van God.

Maar, er was onrust over zijin ziel gé'komen.

Hij had er lang over heen gewerkt doch nu kon het niet langer.

Hij had geen vrede meer.

Met zijn collega's kon hij er niet over spreken, die zouden hem allicht uitlachen.

In de Synagoge mocht hij' niet komen.

En bij de Rabbi’s?

Er was geen denken aan, dat zijj hem te woord zouden staan.

Daarom, naar dep. ouden tempel om daar God te vinden.

En als hij er binnentreedt, dan ontroeren hem oude herinneringen.

Jeugdherinneringen, die hem tO't beschaamdheid brengen.

Hij balt de vuist, slaat zich op de borst eni: o God! wees mi| zondaar genadig! zijn de weinige woorden, die hij uitspreekt.

Augustinus zegt: Wie zich op de 'borst slaat erkent, dat daar, in dien boezem, in dat hart de bron van het kwaad schuilt. En hiji zoekt daar het verborgen kwaad te treffen en te straffen.

Slaan op de borst is dus een teeken van zelfaanklacht en berouw.

De tollenaar staat voor God.

Dat nagelt hem aan de plaats.

Dat breekt hem en doet hem vlucihten tot God.

En niet, als de Farizeër, bijjziehzelven, maar luide en bewogen roept hij' 't uit: o God! wees mij zondaar genadig.

Een kort gebed. Veel korter dan dat van den Farizeër. Maar juist daarom waar, echt.

Een gebed, dat Gode aangenaam was.

Deze tollenaar voelde zijh. nood en kende zijn ellendigheid.

Hij riep uit de diepte. En zijn roepen was alleen om erbarmen.

Hier glansde godidelijke genade.

De tollenaar bad een waar gebed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Tweeërlei Bidden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Reformatie | 8 Pagina's