GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Correspondentie van de Redactie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Correspondentie van de Redactie.

4 minuten leestijd

F. te A. U schrü'ft mij een brief, waaruit ik volgende gedeelten (met weglating van plaatselijke Mzomderheden) citeer:

„Voor eenige weken werd van den kansel bekend gemaakt, dat iemand tot onze Geref. Kerk wensobte OVER TE KO'MEN welke persoon voorheen lid der Glirist. Geref. Kerk was. Nu was het miji bekend, dat genoemde persoon LID DER O.D'.U. en bovendien •fflTI-MlLITAIRIST is, terwijl hij! bovendien de beginselen van de vereeniging KERK EN VREDE is toegedaan. Ik heb op grond van bet volgende bezwaar tegen toelating gemaakt:

a. Lid der G.D.U.; b. Anti-Militairist; c. Ijveraar voor de beginselen van Kerk en Vrede." Tot zoover het eerste gedeelte van Uw brief. Verder schrijft U mij nog in het tweede gedeelte: «Ik heb hier voor me liggen Uw referaat ter Ouderlingen-conferentie in de Classis Rotterdam der Geref. Kerken over „De beginselen der G.D.U." Daarin treft me het slot van Uw rede: „'Ten slotte besluit spreker met de conclusie, dat we eigen schuld hebben te belijkien ten aanzien van de doorwerking der on-gereformeerde beginselen en de beginselverdoezeling, die er in school, dat We om-der-lieve-vrede-wil het on-gereformeerde lieten doordringen in het gereformeerde leven." Moet ik uit deze conclusie opmaken, dat ook U uitgaat van de stelhag dat een G.D.U.'er feitelijk niet meer in onze Gereformeerde Kerk thuis hoort? "

Tot zoover wat ik uit Uw brief citeer. Waar U müin meening vraagt, antwoord ik het volgende, a. Met de door U bedoelde passage in de rede heb ik voornamelük gedacht aan het indringen van barthiaansohe elenienten in onze beschouwingen, het rangschikken van publieke verdedigers ervan onder „in wijideren zin gereformeerden", aan slappe tucht, juist inzake beginselvragen, etc.

b. Inzake den door U bedoelden man ben ik het met U eens, dat hij', indien vaststaat wat U van hem constateert, door den kerkeraad niet als lid der kerk Kan worden aanvaard. Iemand, die tot de kerk wil over- ''oien, moet haar belijdenis aanvaarden. Mijns inziens

IS wat de G.D.U. in haar publieke optreden verdedigt, niet alleen oipgekomen uit een algemeene houding, welke de belijdenis der gereformeerde kerken tegenstaat, en in verdere consequenties ertegen in gaat, maar ook in zijn concrete verlangens (met name ten aanzien van antimilitairisme en klassenstrijd) onvereenigbaar met art. 38 der Nederlandscbe Geloofsbelüdenis, om maar niet meer te noemen. De man in kwestie zou dus, in het gestelde geval, de belijdenis willen aanvaarden, maar bewijst met zijn levensuitingen, dat hiji ze feitelijk niet aanvaardt. Daarom kan de kerkeraad hem m.i. niet ontvangen in de kerk, tenzijl zijn denken eerst op goede wijee tot rust en eenheid gekomen is. De tucht over kerkleden, die na hun geloofsbelijdenis op de boven aangegeven vrijize feitelijk ermee in botsing komen, is een andere kwestie, die eigen moeilijkheden heeft. Hier evenwel geldt het een geval van iemand, die nog geen lid der kerk is. En m.i. hebt U — gegeven natuurlijk de juistheid van de door U verstrekte mededeelingen — Uw plicht gedaan door Uw bezwaren bij den kerkeraad bekend te maken. Men kan zich van een in détails tredend onderzoek ontdoen, door op te merken, dat de beginselverklaring der G.D.U. niet b 1 ü k t te eischen van haar leden, wat in strijd is met Gods Woord of de belijdenis. Maar m.i. is dit niet geoorloofd. De G.D.U. heeft zich op verschillende punten vastgelegd; leidende figuren ervan hebben in leidende publicaties gezegd, dat de politiek der G.D.U. met die der S.D.A.P. veelszins parallel loopt. Bovendien moet elke kerkeraad in gevallen als dit erop letten, dat volgens de beginselverklaring der G, D.U. de leden „zich verbinden.... te getuigen (met woord EN DAAD) van wat zü in de concrete situatie van dezen tijd zien als de eischen van God ten opzichte van de maatschappelüke, internationale en koloniale vraagstukken". De man in kwestie zal zich dus over deze concrete eischen een concreet denkbeeld hebben gevormd; als men nu — uitgaande van wat de G.D.U. publiceert — hem deze concrete door hem gestelde eischen laat formuleeren (hij heeft zich immers reeds daartoe binnen G.D.U.-verband verbonden) zal aan te toonen zijn, dat ze strijden met de belijdenis. Hetgeen ook van „Kerk en Vrede" geldt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

Correspondentie van de Redactie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken