GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

8 minuten leestijd

Calvinistische Litteratuurbeschouwing.

II.

In dit en ©en volgend artilcel willen we eenk gedichten bestudeeren volgens eerder gmoem^j gezichtspunten. Pögenid bet Woord van God, waarvan geen appèl mogelijk is, de centrale plaats fe geven, die het toekomt. Ook in dezen moet Cliris. tiis' Woord rijkelijk onder ons wonen, i)

We kiezen daartoe twee ten vorigen jare verschenen dichtbundels: Witte Velden door Roel Houwink 2) en Guldenroede van E. Voorhoeve—Van Oordt^), welke beide het dubbele voor deel bieden van eenvoudig te willen zijn en zich te richten tot de Christenen van dezen tijd. De eerste verzamehng opent met een vers De Dichter spreekt". Naar alle waarschijnlijkheid zal het toonend zijn dit inleidend en vermoedelijk pro grammatisch gedicht rustig in ons op te nemen.

DE DICHTER SPREEKT

Heer, geef mij een eenvoudig woord, dat spreekt tot araien en verdrukten, te vaak heb ik het hart bekoord) van hen die nimmer voor U bukten,

Die waanden dat wat ik hun zei meer was dan Uw volkomen woorden; niet ik, o God, niet ik, maar Gij, zeg Gij hun wat hun trots nooit hoorde!

Laat mij maar met de kleinen zijn en met hun hullpelooze vragen, want eenmaal zal Uw zonneschijn ook in de dorste levens dagen:

Ik heb geen haast, o Heer. De tijd is weggegleden uit mijn handen, ik heb geen haast; Uw eeuwigheid maakte nog nooit geloof ten schande.

Laat mij in deze stilte maar en in dit armelijk vertrouwen, als ik Uw liefde 'dus bewaar, zult Gij wel eens m'Uw wil ontvouwen.

De mcesten van hen die dit gedicht één of twee malen doorlezen, zouden, veronderstellen we, nie

gemakkelijk onder woorden kunnen brengen ze eigenlijk hebben gelezen. Wel zal hun miseen meer of minder scherpe indruk bijiven zijn van gelaten Godsbetrouwen; van hristen-eenvoud die de kleinen zoekt. Het stil- •oortschrijdend rhythme en de eenvoudige bouw an het geheel en de deelen zullen op hun wijze aartoe hebben bijgedragen.

|ytu zou het niet goed zijn, als we met deze of en andere oppervlakkige impressie ons tevreden telden. Een dichter die iets te zeggen heeft verient beter. En zeker, wanneer hij bidt.

Waarom bidt hij? Allereerst om in eenvoudigen Ifant te mogen spreken tot armen en verdrukten. pe schijnbare doorzichtigjieid van deze bede ontons niet van de verpHchtüig zoo mogelijk vast te stellen, wie met die armen zijn bedoeld. Uien die een schamel deel van 's werelds rijkiom hebben ontvangen? Deze veronderstelling achwe niet aannemelijk, o.a. om de tegenstelling jiiet „die nimmer voor U bukten", welke de eerste slrophe beheerscht en, kruisgewijze zich uitwertend, de beide volgende in evenwicht houdt.

Uitgaande van die tegenstelling zijn we geneigd Ie zeggen: dan doelt de dichter zeker o_p hen die loor God wèl bukken, de geloovigen. En we herinneren ons, dat ook de Heiland spreekt van ^^kleinen"*); „armen van geest" noemt Hij ïen*); ook voorspelt Hij hun verdrukking.»)

Toch geven we ook deze gedachte prijs. De geringe waarschijnlijkheid dat Gods kinderen zonder meer armen, verdrukten, d e kleinen zouden heeten wordt door het „hulpelooze vragen" en „de dorste levens" in de derde strophe, dunkt ons, afge-

Zijn het dan toch de armen in den gangbaren zin van het woord op wie de dichter Gods gunst iiet dalen? Een voorstelling, vaag begeleid door die van geloovige armen? Het is mogelijk.

Maar een Schriftuurlijke gedachte hier te vinden is ons niet mogelijk. Het is niet geheel en al ondenkbaar, dat de dichter voor de hier aangebrachte onderscheidingen weinig sympathie gevoelt. En loch, poëzie, die woorden van den Heiland tot motto draagt (men lette ap den titel) moet een Schriftuurlijke analyse kunnen doorstaan. Ze zal dat kunnen, voor zoover de dichter bij de Schrift lééft.

Is het alzoo niet zeer duidelijk welke categorie van zijn medemenschen de dichter begeert te bereiken, daar staat tegenover een scherpe karakteristiek van hen tot wie hij zich niet richten wü. De trotschen, die hij vroeger door zijn Ued heeft „bekoord". (Hoe goed gekozen is dit laatste woord, tegenover het praegnante „spreekt"!)

Nu zouden we een pahnodie, een dichterlijke kerroeping, verwachten. De dichter-profeet zal nu lot die onbuigzamen spreken „als de woorden Gods"'). Maar ziehier het bevreemdende: in plaats laarvan neemt hij de deemoedige houding aan van een die zich niet vermeten wil Gods werk te doen. In den trant van het: „Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen naam geef eere.. ."^) Doch door den Geest gedreven dichter zegt: „zoo ik den overtreders Uwe wegen leeren". s) Zulk een dichter heeft den negen en veertigsten Psalm jezongen.

„Laat mij maar met de kleinen zijn". De kleur o! de schakeering van dit krachtelooze „maar" vast te stellen is niet eenvoudig. Het moet iiier, dunkt ons, den berustenden ootmoed accenlueeren van een dichter wiens verlangens niet ger gaan dan tot een zijn met de kleinen. En waarom wil hij dat? Om den broeder die nederig is Ie leeren roemen in zijn hoogheid? ") Om „hulpelooze vragen" — van een die de zalvirig van den Heilige heeft! — te beantwoorden? Ach neen: «Eenmaal zal Uw zonneschijn ook in de dorste levens dagen".

Als over de dorste levens die zonneschijn opging, was Jesaja's oproep „tot de wet en tot de getuigenis!" 11) overbodig geweest. Maar misschien is het ons geoorloofd aldus vrij te parafraseeren: zelfs onder de dorste levens zijn er, waarover 'jfds glans opgaat.

Toch wordt de zin daardoor nog niet Christe- 'ijli. Nog steeds nemen we namelijk aan, dat de gedachten van den dichter zich in deze richting bewegen. En wil men dit redden door de interpretatie „dor naar wereldschen maatstaf", dan is 'oeh nog altijd het pad des rechtvaardigen hier »n schijnend Ucht.i^) Hier is hem het hcht gehaaid. 13)

De vierde strophe, het blijkt reeds uit de interpunctie, mag van het voorafgaande niet worden losgemaakt. Toch is hiermede nog niet het antwoord gevonden op de onontwijkbare vraag: waarmede de dichter geen haast heeft. Met spreken tot de kleinen? Vooral gezien de laatste strophe, aarzelen we deze voor de hand liggende verklaring te aanvaarden. Veeleer schijnt het ons, dat de dichter, voortdeinend op de stemming der voorafgaande verzen, zijn oorspronkelijk motief, althans ten deele loslaat, eigen leven met dat der kleinen vereenzelvigt om nu voorts geduldig te wachten op de ure van z ij n dageraad.

Thans is de tijd den dichter uït de handen gegleden, bUjkbaar in zijn hopen op Gods eeuwigheid. Een „polaire spanning" tusschen üjd en eeuwigheid moge zijn naar den geest van Barth, ze is niet naar den Geest van Christus, die wil dat de Zijnen, den tijd uitkoopende, zich zullen haasten tot de toekomst van den dag Gods. i*)

Hier, in Zijn en onzen tijd, maakt God het geloof niet te schande.

De dichter stelt zich intussdhen tevreden met deze zijn „stilte" en „armelijk vertrouwen".

Leg mij in eenzaamheid ter ruste. En bed mij in Uw stilte, Heer; Ik ben te zwak Uw woord te dragen, Ik ben te moe Uw wil te doen;

„In de Engte" heet het gedicht, ook uit dit bundeltje, waaraan deze verzen zijn ontleend. Is de stilte in ons vers met die stilte vergelijkbaar, dan mogen wij aan 't Christelijk „stil houden" van de zielig) niet denken. Dat geloof is rijki^) en verstaat geen spreken over armelijk vertrouwen. Want het bezit den Christus en Zijn wil.

Bij Roel Houwink is het: ontvouwing van Gods wil als belooning voor, althans gevolg van het bewaren der hefde.

Christus zegt, vlak omgekeerd: „Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blijven." ")

Reeds het woordje „wel" typeert den geest dezer religiositeit. Zoo natuurlijk zulk een woord kUnkt in den mond der Homerische helden, die over het bestel der goden gaarne spreken met een verzwakkend „pou" 18), zoo weinig past het op de hppen van een, die het profetische woord gelooft „dat zeer vast is", i^)

Een gedicht als dit staat en valt met zijn strekking. Stellig ook in het oordeel van zijn auteur. Bestudeering van rhythme en taalplastiek plaatst, meenen we, niet voor bijzondere verrassingen. Er staan gedichten in deze verzamehng (een enkel komt nog ter sprake), die we veel sterker achten van visie en taalbeheersching. Toch heeft ook' dit dichterlijk gebed genoeg eenvoudige zeggingskracht om schoon te kunnen heeten, zoo het een gebed is naar den wil van God. Mocht daarentegen onze analyse in hoofdtrekken juist zijn, dan is aan den eersten scboonheidseisch niet voldaan.

En mocht iemand in den naam der schoonheid er tegen protesteeren, dat een gedicht, een gebed nog wel, zóó critisch wordt ontleed, dan vragen we: komt het er bij poëzie minder op aan dan bij een dogmatisclie verhandeling of een predikatie, of er recht gesproken wordt van God? Al spreekt het ook vanzelf, dat men in den regel bij het lezen van gedichten meer intuïtief te werk zaljaan en minder aandacht schenken aan de bijzonderheden, de Calvinist weet dat door een Schriftuurlijk toetsend luisteren het „genieten" van een geestesvoortbrengsel niet wordt vergald, maar veel meer gezuiverd en verdiept.


1) Col. 3 : 16. 2) Amsterdam, U. M. Holland. 3) Den Haag, J. N. Voorhoeve.

|) Vgl. Grosheide op Matth. 18: 6. 5) Matth. 5:3. In Luc. 6:20 staat de zaak iets anders: «Hij, Zijne oogen opslaande over Zijne discipelen, *ie: Zalig zijt gij, armen". $) Joh. 16:33. ') 1 Petr. 4:11. 8) Psalm 115:1. 9) Psalm 51:15. Jac. 1:9. 1 Jes. 8:20. 2 Spr. 4:18. |3) Psalm 97:11. ttiertegenover kan men zich niet beroepen op 2 Petr. 1:19. f"» we met Greijdanus (K. V.) moeten denken aan «nt in het bewustzijn of hart der geloovigen voor hunne "Schillende omstandigheden en gevallen", veronderstelt ''geen „einmalig" feit, noch werkeloos wachten. Ziet het P den dag van 's Heeren komst, dan gaat toch de Morgen- ! * met op in „dorre" harten.

14) Ef. 5:16; 2 Petr. 3:11 en 12.

15) Psalm 131:2.

16) Jac. 2: 5.

17) Joh. 15 : 10.

18) Bv. Ilias I, 178; Od. VI, 190.

19) 2 Petr. 1:19.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's