GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

11 minuten leestijd Arcering uitzetten

Verbleekende kleuren.

Dr J. H. Gunning J.Hzn schrijft in „Pniël":

De tleuren loopen inéén, de strenge afscheidingen tuBsohen „modernten" en „orthodoxen" vervallen. Nog lang niet overal, maar toch hier en daar. Wie geregeld om 10 uur de „Morgenwijding" van de „Avro" •beluistert, vreet soms niet of 'hij met een „'vrijzinnigen" of een „rechtzinnigen" spreker te doen heeft en ale hij het weet, verbaast en verblijdt hij- zich soms ongeveinsdelijk. Wie, zooals ik, de oude, onvervalschte „modernen" zich nog best herinnert met hun eenzijdige, vaak hatelijke en bijtende polemiek, beluistert in menigen „vrijzinnige" niet alleen een toon van innige, oprechte vroomheid, maar van verwante zielservaring, öen spreken over zonde, 'verlossing en gebed, die het „rechtzinnig" gemoed verkwikt.

Natuurlijk weet ik dat het „gevaarlijk" is deze 'dingen uit te spreken en mij dunkt ik lees al gezalfde verzuchtingen over „afloop van snelle wateren" en „vleesch noch vlsch."

Ik weet niet, of Dr.Gunning ook mijn onderschrift zal rangschikken onder de „gezalfde" verzuchtingen, die ik overigens in zijn omgeving vaker beluister dan in de mijne. Toch waag ik de uitspraak, dat de loop der dingen niet verbaast. Het Barthianisme heeft de menschen geleerd, den Christelijken woordenschat te hanteeren met radikale verandering van de beteekenis der woorden, en derhalve nivelleerend gewerkt. Af en toe — zoo sprak Dr H. Schokking in zijn jongste radiorede — geeft God mannen, die de kerk en de Christenen wakker schudden moeten. Hij noemde als voorbeeld Kierkegaard. Och ja, zoolang Kierkegaard leefde, heeft de kerk hem links laten liggen, en begreep hij de kerk niet. En toen hij dood was, hebben ze hem ongevaarlijk gemaakt, en een narcoticum uit zijn apotheek samengesteld, dat sinds onder het etiket der opwekkingsmiddelen aan den man komt. Vandaar die vele gezalfde redevoeringen tegen gezalfde redevoeringen.

De vrees van „De Heraut".

Ds IJ. K. Vellenga citeert in „Geref. Kbl. Drente en Overijsel" wat „De Heraut" schreef 3—1—37:

„En wat zeker niet minder erg gevaar is dan deze zedelijke gevaren van wereldgelij'k'vormigheid of Pharizeeuw-sche preciezigheid, is de geeet, die thans de wereld beheerscht, van een opkomend geslacht, dat als „opstandige jeugd" stuk wil breken, wat door der eeuwen arbeid is opgebouwd, om met allerlei nieuwe denkbeelden en stelsels de wereld te verbeteren, niet ook op onze kerkelijke erve binnengedrongen? De rust van het kerkhof begeeren we voor onze kerken zeker niet, maar evenmin de onrust, die ontstaan is, omdat men in jeugdigen overmoed met houweel en breekijzer gewapend rondgaat om af te breken wat de monumenten zijn door onze uitnemendste theologen gesticht, of nog erger, wat de belijdenis van de Kerk aller eeuwen is, disputabel gaat stellen. En ziet men niet, evenals in de wereld daarbuiten, hoe 'daardoor de vrede in onze kerkten bedreigd wordt en het kwaad, waartegen de Apostel Paulus de ge- •m'eente 'van Gorinthe zoo ernstig waarschuwde, ook in onze kerken insluipt, dat men facties krijgt, die zich noemen naar den naam van een mensch en aan zulk een „leider" een trouw zweren, die van personenafgoderij niet ver verwijderd is? Het zou struisvogelpolitiek zijn, den kop in het zand te steken en te roepien: er is geen gevaar, terwijl het gevaar zoo ernstig is, dat, zoo God het niet verhoedt, een scheuring in onze Kerken daarvan het gevolg zou kunnen zijn.

De hoop, dat de Synode onzer Kerken, die te Amsterdam dezen nazomer samenkwam, deze bezwaren zou bezweren, is slechts zeer ten deele vervuld. Streng was die Synode waar ze optrad tegen politieke organisaties, wier beginselen ze veroordeelde, maar wat deze leergeschillen in den boezem onzer Kerken betreft, die veel ernstiger het leven onzer Kerken bedreigen, nam ze wel een groote behoedzaamheid in acht. Het is de trouw van den Praeses der Synode, die voorkomien heeft, dat deze behoedzaamheid de perken te buiten ging. Of de Synode wijis deed met de behandeling dezer leergeschillen, die in tal van gemeenten reeds tot groote onrust aanleiding gaven, drie jaar uit te stellen en aan deputatiën op te dragen dan van advies te dienen, zal de uitkomst moeten leeren. Zonder zorg zijn we voor de toekomst onzer Kerken niet. Al moge het oordeel, dat Christus over de Kerken van Sardis sprak: ik weet, dat gij den naam hebt, dat gij leeft en gij zijt dood, niet op onze Kerken toegepast worden, de ernstige vermaning door Hem tot haar gericht: „gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt en bewaar het", is een woord, dat voor alle Kerken geldt en inzonderheid voor onze Kerken. Maar waar er zorg en bezorgdheid is, voor wat dit nieuwe jaar voor onze Kerken brengen zal, eindigen we met ook hier de bede op te zenden voor onze Kerken, die ons lief zijn: Verhef gij, Heere, het licht uws aansohijns over ons, want Gi., alleen kunt ons zeker doen wonen."

Zijnerzijds merkt Ds Vellenga hiertegenover het volgende op:

Tot zoover Prof. Kuyper, wiens bezorgde woord zeker de aandacht trekken zal.

Eenerzijds tot mijn spijt, anderzijds tot mijn vreugde kan ik het met deze beschouwing niet eens zijn.

Tot mijn spijt omdat ik niet gaarne het woord van een gezaghebbend man en een gewaardeerd leermeester publiekelijik tegenspreek.

Tot mijn blijdschap omdat ik meen, dat Prof. Kuyper'e bezorgdheid niet geheel gegrond is. '

Wanneer Prof. Kuyper zijn vrees voor scheuring uit deel ik die niet met hem, maar dan staat mij itoch een ander gezelschap voor den geest dan de „facties" die hij bedoelt.

Dan 'denk ik aan de vergadering van de „Gereformeerde Vriendenkring" te Utrecht, waar (zie „Stand." 28-12-'36) gezegd werd : „Wanneer na 3 jaar de deputaten niet tot een gunstig resultaat komen en we weer met een kluitje in 't riet gestuurd worden, zal spr. er geen zonde in zien 'de Gereformeerde Kerk te verlaten."

Daar hoor ik soheurmakerspraat.

Maar van de zijde, waarvan Prof. Kuyper gevaren 'ducht, hoorden wij zooiets nimmer.

Van die zijde vernemen wij van niet anders dan van ten ernstig streven om met aJle synthese te breken, om het Moht van Gods Woord klaar te laten stralen en vraagstukken, die er zijn, zóó op te lossen, dat het geloovig 'denken er door bevredigd wordt. Al moet toegegeven worden, dat er bij dit streven aan de toon wel eens iets gehaperd heeft, zoo is toch nimmer reden gegeven voor den indruk: daar zijn menschen aan het woord, die niet voor rede vatbaar zijn en hun meening maar in de Schrift indragen. Eerder omgekeerd.

Wanneer Prof. Kuyper het een „leergeschil" noemt wanneer men een bepaalde, onder ons gangbare opvatting of de gewone interpretatie van een deel der belijdenis aanvechtbaar acht 'en dat tracht aan te toonen, schijnt mij dit woord onjuist en is de vraag gewettigd of een vrees daarvoor als waarvan Prof. Kuyper blijk geeft in de 'verte niet riekt naar „het trouw zweren aan leiders" dat wij allen met hem verwerpelijk achten.

Woorddronkenheid.

Uit 'het Amst. Kerkbeurtenblad citeer ik :

En nu het woord aan Dr Hermann Friedrich Kohlbrügge, t reeds in 1875. Hij' zegt in een van zijn preeken :

„Daarom, wanneer ik sterf — ik sterf echter niet meer —• en iemand vindt mijn schedel, zoo moge deze schedel hem nog prediken : ik heb geen oogen, toch aanschouw ik Hem; ik heb geen hersens of verstand, toch omvat ik Hem; ik heb geen lippen, toch kus ik Hem; ik heb geen tong, toch lofzing ik Hem, met u allen, die Zijnen Naam aanroept; ik ben een harde schedel, toch ben ik geheel zacht geworden en versmolten in Zijne liefde. Ik lig 'hier buiten op het kerkhof, toch ben ik binnen in het Paradijs. Alle lijden is vergeten! Dat heeft ons Zijn groote liefde gedaan, toen Hij voor ons Zijn kruis droeg en uitging naar Golgotha. Amen."

„Als zij daar waren".

Ds W. Tom schrijft in „Ons Kerkblad":

De aanvangswoorden van Luo. 2 : 6 worden dan aldus opgevat: En het geschiedde in den eersten nacht toen zij daar waren.... Is dit echter juist? Hebben wij recht wat Lucas zegt, aldus te omschrijven ?

Op zichzelf is 'deze voorstelling al niet waarschijnlijk. Het is veeleer aan te nemen, dat Jozef en Maria de reis van Nazareth naar Bethlehem gemaakt hebben op een tijdstip, toen de aanstaande moeder met het minste ongemak de reis kon maken en er in Bethlehem genoegzaam geleg'enheid was de groote gebeurtenis voor te bereiden. „De rechtvaardige is ook 'de verstandige" (B. Wielenga, in „Een Kind is ons geboren"), „en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten" (Pred. 8:5).

Af gedacht van deze overlegging: wat zegt ons het Woord van God zelf? De Statenvertaling heeft in Lucas 2:6: als zij daar waren. Letterlijk vertaald staat er : in hun zijn aldaar. Die uitdrukking 'doet dus veeleer aan een periode denken, dan aan een korte spanne tijds. We zouden die woorden het zuiverst kunnen weergeven met: En het geschiedde tijdens hun verblijf aldaar, welke vertaling door Prof. de Zwaan gegeven wordt in „Tekst en Uitleg".

De koning.

In het „Algemeen Weekblad" schrijft Prof. Dr G. v. d. Leeuw :

In het oude Aegypte noemde men den koning Zijne Majesteit, precies als wij. De uitdrukking beteekent eigenlijk: „zijn otrijdknods". Daarin ligt alles. De koning is de man van de gevyeldige knods. Hij kan 'daarmede ieder treffen, die hem te na komt of die hem mishaagt. Maar hij zwaait die knods ook in den strijd voor zijn volk, op het gevaarlijTist punt. En hoe hij de macht ook gebruikt, hij is een mensch apart. Hij is niet deze of gene, wien men een naam kan geven. Hij is een „majesteit", een drager van öen macht, meer dan een machtige. De koning staat apart. De macht van zijn volk wordt door hem gedragen. Het wezen van zijn volk leeft in hem. Men nadert hem met eerbied, niet om wat hij is, maar om wat hij draagt. Hij is inderdaad een „symbool", maar in den echten zin des woords: niet een decoratieve figuur, doch een drager van de schatten van zijn volk.

De koning is hij, die geen eigen leven meer heeft, 'doch zich geheel met dat van zijn volk vereenzelvigt. Daarom is hij „majesteit", omdat hij volkom'en dient. Hij leeft niet voor zichzelf; hij heeft ook bitter weinig plezier. Wat wij van de oude koningen lezen en van de primitieve hooren, geeft ons den indruk, dat moeite en last het voornaamste van hun taak zijn. De primitieve koning moet zich ontzien terwille van zijn volk. HiJ! moet oppassen, dat de kostbare last, die hi) draagt, hem niet ontglipt, niet verloren gaat. Velerlei taboe's omringen hem; hij mag dit niet en dat niet; hij moet allerlei dingen doen, die geen mensch en geen koning aangenaam kan vinden. Hij moet vechten, als hij liever thuis blijft, thuis blijven, als hij liever vecht. Hij moet offeren als hij geen zin heeft en bidden als hij niets te bidden heeft. Hij moet handelen, wanneer hij liever zijn rust hield, maar veel vaker nog moet 'hij' niet 'handelen, lijdelijk "toezien, " wanneer zijn vingers jeuken om zich met de dingen te bemoeien.

En ten slotte moet hij zichzelf offeren. In de antieke en primitieve wereld offert zich de koning na e!en bepaalde periode voor 'het welzijn van zijn volk. Zijn 'levenskracht is uitgeput. Maar zij kan tot heil worden voor zijn volk, wanneer hij haar ongeeft, offert. De koning wordt gedood, of hij doodt zichzelven. Le Roi est mort, vive le Roi! Frazer, de beroemde Engelsche anthropoloog, heeft er een boek in twaalf 'deelen aan gewijd, en de grootschheid van 'het koningsambt nóg niet genoeg laten zien. De majesteit ligt in 'het offer. De heerschappij in den dienst. De koning is de eerste dienaar van zijn volk, hij' is

priester. Wellicht begrijpen wij nu ook beter waarom Christus „Koning" wordt genoemd. Dat is maar niet een eeretitel. Men kan Christus niet „keizer" noemen. Hij is Koning. Hij is de Koning bij uitnemendheid, naar Wien a'Ue koningschap op aarde is genoemd en aaa Wien het zijn waarde ontleent. Hij is 'de Majesteit in Dienst, de Dienaar in Majesteit. Hij heerscht door 'het offer, dat Hij brengt. Hij heeft geen eigen leveu meer, maar is de drager van het leven, dat Hem is toebetrouwd.

De waarde van het koningschap ligt in het feit, dat het navolging van Christus is, en zijn waarde is te hooger naarmate het zijn voorbeeld 'dichter benadert. Een koning heeft geen gemakkelijke taal, tegenwoordig minder dan ooit.

Het zou mij beter toespreken, als niet in den tijd, toen het Nieuwe Testament geschreven werd, ook de keizer vaak koning genoemd werd. Men moet om Christus als koning te verstaan, 'den bijbel zelf doen spreken. Speciaal ook lettende op den samenhang tusschen Ouden Nieuw Testament. Dan is ook in dezen de strijd tusschen „vleesch" en „geest" in de aanwending van 'den koningsnaam voor Christus duidelijk. En hel „offer" van Christus wordt dan niet algemeen gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's