GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

5 minuten leestijd

Verloving.

De heer H. Algra schrijft in „Leeuwarder Kerkbode":

In „De Reformatie" werden eenige opmerkingen gemaakt over dit onderwerp. Het vraagstuk is voor de kerkelijke practijk in twee opzichten van belang. In de eerste plaats rijst de vraag: Is verbreking eener verloving zonde? Moet dus hij of zij, die zich daaraan schuldig maakt, aangezien de zonde naar haren aard publiek is, worden vermaand?

En in de tweede plaats: als het karakter der verloving meebrengt, dat men nog weer terug kan, zijn de kerken dan gerechtigd, aan te sporen tot verbreking van een verloving met een ongeloovige?

Bijna alle redeneeringen in de kerkelijke pers, in boekjes en brochures over dit onderwerp, gaan altijd weer uit van een opvatting van de verloving, die thuis hoort in de HoUandsche steden.

Daar redeneert men zóó. Zullen een jongen en een meisje weten, of ze voldoende harmonieëren om samen een huwelijk te sluiten, dan moeten ze eerst vrij langdurig met elkaar omgaan. Die omgang tot nadere kennismaking heeft plaats met toestemming der ouders. Het wordt publiek gemaakt, opdat men het meisje niet van „gescharrel" zal verdenken, als zij met dien bepaalden jongen gaat wandelen of fietsen. Ze dragen een ring, om daarmee een zichtbaar teeken te hebben, dat hen zelf en anderen herinnert, dat ze zich in den omgang met anderen een zekere beperking moeten opleggen.

Alleen lijkt het me dwaas, om bij zulk een opvatting van de verloving gelegenheid te geven, om geluk te wenschen. Het is dan immers niet meer dan een proefneming.

Geheel anders is de Friesche opvatting.

Daar is de verloving een plechtige belofte van trouw, van durende liefde.

Daarom gaat men niet spoedig tot de verloving over. Daarom wordt in de oude Friesche families er bij de verloving door de ouders uitdrukkelijk de aandacht op gevestigd: weet, wat jullie doet, want nu sluit ge een verbond voor het leven. Dat verbond wordt bevestigd in het huwelijk.

Zóó heeft de Friesche rechtsgeleerde Ulrich Huber het in zijn standaardwerk over het Friesche recht verklaard. En zoo hebben de rechters in het Hof van Friesland het opgevat. Als iemand zijn verloving verbrak, dan kon de andere partij een rechtsvordering instellen.

Toen in 1691 een Friesche officier van zijn regiment te Aardenburg met verlof kwam, was zijn verloofde met een ander getrouwd. Deze vrouw werd door het Hof van Friesland voor infaam verklaard; zij werd veroordeeld tot een boete van 100 caroli guldens wegens bigamie en haar huwelijk werd nietig verklaard.

De wetgever bemoeit zich nu niet meer met verlovingen.

Maar onder de Friezen, en ook in andere streken, zit nog diep de overtuiging: verbreking van een verloving is trouweloosheid, is woordbreuk.

En die overtuiging wortelt in de schoone waarheid, dat liefde maar niet alleen is een wonder, dat men ondergaat, maar óók een plicht van trouw, die men in volharding heeft te betrachten.

Wat is nu diep te betreuren? Dat óók bij ons, óók in Gereformeerde kringen, een hybridische cultuur is ontstaan, waarbij de geesten worden verward, doordat de leidslieden het op z'n HoUandsch doen en opvatten, terwijl het eenvoudige volk diep in zijn hart een andere overtuiging heeft. De afsluitdijk heeft hieraan geen schuld. De dominee's uit Holland wèl. Zij hebben vaak niet geweten, hoe bij ons andere opvattingen waren, in een historie van eeuwen geworteld, en hebben daarom jonge menschen een voorlichting gegeven, waardoor de verwarring werd vergroot.

Hulppredikers in boeken.

De heer H. Algra schrijft in „Leeuwarder Kerkbode":

Reeds tweemaal werd in een Christelijken roman van uitnemende beteekenis de hulpprediker het middelpunt.

Dat is jammer. Feitelijk moesten er geen hulppredikers zijn, in den zin, waarin men ze nu in den regel heeft. N.l. in den zin: we kunnen geen dominee betalen, maar wegens den candidaten-overvloed kunnen we wel een hulpprediker huren. Dat scheelt de helft.

Maar dat is niet mijn grootste bezwaar tegen den hulpprediker in den roman.

De hulppredikers, die ik in het leven heb ontmoet, zijn eenvoudige, bescheiden jonge menschen. De meesten vinden het maken van een preek een „zware put". En hun preeken zijn in den regel opstellen, waarin zij zich zoo goed mogelijk trachten te houden aan „de theorie", die ze hebben gehad (practische vooropleiding hebben ze zoo goed als niet genoten) en verder vooral werken naar „het voorbeeld" van een vereerden predikant.

Dat is heelemaal niet blameerend of wat ook. Zij moeten het preeken nog leeren.

Er zijn óók wel dominee's die op dit punt nog niet doorgeleerd zijn. Maar daarover niet meer.

Ook hun andere werk is nog een voorzichtig tasten; soms mistasten. Een jonge man van 25 jaar, zooals zoo'n hulpprediker is, wordt geroepen bij een sterfbed; moet spreken met jonge menschen over hun verhouding tot den Verbondsgod. Heel het herderlijk werk in de gemeente, met haar strijd en moeite, haar zorgen en verrassingen, haar onbeantwoorde vragen, haar scheef-gegroeide toestanden, haar twisten en partijschappen, hij komt er midden in te staan en er wordt tot hem gezegd: doe uw werk. Tracht maar niet u eens een beetje te oriënteeren, maar ga maar aan den gang. Zondag een preek over het negende gebod; den volgenden Zondag over het Pinksterwonder. Vooruit maar...

Als ik daaraan denk, dan voel ik in mij een groote sympathie voor die jonge menschen, die eenvoudig en bescheiden, met een gebed in het hart, het doen.

Maar nu moet men den boel niet bederven.

Door in boeken bij herhaling den hulpprediker ten tooneele te voeren als de jonge man, die nieuw leven in de gemeente brengt, de kerk uit haar „verburgerlijking" terug brengt, de jeugd weer bindt aan de kerk, de predikanten brengt tot zelfkennis en bekeering, enz.

Dat is niet natuurlijk. Daar doet men de jonge menschen kwaad mee. Men suggereert een tegenstelling, die er niet is. Men legt een taak op, die te zwaar is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken