GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

12 minuten leestijd

Gereformeerden in Parijs.

Herhaaldelijk vestigde lit reeds de aandacht van onze lezers op den mooien, en moeilijken arbeid, dien Ds Maaskant van Brussel verricht onder de verstrooide gereformeerden in Frankrijk. Mede met het doel, om één der gezegende vruchten van het werlc onder de verstrooiden nog eens in herinnering te brengen, neem ik uit het „Maandblad ten dienste van de Geret Kerken in België" dit gedeelte van een artikel van A. de G. over:

Eén punt van overeenkomst bestaat er met de echte kaart: ook van mijn kaart is 't middelpunt Parijs. Daarvan zijn mijn tochten altijd uitgegaan, en daarheen keeren ze ook telkens weer terug. Na 't bezoeken van allerlei nieuwe streken, en 't opdoen van steeds nieuwe ondervindingen, vond ik Parijs altijd weer onveranderd terug, en trof ik mijn kamer immer in dezelfde gedaante aan.

Maar als men dit stempel van onveranderlijkheid ook zou willen drukken op onzen kring in Parijs, dan deed men verkeerd. Onveranderd is wel steeds de rue Lekain, en 't on-Zondagsche marktgedoe daaromheen. Onveranderd is nog wel steeds de deplorabele toestand van 'torgel. (Maar daar komt verandering in!) Onder de menschen in de kerk evenwel is juist een periode van groote veranderingen aangebroken. Eigenlijk is dat altijd zoo in Parijs. Oude bekende gezichten verdwijnen, nieuwe komen er voor in de plaats. Dan komt 'top ons, enkelingen, die blijven, aan. Wij kunnen de vreemd inkomenden zoo'n ontvangst liereiden, dat ze zich spoedig thuisvoelen. En wanneer we misschien een oogenblik met weinig overblijven, komt 't juist aan op de trouw van die weinigen. Bemoedigend is in dit opzieht voor ons de Paaschmorgen geweest, toen onze godsdienstoefening bijgewoond werd door twee Excellenties. Wel was 't niet de eerste maal, dat wij in Parijs zulke hooge bezoekers in ons midden hadden, maar niettemin was 't voor ons een groote vreugde. Hoeveel Gereformeerde Nederlanders zullen er met de Kerst- en Paaschdagen niet in Parijs zijn geweest, zonder in de rue Lekain de gemeenschap der heiligen te zoeken? Zij kunnen zich aan deze en andere voorbeelden spiegelen.

Het fantasiebandje.

Uit „Enschedésche Kerkbode" naar aanleiding van een opmerking in een Roomsch tijdschrift:

Een geestelijke had n.l. een gebedenboekje uitgegeven, een leekenbreviertje zooals' dat in die kringen genoemd wordt, waarvan de band nu eens niet stemmig zwart was zooals gebruikelijk, maar kleurige fantasie.

Dit laatste was niet zonder groote oorzaak gebeurd. Dat kan men lezen op den omslag.

„Het leekenbreviertje, zoo staat daar, ziet er niet uit als een kerkboek om het gebruik ervan overal mogelijk te maken! In de kerk zal niemand zich er aan stooten, tenzij degenen die het stemmig zwart als plicht beschouwen.

In den trein, in de tram, in de wachtkamer-, of waar ook, kan men het gebruiken, zonder aanstonds als biddend persoon HET GEZELSCHAP ONDER DEN INDRUK TE BRENGEN."

Dit laatste moet volgens den schrijver blijkbaar als het eenigszins mogelijk is voorkomen worden. Stel U ook voor, dat het gezelschap zoo onder den indruk komt, dat het zelf weer behoefte gaat gevoelen tot het gebed.

Neen, aanpassen liever en nog eens aanpassen, een gebedenboekje in het gewaad van een roman!

Het is verblijdend, dat er nog leeken in de R.-K. Kerk zijn, die hun stem durven te verheffen tegen een dergelijk marchandeeren met de wereld!

Wanneer men het noodig oordeelt om te pas en te onpas gebeden te lezen, laat men er dan ook voor uitkomen!

U begrijpt wel, dat het mijn bedoeling niet is om in dit stukje uitsluitend den vinger te leggen op wondeplekken bij anderen.

Het leeken-breviertje met het fantasiebandje heeft ook ons wel iets te zeggen.

Jongelingsblad.

„De Wachter" schrijft (Ds Rietberg) in 'verband met wat het Jongelingsblad heeft beweerd inzake mijn Oranje-garde-rede:

Het lijkt mij juist, dat onder ons de regel gehandhaafd blijft: vs'ie iets poneert, moet bewijzen.

Even later:

In de „Persschouw" van 22 April komt het Jongelingsblad nu tot deze conclusie: „Ik vrees, dat wij hier (nl. bij Prof. Schilder) te doen hebben met een zeer ernstige karakterfout: nl. het niet kunnen erkennen, dat men feil ging" (de spatiëering is van den Persschouwer in het Jongelingsblad).

Dit is een aantasten van den persoon en het karakter van Prof. Schilder, dat zeer ernstig dient afgekeurd te worden.

Hoe eerder deze Persschouwer dit herroept, hoe beter.

Voor hemzelf.

En voor het Jongelingsblad.

Onze jonge menschen moeten anders opgevoed worden.

Sprekende over dezelfde zaak, zegt het „Geref. Kbl. Drente en Overijsel" (Ds B. A. Bos):

De schrijver heeft er zeker niet bij gedacht, dat zijn uitgangspunt een bewering was, die nog nooit is bewezen. De diagnose voor dit feit trek ik niet. Alleen weten we nu uit welken hoek de wind waait. 1

We zullen op dezen wind blijven letten, en zeggen tot onze jongelingen: Weest op uw hoede!

Ook over wat het blad over Prof. Greijdanus durfde schrijven, handelt het „Geref. Kbl. van Drente en Ovei*ijsel" in hetzelfde artikel:

In plaats van eens eerlijk het artikel van Prof. Greijdanus door te geven, en argument tegen argument te zetten, wordt onze professor hier met een paar woorden afgemaakt. Ondanks dat wordt nog de mogelijkheid open gelaten, dat Prof. Greijdanus in zijn kritiek op het bekende classisbesluit gelijk had. Het kerkelijk instituut wordt waarlijk niet bedreigd door het open spreken van Prof. Greijdanus, maar wel door de wijze waarop de classis Drachten een predikant en de meerderheid der ouderlingen schorst. Mag dan niet eens meer gezegd worden dat dit hiërarchie is? Moeten wij door ons stilzwijgen in eens de kerkrechterlijke zijde van 1834 en '86 gaan wegnemen? Van harte hoop ik, dat onze Gereformeerde Jongelingen niet aan de hand van zulk een leidraad onze Kerkhistorie van nu gaan bestudeeren. Trouwens Kerkhistorisch is er wel vaker van eenzijdigheid blijk gegeven.

Scharsing vanwege de classis.

Dr W. A. van Es citeert in „Geref. Kerkblad Leeuwarden" het artikel van Ds v. Strien, dat ook door ons reeds werd overgenomen onder „Persschouw"; gemakshalve laten we daaruit nog dit stuk hier volgen:

Zou — om een voorbeeld te noemen — de kerk van Groningen een ouderling hebben, die zich aan een zeer ernstige zonde schuldig had gemaakt, dan zal de kerk van Groningen één van de kerken, die vlakbij zijn, uitnoodigen om met haar te beraadslagen en te beslissen in deze zaak.

Maar daar komt de classis niet aan te pas. Die heeft geen bevoegdheid krachtens de K.O. om op haar vergadering zoo'n ouderling te schorsen en hem een schorsingsbul thuis te sturen.

En zou de zaak al behandeld moeten worden op de classis, omdat de twee betrokken kerken ernstig verschil van meening hebben in de aanhangige zaak en het geval kwam door hooger beroep, of door niet afgehandeld kunnen worden op de classicale tafel, dan zou de classis hoogstens tot schorsing kunnen adviseeren. Maar zelf zal zij niett schorsen.

Ze zal aan de door de K.O. aangewezen vergadering adviseeren tot schorsing over te gaan. Het gaat er nu niet om, verder uit te stippelen hoe een classis verder handelen moet bij eventueele onwilligheid van den kerkeraad der betrokken plaatselijke kerk om het advies op te volgen.

Zijnerzijds merkt Ds v. Es dan op:

Zoo zien wij het eigenlijk in hoofdzaak ook. Onze Noord-Friesche Particuliere Synode nam in de credentie naar de Generale in den laatsten tijd ook de binding aan de Kerkenorde op.

Natuurlijk heeft men ook met de besluiten onzer Generale Synodes te rekenen. Ook bij de buigoi-lijke rechtspraak, rekent men, behalve met de wet, ook met de jurisprudentie de manier waarop de wet bij de rechtspraak is en wordt toegepast.

Toch rijst de vraag: onderscheidt men wel genoeg, het gezag der meerdere vergaderingen, dat onder ons door ieder wordt erkend, en de regeling daarvan o.a. in onze Kerkenorde? Anders krijgen de meerdere vergaderingen een absolute macht.

Wij zijn blij over deze uitspraak.

Andere opmerkingen, in de kerkelijke pers hier en daar gemaakt, gaan we hier voorbij, omdat ze zakelijk reeds zijn beantwoord in een artikel van Prof. Greijdanus onder „Kerkelijk Leven".

Provisioneele sluiting.

„De Wachter" (Ds Rietberg) schrijft:

Vorige week sohreef ik: „Of de Synode nog weer bijeenkomt, dan wel definitief gesloten is, werd mij niet geheel duidelijk. Wij zuEen dit maar afwachten". Heel lang hebben we niet behoeven te wachten op een nadere mededeeling.

Ds W. W. Meynen, lid der Synode, besprak in de „D'ordrechtsChe Kerkbode" van 16 April j.l. de voortgezette Synode.

Hij schrijft over de benoeming van den Zendingshoogleeraar en zegt dan: „Br Bavinck zal zeker in Indië gemist worden; maar er is goede hoop, dat zijn plaats daar door «en (hem waardige kracht kan worden ingenomen".

Tusschen haakjes voegt hij er aan toe: „Hiermee in verband is de Synode weer provisorisch gesloten". Nu weten wij het: de Synode is nog niet definitief gesloten. Ook thans weer is de sluiting „provisorisch" geweest. Zoodat deze zelfde Synode vóór de Synode van 1939 te Sneek wéér bijeen kan komen. Uit hetgeen Ds Meynen schrijft kan worden afgeleid, dat er veel kans op is, dat zij vreer bijeengeroepen wordt. Wij zouden dit niet geweten hebben, als Ds Meynen het ons niet verteld had.

Waarom heeft de Synode zelf dit niet aan de kerken meegedeeld? Natuurlijk mag ik niet aannemen, dat Ds Meynen zich vergaloppeerd beeft door dit te vertellen.

Maar als hij het in zijn kerkbode mag schrijven, waarom is het dan niet meegedeeld aan de journa^ listen, die op de Synode waren? Dan badden deze bet in hun persverslag kunnen opnemen en zouden wij het een paar dagen eerder en ook meer officieel geweten hebben.

Nu komen we als 't ware „per ongeluk" te weten, dat de Synode weer provisorisch gesloten is.

Afgedaöbt hiervan, doet het wonderlijk aan, dat dezelfde Synode een en andermaal provisorisch gesloten wordt. Zoodat dezelfde Synode ongeveer drie jaar in actie blijft.

Het blad deelt de bezwaren, die in Leeuwarden te dezer zake leven, en waarvan we reeds eerder melding hebben gemaakt.

Koeilijk Paschen.

In liet Algemeen Weeüfiblad schrijft C. J. de Vogel een artikel over „moeilijke en makkelijfce Christelijke feest-

Kerstfeest. Het is niet moeilijk op dien dag in vreugde God te danken. Kerstmis is voor ons gevoel geen moeilijk feest. En Pasohen? — Als dit ons moeilijk is, als wij op dezen dag gevoelens hebben zooals ik ze een oogenblik tevoren beschreef, dan is de eerste vraag die wij ons te stellen hebben deze: staan wij niet nog te veel oordee lend tegenover het slothoofdstuk van het Evangelie? Oordeelend naar menscheliake mogelijkheden, schiftend naar menscheiijke onderscheidingen? Schiftend — wat? „Zeithedingten" vorm van geestelijken inhoud? Laat ons eerlijk zijn. "Wat wil dit zeggen? Onderwoheidend tusschen den tastbaren vorm van het zichtbare wonder (het leege graf), en de geestelijke werkelijkheid dat d e Heer leeft? Onderscheidend, in dien zin dat wij' het eerste „onessentieel" verklaren, en alleen het laatste een geloofszaak achten? En is het dan niet daarom, dat wij zoo ontevreden zijn met onszelf, dat wiji ons zoo profaan, zoo — misplaatst, zoo heterogeen voelen in een kerk waar over het leege graf gepreekt wordt?

Ik spreek hiermee misschien uit wat velen, héél velen gevoelen, maar niet zoo openlijk durven zeggen. Dat is een verlorgen wonde — misschien wel de verborgen wonde — van onze Kerk. Voor mijzelf wil ik het antwoord geven, een antwoord dat geen dubbelzinnigheid overlaat. Dit, dat de uitspraak van ons hart — dat knagende gevoel dat er iets „niet in orde was" met ons geloof, met ons zijn in een kerk waar het Paaschevangelie verkondigd wordt —• volkomen juist was. Wij' moeten buigen voor dat Evangelie, wij mooten het zichtbare wonder gelooven. Waarom? Omdat God het gedaan heeft. Meer heb ik niet te zeggen. Het is genoeg.

Kerk en „spelonkle".

Dr Kaajan schrijft in TJtrechtsche Kerkbode :

Zoo waaTSchawt M a r n i x in de „Groninger Kerkbode" tegen „een meer of minder luidruchtige beweging, die, al gaat zij dan ook formeel van de kerk uit, toch daarom zeer wel aan het zuiver gereformeerde leven vreemd kan zijn, "

Offlb hij spreekt van „onzen tijd van geestelijke verwarring, waarin alle ding 'dreigt van zijn plaats te loopen". Hij schrijft uit liefde voor de gereformeerde kerken. En nu moet ons volk gestreng de oudo belijdenis handhaven. Het moet niet de minste afwijking wiUen 'dulden. Want het gereformeerde heeft een wereld-roeping en die is: te getuigen voor 'de volle gehoorzaamheid aan het Woord Gods. Anders verliest 'het gereformeerde volk 'zijn kracht, en 'Ons volk zijn beteekenis voor de wereld.

Met dezen redeneer-gang kan ik miji uitnemend vereenigali.

'Ook is hij niet tegen evangelisatie, maar zij moet '(aldus de scherpzinnige Marnix) een zuiver gereformeerd karakter dragen. Een goede bedoeling is volgens hem niet genoe'g. Ook is dit werk der kerik' niet aan critiek onttrokken. Wij mogen en motten het toetsen aan eischen van beginsel en goed overleg. En nu waarschuwt Marnix tegen het bimien^dringen van de methoden van het Methodisme. Men moet oppassen voor het hebben ivan een soort AduUam, waar het goed sdhuilen is tegen elke gerechtvaardigde vordering van het zuiver gereformeerde leven. Hij keert zich tegen de onderschatting van de kerk en 'den dienst der ambten.

Ja, wij moeten ook oppassen voor een nieuw •soort spelonikie-mensohen, zou Ds Hogenbirk zeggen, die de oude oonventilkelen hullen in een nieuw gewaad en straks' Mr Duys nazeggen, zij het met eenige variatie: De kerk is de dood, maar ons „spelonkie" is het leven. In do kerk woont Gods Geëist en zij ie het lichaam van Jezus Ohristus.

„Eeredienst".

Via „Woord en 'Geest" citeer ik uit „De Nederlander":

Onbeperkte „eeredienst" voor 1 e i 'd e r. 'den

Rijksminister Dr Frank en Baldur von Schirach, de jeugdleider, stellen in hun redevoeringen het ple- 'bisciet voor als „een dankgebed van het gansche volk".

Te Stettin heeft Dr Ley zijn toehoorders opgewekt hun geloof in Adolf H i t l e r als den afgezant en gezegende van God te betuigen.

Andere woordvoerders der partij spreken van „een heilige keuze".

Het verst drijft echter het blad „Des Deutschen Volkes Kirche', een orgaan der z.g. Duitsche christenen, den «eredienst van den leider, door te schrijven;

„In het Duitsohland der twintigste eeuw zijn Adolf Hitlera vuist Gods vuist en de Oostenrijk binnengetrokken bataljons van het Derde Rijk, Gods weermacht geworden. Wie daarom, in naam van de een of andere theologie heden afzijdig staat, die bezondigt zioh".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren