GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

9 minuten leestijd

Melchizedek, de Koning van Salem

II.

HOOFDSTUK II.

De historisiteit van Melchizedek.

§ 8. Hoe willekeurig Joden en Christenen in midrasjeerende en allegoriseerende exegese ook omgingen met de Schrift Gods en weinig zin voor realiteit betoonden, \hun willekeur was onverantwoordelijk grillig, doch niet zoo- kwaadaardig bedo el d.

Het hximanisme had meer zin voor realiteit, een trek, diei het met de Reformatie gemeen had. In het Ralionalisme ontaardt deze trek ia een verwerping, niet alleen van de producten der menscbelijke fantasie, maar ook van die der Goddelijke Openbaring. Zoo' ontstaat een wèl kwaadaardig; e willekeur in de behandeling van den inhoud der Schriften.

Ook de figuur van Melchizedek is volgens bet oordeel der critiek geen reëele verschijning ge^ weest op het terrein der historie. Met de meeste beslistheid is deze meenüig wel geuit door de aanhangers van de Wellhausiaansche School. Zij verklaren Melchizedek voor een product van den Joodschen geest, kunstmatig met een antieke sfeer omlijst.

Toch is er ook in dit tij weer een kentering gekomen. De vermeerdering van de kennis der oudheid deed aan het licht treden, dat het beeld, dat men zich van de geschiedenis van Israël geconstrueerd had, niet geheel juist kon zijn. Daarbij stegen ook Melchizedeks kansen als historisch persoon erkend te worden.

Des te eer stond deze toch zoO' eerbiedwaardige figuur aan deze wisselingen in waardeering bloot, doordat ze ten tooneele verscheen in een hoofdstuk, dal zich weinig inschikkelijk betoonde jegens de theorieën der critici: op het standpunt der bronnenscheiding kon niet uitgemaakt worden tot welke bron dit hoofdstuk behoorde. Deze omstandigheid noopte wel zeer tot een bijzonder onder^ zoek, vanwaar toch dit hoofdstuk afkomstig was.

Zij die zich met dit onderzoek hebben bezig gehouden, kwamen niet allen tot denzelfden uitslag. Onder de verscheidenheid der resultaten teekent zich echter één tegenstelling scherp af, deze n.L, dat de één Genesis 14 houdt voor een jong geschrift, de ander voor een van hoogen ouderdom. Zij, die meenen in Gen. 14 met een geschrift van jongen datum te doen te hebben, houden het vervolgens voor gekunsteld maakwerk. Zij, die het voor oud houden, erkennen daarbij ook dat het „echt" is, d.w.z. zóó als het zich zelven aandient. In de meening of dit hoofdstuk oud is oi jong, ligt dus tegelijk een oordeel opgesloten over de historiciteit en beteekenis van dit hoofdstuk.

§ 9. Dit hoofdstuk is geen historisch bericht meer in den gewonen zin van het woord, wanneer hel inderdaad geen zelfstandig verhaal bevat, doch een soort reproductie vati een bekend feit, bijv. de expeditie van Sanherib in het veertiende (N.B. conf. Gen. 14:5) jaar van Hizkia (zoo^ Hitzig) of de tocht van Antigonus tegen de Nabateërs (zoo Sörensen). i)

Do laatste schijn van historiciteit verd^vijnt echter bij de critiek van Nöldeke, die in zijn: Untersuchungen zur Kritik des Alten Testaments ook Gen. 14 bespreekt en wel onder het reeds alles zeggend opschrift; Die Ungeschichtlichkeit der Erzahlung Gen. XIV. Hij houdt dit hoofdstuk voor een product van een auteur, die lang na Abraham leefde en dit verhaal verzon ter eere van dezen Patriarch, ad majorem gloriam Abrahae. Dat Abraham echter de koningen uit het Oosten zou verslagen hebben houdt Nöldeke voor totaal onmogelijk. Als dat mogelijk is, zoo' zegt hij, is alles mogelijk. Voorts wijst hij op vele dingen die volgens hem onwaarschijiilijk zijn of zelfs ontleend aan het rijk der mythen. Onwaarschijnlijk is de dateering uit vs 1, omdat ze van de strijdende koningen zelf uitgaat; de route die Kedor-I.aomer neemt; de overijlde aftocht na den slag in het dal Siddim en ook dat Abraliam niets van den buit hebben wil. Dit laatste zou zuiver Abrahamsverheerlijking zijn. Naar het rijk der mythen verwijtet hij de steden Sodom en Gomorrha en hun koningen, wier namen samengesteld zijn met woorden, die boosheid en misdaad beteekenen en daarin duidelijk blijken fictie te zijn. Eveneens de Refaïm en de Emim.

Deze argumenten worden echter meer gedragen door verwerping van dit hoofdstuk dan dat ze er toe leiden. Dat Abraham deze koningen uit het Oosten versloeg, behoeft niet tot de onwaarschijnlijkheden gerekend te worden. De legers, waarmede een rooftocht als in Gen. 14 beschreven wordt, geschiedt, kunnen niet groot zijn geweest. Vooral niet omdat ze in snellen opmarsch optrokken. Het is zeer wel mogelijk dat deze legers onder commando stonden van officieren en niet van de koningen zelf. Mogen we ook daarom ons deze legers klein voorstellen, aan de andere zijde moeten we in het oog houden dat Abraham bijgestaan wei-d door drie bondgenooten, die ook elk hun „jongelingen" (vs 24) in het veld brachten. Door deze proportioneering der getalsterkten komt er toch eenige evenredigheid tusschen den omvang der strijdmachten aan weerszijden. Er zijn nog andere factoren, die deze geschiedenis minder ongeloofelijk maken dan Nöldeke meent. Abraham deed een nachtelijken overval en wel op een vijand, die zedfvoldaan, geen overval mogelijk achtte en in overwinnaarsstemming huiswaarts trok. O verrompelaars kunnen met geringere macht beter aanvallen, dan talrijke overrompelden zich verdedigen.

Deze geschiedenis is trouwens het eenige voorbeeld niet van een groot succes met geringe getalsterkte behaald. ^) En ten slotte, de Allerhoogste heeft Abraham Zijn almachügen bijstand verleend. Dat is de opmerking van Melchizedek, die voor den tijdgenoot en voor den bijbellezer van elke eeuw waarde houdt.

Tegen de dateering uit vs 1 is inderdaad ia te brengen, dat de koningen worden gedateerd naar hun eigen leeftijd. Dat i s vreemd. Ze kunnen toch niets doen buiten hun eigen leeftijd! Dat hieraan intusschen geen bezwaar kan worden ontleend tegen de echtheid van Gen. 14 blijkt alreeds hieruit dat dergelijke beginzinnen ook in spijker schriftteksten voorkomen, gelijk Jirku heeft aangetoond, s) Wat in zulke zinnen streng grammaticaal genomen stoot, is toch heel verklaarbaar, als we ons voorstellen lioe de stijl, onder het schrijven, onder invloed kan komen van den gedachtengang. De streng logische westersche auteur verzet zich hiertegen meer dan de oostersche. Deze schrijft zóó als hij het zich voorstelt: het is de tijd van die vier koningen, toen gingen ze ten oorlog. De route der koningen zou bevreemden, omdat het zulk een omweg was. Het strategisch doel daarvan kan echter zeer wel zijn geweest den stedea der Pentapolis alle verdere hulp af te snijden. En wat de overijlde aftocht betreft, van bijzonderen haast lezen we niets in ons hoofdstuk. Het is voor deze koningen uit de oudheid wel moeilijk het Nöldelie naar den zin te doen: trekken ze eerst niet regelrecht op het doel af, dan wekt dat bedenken tegen de echtheid van het verhaal; gaan ze na hun doel te hebben bereikt wel terstond weg, dan heet dat overijling.

Dat Abraham voorts niets van den buit wil hebben, vloeit voort uit zijn aanhankelijkheid aan zijn God en dat strekt hem üiderdaad tot eere. Maar dat geeft nog geen recht het geheele verhaal te disqualificeeren als verzonnen ad majorem gloriam Abrahae. Dit hoofdstuk heeft trouwens veeleer ten doel de figuur van Melchizedek voor te stellen. Abrahams optreden is ook in Hebr. 7 slechts temporeele aanduiding, waarmede dte verhandeling over M el c hi zed e k begint.

Moeten voorts Sodom en Gomorrha naar het rijk der mythen verwezen worden? De omschrijving van „de landpale der Kahaanieten" in Gen. 10:19 geeft toch een. heel nuchter getuigenis van het bestaan dezer steden. In Gen. 13 wordt getuigd van de boosheid harer inwoners. De steeds weer verlevendigde pogingen de plaats van Sodom en Gomorrha aan te wijzen*) doen bUjken, dat men over het algemeen vasthoudt aan het historisch verleden dezer steden. De namen der koningen van deze steden zijn wel, vooral door Joodsche schriftgeleerden 5) in ongunstigen zin verklaard. Wanneer deze verklaring juist was, zouden de namen ook zoo doorzichtig in hun samenstelling moeten zijn, dat bijv. de LXX niet behoefden te twijfelen hoe de vorm dezer namen precies was. Toch levert vergelijking van deze namen in Mas. tekst, Sept., Sam. en Syrische vertaling heel wat variaties op. Dit getuigt van originaliteit. Het is dan ook zeer wel doenlijk van deze namen verklaringen te bieden van zuiver linguistischen aard, zonder disqualificeerende strekking. ^)

Dat van vijf koningen er vier met name wordten vermeld, de laatste slechts als „koning van Bela" wordt aangeduid, getuigt van de historische nauwgezetheid van den auteur.

Van de Refaïm wordt in het Oude Testament veel vaker gesproken dan de tekst der Statenivertaltng doet vermoeden. Dit vindt zijn oorzaak hierin, dat de Statenvertalers het woord Refaïm menigmaal appellatievisch met reuzen hebben vertaald. (Deut. 2:11, 20. 3:11, 13. Joz. 12:4, 13:12). De vele plaatsen in het Oude Testament, die van

genadevruc> *-' ^ ^

w-iiefaïm melding maken doen zien, dat het een groot en wijdvertaiit volk was met een taai leven. Nu kan het woord refaïm, vooral in dichterlijke litteratuur, ook gestorvenen beteekenen. Door hiervan gebruik te maken ter verklaring van den volksnaam wordt de historische bodem verlaten. • Deze „gestorvenen" zijn dan „Heroën uit den Voortijd". De toepassing van deze opvatting op Gen. 14 houdt natuurlijk niet in dat Kedor-Laomer met Heroën gevochten heeft, maar wel dat de auteur van Gen. 14 geen historische gegevens biedt, doch namen gebruikt, die aan sagen zijn ontleend. Hiermede wordt hem alle historisch besef ontzegd. Intusscben worden aan deze Refaïm de d o 1 m e n s toegeschreven. Deze dolmens leggen echter wel degelijk getuigenis af van dereëele existentie hunner makers.

De Emim worden ook genoemd in Deut. 2. Ook die Zuzieten onder den vorm Zamzummieten. De berichten uit Gen. 14 en Deut. 2 zijn volkomen met elkaar in overeenstemming. In Gen. 14 vinden we de volken aanwezig, die in Deut. 2, dus ten tijde van den Intocht in Kanaan genoemd worden als de vroegere bevolking. Er is geen enkele reden de historische betrouwbaarheid dezer berichten in twijfel te trekken.

Met deze weerlegging van Nöldeke's bezwaren handhaven we de historische juistheid van Gen. 14.


1) conf. ook Jensen in Zeitschr. für Ass. Augs 1934: Gen. 14 und ein Ausschnit aus den res gestae von Assur-ban-apli. 2) Voorbeelden bij Heinisch a.w. pag. 220. 3) Zeitsch. A. T. Wiss. 39. (1921) pag. 152. Alter. Komm (Jirku) pag. 57.

4) J. Simons, Opgravingen in Palestina, hfdst. IV. 5) In de Jeruzalerasche Targum en door Rashi. 6) W. T. Filter, in Proc. of the Soc. of Bibl. Arch. 1913, pag. 205—226.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's