GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

14 minuten leestijd

Groeiende belangstelling voor de kerkelijke pers.

Ds Popma schrijft in het „Amersfoortsche Kerkblad":

De vorige week schreef ik, dat er meerdere belangstelling komt voor de kerkelijke pers. Men heeft mij gevraagdj of ik dat nu heusch meende.

Inderdaad meen ik dat! Wij hebben rijkelijk veel kerkelijke bladen. Misschien was een kleiner aantal beter.

Maar al die bladen bestaan dan toch maar. De uitgevers kunnen er mee uit.

Dat beteekent, dat er een breede kring is, een steeds breedere kring van menschen, ouderen en jongeren, die met gespannen belangstelling de discussies volgen. Heusch, niemand geeft jaar in jaar uit z'n goede geld uit, alleen maar om 't plezier van een bokspartijtje te kunnen volgen, of uit louter sleur.

Er is een breede kring van menschen, die verstaan, dat het om uiterst belangrijke vragen gaat, dat achter alle discussies aan alle kanten staat de lust van 't hart om in gehoorzaamheid aan Jezus Christus te leven in alles.

Zeker zijn er ook, die met 't lezen ophouden. De discussies worden hen te vermoeiend. Zelfs zijn er, die dat zonder nadere bezinning houden voor 'n bewijs van warm geestelijk leven!

We moeten toch zeker eerst de vraag stellen of we niet te doen hebben in zoo'n geval met 'n zekere kortzichtigheid. Of 't gebrek aan belangstelling, dat openbaar wordt, niet bewijst gebrek aan geestelijk leven!

Natuurlijk moeten we geval voor geval beoordeelen. Maar den algemeenen regel te willen stellen: onze menschen zijn er beu van, dus doen de pers-menschen verkeerd, is totaal onjuist. Want Ie, is dat beu-zijn nog niet bewezen en wijzen de feiten in een andere richting en 2e. al was dat niet 't geval, dan moeten we eerst nog de vraag stellen, waaruit die afwijzende houding ontspringt. Er zijn vele mogelijkheden: gemakzucht, napraten van anderen, zelfverdediging enz. Het feit van de vele bladen heeft z'n bezwaren, maar zou zonder breeden kring belangstellenden niet mogelijk zijn.

Wie dezen kant van de zaak vergeet, krijgt een scheef beeld van den stand van zaken onder ons.

'k Geloof, dat Ds Popma den spijker juist op den kop slaat.

Zonder intense belangstelling kan de kerkelijke pers niet bestaan — maar gaat óók de Kerk dood.

Ze komen uit één bron: de liefde voor de Kerk des Heeren en de echte belangstelling in de kerkelijke pers.

Voor honderd jaar had men geen „last" van Kerkbodes, maar het was in de Herv. Kerk dan ook duf en suf en dor en nog erger.

Wie op de hoogte is weet hoe met name onder de jongeren een intens meeleven wordt gevonden. Hoe velen zijn er niet die b.v. „De Reformatie" uitspellen. En dat gebeurt waarlijk niet uit sensatie-zucht, maar uit innige liefde voor de Kerk en den dienst des Heeren. Het ontroert me altijd weer, dat tientallen en honderdtallen jonge menschen drie ia vier uur gespannen kunnen luisteren naar de bespreking van belangrijke onderwerpen als Kerk, Geloof, Verbond, enz.

Dat is een groote genade van onzen God. Het zijn de beste leden niet, die met botte dooddoeners zich van de discussie en de polemiek afwenden.

Door discussie en polemiek niet het minst zijn de mannen gevormd, die Dr Kuyper hebben verstaan en hem toen zijn gevolgd.

Ja, aan Dr Kuyper moest ik denken toen ik het bovenstaande stukje van Ds Popma las. Is hij het niet, die op de groote waarde van de Kerkelijke Pers heeft gewezen?

Is hij het niet, die aangedrongen heelt op zoo groot mogelijke publiciteit in kerkelijke aangelegenheden? Men leze slechts:

De sterke publiciteit in kerkelijke zaken is onder ons, Gereformeerden, exceptioneel. In geen land ter wereld is ons een kerk of kerkengroep bekend, die in dit opzicht met ons wedijveren kan.

Niet alleen toch heeft elke provincie, maar zelfs elke groote stad een wekelijks rondgaande „loopmare", en boven en behalve deze provinciale (en) locale „boden" bezitten we nog tal van generale week- en maandbladen, die heel het land bestrijken, en toch in hoofdzaak aan de behartiging onzer Gereformeerde kerkelijke belangen gewijd zijn.

In die breede, ruime, alle plooien uitvouwende publiciteit nu ligt iets kostelijks.

Het toont, dat de kerkelijke aangelegenheden onder ons weer als vanouds een „publieke zaak" zijn geworden, en dat uitheeft het tijdperk der duisternis, waarin een clubje van de gesteekte of getabberde heeren de kerk exploiteerde als privaat domein.

Het heeft ten gevolge, dat de gemeenten met de kerk meeleven, hooren wat er gaande is, op de hoogte blijven van hangende vraagstukken, van de financiëele toestanden der kerken afweten, en met die velerlei wetenschap gewapend ruggelings invloed op het kerkelijk leven kunnen uitoefenen.

Ook bevordert het den band der gemeenschap tusschen de kerken van een classe, van een provincie en van het land. Want leefde men eertijds als in een steenen loket ommuurd, zonder van de buitenwacht veel meer dan een gerucht op te vangen, thans krijgt men de korte acta zijner eigen classe gedrukt thuis, en kan tegelijk in Zeeland lezen wat op de classes in het hooge noorden verhandeld is.

Velerlei voordeel, waar dan nog bij komt, dat al deze boden en bladen en maandschriften een gansch corps van redacteuren op de been houden, die anders allicht de pen rusten en roesten lieten, maar nu, 't zij dan uit zielsdrang, 't zij dan omdat het bladeke toch hoofdartikelen moet uitstallen, ons vergasten op allerlei principiëele bespreking, die het kerkelijk debat levendig houdt...

Zoolang deze dnikke publiciteit onder ons stand houdt, krijgen we niet licht de slaapmuts weer over de ooren.

Aldus Dr Kuyper in de herfstmaand van den jare achttienhonderd zeven en negentig.

Gekraak in de Radio.

Het sectarisme steekt zijn weerzinwekkenden kop op in de radiowereld.

De gevaarlijkste vorm van sectarisme nog wel, n.l. die welke zich als anti-sectarisch aandient.

De radio — dat is nu, zou men zoo zeggen, een prachtig „terrein" om de oecumenische en „bovenkerkelijke" strevingen te concretiseeren. Daar kan men de pure liefde voor de „una sancta" uitleven.

Eilacy — bij velen der una-sancta-menschen blijkt deze liefde platonisch.

Hier volgen een paar artikelen van Ds Boeijinga, die deze kwestie in het „Haarlernsch Kerkblad" bespreekt:

Voorheen heb ik eenige keeren gesignaleerd het sectarisch gedoe van eenige Hervormde gangmakers, voornamelijk in Zeeland, voor wie de N.C.R.V., voornamelijk wegens ons aandeel daarin, tot een onuitstaanbare obsessie is geworden. De kijk op de katholiciteit, de algemeenheid van het Christendom zijn ze kwijt; en op echt Roomsche wijze ruilen ze de Kerk van Christus in voor hun eigen menschelijke „kerk". Ze hebben zich niet laten terecht wijzen door hun tallooze kerkgenooten, die dit kerkisme onvoorwaardelijk hebben afgewezen en er niet aan denken de N.C.R.V. vaarwel te zeggen.

Toch bleek naar buiten den laatsten tijd weinig of niets van hun actie. Men kon denken, dat deze actie op de weerbarstige klippen van hun eigen kerkvolk gebroken was.

Nu echter laten ze weer eens iets van zich hooren. Zeker om hun medevechters wat nieuwen moed in te pompen, en een beetje indruk te maken op de N.C.R.V. en voornamelijk op haar Hervormde leden. Zoo hangen ze nu aan de groote klok:

„Teneinde ons doel te bereiken, werd door ons een samenspreking met het moderamen der N.C.R.V. gehouden; de bedoeling waSj een informatieve bespreking te hebben, opdat kon worden vastgesteld, of, en zoo ja, in hoever een federatief verband mogelijk zou zijn. Ofschoon verschillende aanrakingspunten gevonden werden, gelukte het nog niet een oplossing te vinden. Bij Koninklijk Besluit van 25 Juli 1938 werd de goedkeuring op de statuten der vereeniging verkregen. De situatie ten aanzien van de programma's, zooals ter ledenvergadering 1937 werd meegedeeld, bleef onveranderd. De actie der vereeniging zal in 1939 krachtig worden voortgezet. Ons propagandawerk hopen wij verder uit te breiden en onder naeer de wettelijk voorgeschreven machtiging voor uitzending te verkrijgen. Eén en ander zal van onze leden nog wel eenig geduld vergen, aangezien deze dingen afhangen van instanties buiten ons. In tusschen vertrouwen wij, dat de ingediende zendtij daan vrage door voornoemde instanties op een vlotte wijze zal worden behandeld. Onzerzijds worden alle aangelegenheden met den meest mogelijken spoed afgehandeld. Op aller medewerking doen wij een beroep; de verwerkelijking van onze idealen is, naar wij hopen, niet ver meer."

„Idealen". Zoo durft men in dezen geestelijken stormtijd deze nieuwe poging tot verscheuring van het christendom noemen!

Moge het „eenig geduld", dat nog geoefend zal moeten worden, hun alsnog een tijd tot bekeering van deze dwaling huns weg worden.

En dtan in het volgende nummer:

Het bericht door mij. de vorige week vermeld, dat de vereeniging voor een uitsluitend Hervormde radio bij de regeering om zendtijd heeft aangeklopt, beeft al heel spoedig gezelschap gekregen in het volgende:

„Namens de Gereformeerde kerken in Nederland heeft het door de synode benoemde college van deputaten voor radio-uitzendingen dier Gereformeerde kerken, bij den minister van binnenlandsche zaken een aanvrage ingediend om zendtijd, voor het verzorgen van speciaal Gereformeerde uitzendingen „op denzelfden voet als aan de vereeniging „De Nederlandsch Hervormde Radio Omroep" mocht worden toegestaan".

Adressanten betoogen, dat zij zich, ten einde het groote Christelijke belang te dienen en de eenheid der orthodoxe Protestanten niet in gevaar te brengen, bij de samenwerking met de Nederlandsch Christelijke Radio Vereeniging tot nu toe verschillende beperkingen hebben getroost, doch dat zij, nu de Nederlandsch Hervormde Radio Omroep zendtijd vraagt, het zich tot een plicht rekenen, te zorgen, dat de Gereformeerde kerken niet bij' de Hervormde v/orden achter gesteld. Dit klemt —' aldus 'het adres —' te sterker, omdat ons staatsrecht het begrip „staatskerk" niet kent en verzoekers de Gereformeerde kerken op de meest officieele wijze vertegenwoordigen, terwijl de Nederlandsch© Hervormde Radio Omroep slechts een particuliere vereeniging is, die, hoewel Nederlandsch Hervormde leden tellende, toch geenerlei mandaat van de Nederlandsch Hervormde kerk zelf ontving".

De strakke ernst van dit bericht maakt de humor er van des te kostelijker.

Jongens zouden in hun wereldje zeggen: „Die zit!" Het kerkisme van sommige Hervormden die in hun afgelegen woonplaatsen volop den tijd hebben om hun aandacht te geven aan het feit, dat de geschiedenis hun kerkgebouw in het midden van hun dorp een p.aaüs gegeven iheeft en die 'daaruit eiken dag de oude conclusie handhaven, dat die kerk in het midden gelaten moest om haar aloude heerlijke rechten uit te oefenen, thans ook inzake de radio —' dit vleeschelijk kerkisme meende een pracht gelegenheid ontdekt te hebben om het haantje van hun kerktoren nog eens koning te laten kraaien. Dit beestje scheen bij hun aanvraag om zendtijd al aardig op weg om zijn eerste koningsklanken te gaan kukelen.

En nu deze tegenzet! O wee!

Want het haantje komt thans waarschijnlijk in de pan terecht, een braadkip.

Niet omdat onze radio-deputaten, als parmantige

koninkjes uit een naburige ren, een hanengevecht op touw gezet hebben en in deze dierlijke veldslag dien radio^oproerkraaier gelegd hebben.

Doch ze hebben, heel vernuftig, dit oproer bezworen voordat het nog goed en wel z'n verdervingen kon beginnen. En zoo hebben ze een dreigend dagelijksoh of wekelijksch luchtgevecht voor komen.

Het is tooh niet denkbaar dat de regeering, zoo ze al geneigd mocht zijn geweest om aan deze Hervormden zendtijd te geven, daartoe thans zal over gaan. Want de argumenten onzer deputaten zijn eenvoudig zóó klemmend, dat zulk een kerkelijke zendtijd dan ons zeker niet geweigerd kan worden.

Laten de Christelijk Gereformeerden, de Lutherschen, de Doopsgezinden, het Leger des Heils en zoovele anderen meer, maar een gelijk verzoek indienen en de dwaasheid van deze Hervormde aanvraag zal al duidelijker worden.

En de overheid zal dan al deze kerkelijke „zotten" natuurlijk antwoorden naar hun dwaasheid, dit wil zeggen hun nul op het request geven.

Daarmee zullen onze radio-deputaten hun doel vanzelf precies bereikt hebben. Want dan blijft het gelijk het nu is: op dit terrein één samenwerking van Christenen uit vele kerken en kringen. Daarbij zal ieder zidh beperkingen moeten blijven getroosten, doch •we besparen ons dan tooh de noodelooze spot en smaad van Roomschen en wereldlingen vanwege de belaoheiyike verdeeldheid van het orthodox Protestantisme.

Dit initiatief onzer deputaten moge alzoo een vijandige daad schijnen. Ze dient echter, om het in de taal van Prof. Schilder te zeggen, , den vrede. En, is alzoo een lofwaardige vredesdaad.

Nog weer andere geluiden heeft H. A(lgra) vernomen. Hij schrijft daarover in het (classicale) „Leeuwarder Kerkblad" onder het opschrift: „Wat doet de N.C.R.V.? ":

„De Nederlander" bevatte dezer dagen het bericht, dat de N.G.R.V., onze Christelijke Radio-vereeniging, reeds maanden geleden had geïnstitueerd een Hervormden Raad, waarin een 12 a 13 tal vooraanstaande mannen uit het Hervormd kerkelijk leven zitting hebben —• Professoren en Predikanten — en waarin een tweetal plaatsen zijn aangeboden aan de Herv. Radio-Omroep. Waren die plaatsen geaccepteerd, dan zou deze door de N.G.R.V. geïnstitueerde Hervormde Raad reeds zijn werk ten nutte van de Hervormde Kerk zijn begonnen.

Zoo staat het in het bericht in „De Nederlander". Het spijt mij, dat ik het niet eerder wist. Ik ben lid van de N.G.R.V. en dus: mee verantwoordelijk voor wat die organisatie doet.

Maar ik heb er niet van geweten. Het zal aan mij liggen. Waarschijnlijk heb ik het bericht omtrent die institueering over het hoofd gezien.

Over de instelUaig van dezen Raad kan ik mijl niet verheugen.

Ik geef graag toe, dat er véél werk kan worden gedaan ten nutte van de Herv. Kerk. Om maar een voorbeeld te noemen. Het zou ten nutte dier kerk zijn, als een eind werd gemaalkt aairn een prediking, die den Christus der Schriften loochent.

Maar ik kan niet inzien, waarom de N.C.R.V. zich met de Hervormde Kerk moet bemoeien.

Zij is een vereeniging.

En zij heeft er naar te staan, dat door haar werk de 1 e d e n. Hervormd of Gereformeerd of Baptist, in hun vereeniging vinden, wat zij' samen nastreven: een omroep met den Bijbel.

"Van de Herv. Kerk moet de N.C.R.V. afblijven. Die Kerk heeft haar organen, haar Kerkeraden en haar Synode. D i e moeten werken ten nutte der Herv. Kerk.

Maar de N.G.R.V. moet er zich niet mee inlaten.

Zouden de Nederlandsche orthodoxe Christenen weer eens tot een aanfluiting worden door samenwerking kapot te maken, waar ze mogelijk is?

Zouden ze weer zichzelf verzwakken tegenover een huiveringwekkend opdringende daemonische geestesbeweging?

Zouden ze weer zichzelf tot een makkelijker buit maken voor de Roomsche propaganda?

Zouden ze weer den Christus bedroeven. Die toch altijd blijft bidden: „dat ze allen een zijn"?

Gelukkige oplossing.

In , fie Standaard" vonden we het volgende bericht, afkomstig uit Leiden:

In zijn laatstgehouden vergadering heeft de kerkeraad der Gereformeerde Kerk te dezer stede zich bezig gehouden met het zeer belangrijke vraagstuk hoe de wijze van bearheiding der Gereformeerde jeugd dient plaats te vinden.

Deze bespreking hield verband met de jeugd-conferenties zooals die in den laatsten tijd worden gehouden. Vanwege het ministerie van predikanten werd opgemerkt, dat de kerk drie organen heeft, waardoor zij contact moet hebben met de jeugd, n.l. de bediening des Woords, de catechisatie en het huisbezoek.

' Het ministerie van predikanten was het er over eens, met welk gevoelen de kerkeraad mede ging, dat de leeftijdsgrens voor de catechisatie, die thans bestaat, meer doelmatig behoort te zijn. In verband hiermede zullen voortaan de catechisaties, welke drie kwartier zullen duren, verdeeld worden over jongens en meisjes resp. van 12—14, van 15—17 en van 18 jaar en daarboven.

Deze groepen passen meer bij elkaar en zijn kleiner, waardoor het contact beter kan zijn. Meende men eenerzij ds, dat men genoeg had aan deze drie organen, anderzijds was men de overtuiging toegedaan, dat onze organen geen voldoende gelegenheid bieden voor het persoonlijk contact met de jeugd en men daarom het beleggen van jeugdconferenties, al zijn er ook gevaren aan verbonden, als practisch bruikbaar wil bevorderen.

Zij, die in het ministerie van predikanten'de laatste meening zijn toegedaan, stelden voor deze jeugdconferenties in kerkelijke banen te leiden, dus uitgaande van het kerkelijk instituut of ze onder kerkelijk toezicht te plaatsen.

Hiertegenover werd volgehouden, dat de Gereformeerde Kerk in haar drieërlei bearbeiding der jeugd rijk is. Met inspanning van alle krachten moet men de drie organen goed doen functionneeren en dan heeft de kerk geen verlengstuk noodig.

Het slot was, dat het voorstel om de jeugdconferenties (te houden in eigen plaats) te doen uitgaan van de kerk met groote meerderheid verworpen werd. Ook het voorstel, om ze onder het kerkelijk toezicht te stellen, kon evenmin een meerderheid verkrijgen al waren hier de tegenstemmers minder talrijk.

Dit lijkt ons een zeer gelukkige oplossing van een actueele kwestie.

De Kerk bediene het Woord en dat door het ambt. Anders niet, meer niet. „Kerkelijke atmosfeer" en „conferentie-lucht" harmoniëeren niet.

Dat heeft Dr Kuyper er voor jaren reeds ingehamerd. En de jeugdvereenigingen moeten om huns levens wil trouw blijven aan het oude ideaal van „beginselstudie" en moeten niet verworden tot instellingen voor persoonlijkheidsvorming of vroomheidscultuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's