GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

15 minuten leestijd

„Onderwerpelijke" prediking.

Hoe funest die werkt, dat vertelt Ds H. J. Spier in het „Kerkblad van de Ger. Kerk van West-IJsselmonde". Die prediking rriaakt het den ongeloovigen véél te 01 a k k e 1 ij k en den geloovigen veel te m o e i 1 ij k.

Zij gaat immers in zekeren zin van den twijfel en het ongeloof uit, en veronderstelt dit als een vanzelfsprekende zaak bij de leden der gemeente, bij zijn „hoorders". En iederen Zondag moeten zij opnieuw hooren, hoe zij van hun ongeloof tot het geloof moeten komen. Hun weg wordt uitgestippeld, met de moeilijkheden daaraan verbonden.

Doch daarmede is hun ongeloof nog niet veroordeeld, en dus daaraan nog geen recht gedaan in Christus' kerk, waar het geen uur en geen dag langer mag voortduren, waar het nooit vanzelfsprekend is. En daarom lijkt het wel een zware godsdienst, die imniers aandringt op geloof en bekeering, van voren afaan, zich dus steeds ophoudt aan of vóór het begin vaii den Chrfstelijken weg, en zich steeds bevyeegt bij den overgang: ongeloof, geloof: zónde — bekeering —, het is inderdaad veel te licht en te gemakkelijk voor ongeloovigen en hypocrieten. Ja, het is van lichtzinnigheid niet vrij te spreken, wanneer men op deze , wijze, zij het met zware termen en geijkte uitdrukkingen, van de kerk maakt een evangelisatiepost...

Immers zóó ontvangt het ongeloof een plaats in de kerk, wordt als vanzelfsprekend min of meer geduld hij bondelingen, alles wordt er op ingesteld, en aan den vollen eisch van het Christelijk leven, uit en tot het geloof, aan de heerlijkheid van het rijke leven in Gods koninkrijk, komt men niet toe. Zelfs kunnen de hypocrieten zich dan verheugen in het gezelschap van zoovele ongeloovigen, die nog in „bearbeiding" zijn...

Aan de andere zijde wordt het echter den geloovigen veel te moeilijk gemaakt bij dit soort prediking.

Zij worden immers ook be-evangeliseerd, en dus aangepakt als ongeloovigen, en door de veronderstelling van ongeloof en twijfel, wordt hen gesuggereerd, dat ook hun de vastheid ontbreekt. Zoo licht gaan ze wankelen, — en vele vrome zielen kunnen door zulk een verwarrende prediking in de benauwdheid van den twijfel worden neergedrukt.

Hun geloof komt niet tot zijn recht, omdat zij altijd weer van nieuws af aan tot bekeering moet komen...

En... een bekeerde opnieuw bekeeren zal toch moeilijk gaan.

De tollenaar heeft maar ééns zoo geroepen: o God! wees mij zondaar genadig!

Daarom wórden hij zulke eischen eenvoudige zielen gebracht in een spanning, die gevaarlijk is voor de zekerheid van hun geloof.

• - In zulk "een- klimaat wordt ook de blijdschap des geloofs verstikt.

Wie zoo zou prediken maakt geen ernst met de echte „kenmerken" van het ware geloof.

Want die echte kenmerken zijn volgens Ursinus: lo. dat ik in mijn hart dit getuigenis van den Heiligen Geest waarneem, dat ik de aangeboden genade Gods in Christus ernstig begeer en aanneem;

2e. dat ik van geen ding meer afschuw heb, dan deze allergrootste zonde, welke is: in Christus-niei-geloeven.

Mocht deze kenmerken prediking week in week. uit van onze kansels worden vernomen.

Verkiezing en verbond bij Calvijn.

Een hoopvol ding in onze dagen is de ernstige wil van zeer velen om weer naar Calvijn en de Reformatoren te hooren. Dat geeft moed in de discussies.

Zoo gaf Ds Meester van Brouwershaven in de „Zeeuwsche Kerkbode" een belangwekkende reeks over de verkiezing, zooals Calvijn haar beschrijft.

Ik geef hier een stuk van het slotartikel:

Nu, wij hebben getracht de voornaamste gedachten van Calvijn, omtrent de verkiezing te beschrijven, willen wij in dit slotartikel nog even een samenvatting geven van het geschrevene, om het overzicht voor onze lezers te vergemakkelijken. Wij schreven.

1. Het feit der verkiezing staat voor Calvijn onomstootelijk vast, op grond van vele duidelijke Schriftuitspraken, welke zeggen, dat de Heere de Souverein is die alle dingen regeert.

2. Een tweetal bezwaren, die men wel inbrengt tegen het spreken over de verkiezing, n.l. de nieuwsgierigheid van de menschen, waardoor zij altijd meer willen weten dan zij mogen weten, en het gevaarlijke van dit stuk, schuift Calvijn ter zijde door te verwijzen naar het Woord, waarin de Heere er van spreekt. Daarom mogen wij niet zwijgen.

3. Calvijn beschouwt den Raad Gods niet als een soort bergplaats, waarin de besluiten Gods zijn opgeborgen in den hemel, terwijl wij hier onze bespiegelingen mogen houden over die in den hemel verborgen besluiten. Hij ziet heel concreet het werken Gods in de menschenwereld, maar die bemoeiingen Gods met het menschelijke leven zijn een gevolg van zijn hooge en heerlijke souvereine wilsbeslissingen. Hij ziet des Heeren groote werken en klimt daaruit op tot zijn aanbiddelijk willen.

*• Gods wilsbesluit blijkt in tweeërlei richting te gaan: verkiezing en verwerping.

o. De grond (de motieven), van dezen wil zijn niet te vinden. Hij wijst de pelagiaansche- en semi-pelagiaansche opvattingen af als zou de wil Gods den wil van de menschen volgen. Maar al is de grond voor het willen van God niet te vinden, toch is er geen willekeur bij-Hem. Daar kan geen sprake van zijn, omdat Hij heilig en rechtvaardig is — alleen wij zijn niet bevoegd en niet in staat Zijn wil te beoordeelen.

6 De verkiezende wil Gods wordt openbaar in die bemoeiing Gods met menschen, die wij de roeping in het verbond noemen.

7. Natuurlijk wil dat niet zeggen, dat allen tot wie de roeping uitgaat, verkorenen zijn. Daarvoor moet de roeping „van kracht worden", effect hebben. En dat heeft zij in hen, die gelooven.

8. De troost der verkiezing is derhalve alleen voor de geloovigen, die van deze hun verkiezing echter uitsluitend zekerheid verkrijgen in het verbond, in het geloovig verkeer onder de prediking.

9f. De verwerpende wil Gods wordt openbaar Ie. buiten het verbond, en 2e. in het verbond bij hen, die de Heere door de prediking van het evangelie nog meer verblindt en verhardt.

Het loont de moeite deze gedachten van Calvijn zich goea voor oogen te stellen. Zij zijn van veel beteekenis ten aanzien van de verhouding van verkiezing en verbond, welke verhouding tegenwoordig onder ons in discussie is. Verkiezing en verbond worden tegenwoordig veelal gezien als een tweeheid zonder onderling verband.

Er is wel onderling verband in den hemel, maar hier op aarde voor ons geloof, zijn het twee „waarheden", die niet'imet efkaar in overeenstemming zijn • te brengen. Zij zijn nu eenmaal niet te rijmen. En wij doen goed ze als twee aparte „waarheden" oftewel „kerkelijke leerstukken" ongerept te bewaren en ze ieder op z'n beurt eens te voorschijn te halen, want

vsdj gelooven ze beide, ieder voor zich.

Prof. Hepp heeft in „Credo" eens het beeld gebruikt van twee touwen, die van den hemel naar de aarde evenwijdig naast elkaar afhangen. Zoo blijven z.i. verkiezing en verbond naast elkaar staan. In den hemel komen de twee touwen bij elkaar en worden zij vereenigd. Prof. Grosheide blijkt in een bespreking van het boek van Ds Woelderink over den Doop in „N.-HoU. Kerkblad" dezelfde meening te zijn toegedaan. „In de verhouding van verkiezing en verbond" zijn twee zijden, die wij beiden moeten vasthouden. Dit vraagstuk is voor menschen niet op te lossen, is zijn oordeel. Nu dat laatste is wel waar, wat betreft de grond van den wil Gods.

Calvijn blijkt de verhouding van verkiezing en verbond niet te zien als twee touwen, die evenwijdig blijven loopen zonder elkaar te ontmoeten. Houden wij dit beeld van Prof. Hepp even in gedachten, dan kunnen wij zeggen, dat Calvijn die twee touwen aan elkaar ziet vastgeknoopt en in eikaars verlengde ziet liggen.

W ij zien dus maar één touw, het touw van het verbond. Dat hangt naar de aarde af.

Het touw van de verkiezing zien wij niet. Wij weten, dat aan. het zichtbare touw van het verbond het onzichtbare van de verkiezing is vastgeknoopt bij God. Daarom schrijft Calvijn, dat de verkiezing voor ons zichtbaar wordt in het verbond. Dat weten wij, omdat dp Heere het ons in Zijn Woprd heeft geopenbaard.

De verkiezing wordt dus niet als zoodanig aan ons zichtbaar op aarde, maar slechts in het verbond wordt de Heere als een verkiezende God gezien door Zijn volk. In de beeldspraak van Prof. Hepp zou Calvijn dus zeggen er hangt maar één touw van den hemel naar de aarde, en in dat ééne touw komt tot ons ook het andere — dat in den hemel is. En daarvoor beroept hij zich op o.a. Rom. 8 : 28—30.

Dr Dee schreef eens over Calvijn's visie op de zekerheid der verkiezing: „Christus wordt door den Vader ons als een spiegel voor oogen gehouden, opdat wij in Hem onze verkiezing beschouwen — dat is de altoos wederkeerende gedachte. En dit verwondert niet. Calvijn denkt zich immers de praedestinatie niet in tegenstelling met de benevolentia divina (goddelijke welwillendheid, goedgunstigheid), maar als haar dieperen grond. Zij maakt de universeele belofte niet krachteloos, maar deze is juist omgekeerd het middel, waardoor zij zich realiseert. Derhalve moeten wij, zoodra wij van de belofte, d.i. van Gods genade ons verzekerd weten, daarmede tevens van onze verkiezing verzekerd zijn".

Het zou van groot belang zijn als Ds Meester ook eens wat schreef over de opvatting van Calvijn, dat er een algemeene en b ij zondere verkiezing is. Een verkiezing tot het verbond en een tot zaligheid. Calvijn schrijft daarover b.v. in zijn kommentaar op Maleachi 1:2 v.v.

Als Ds Meester het mocht doen, dan zal de Persschouw het graag doorgeven.

-: : arfg|Ig^^3S^'--Het moeilijke ambt.

H. A(Igra) mediteert in„Leeuwarder Kb." (class.) „naar aanleiding van" de lijdensprediking over het „moeilijke ambt" als volgt:

Nooit kom ik sterker onder den indruk van de ontzettende moeilijkheid van het predikambt, dan in de lijdensweken.

Dan worden lijdensstoffen behandeld. Dan volgen wij met den prediker den Heere Jezus bij zijn uitgang te Jeruzalem.

Wat is het moeilijk, daarover te preeken. Ik heb er nog eens oude preeken, uit de 17de en 18de eeuw op nageslagen.

Toen was het stukken gemakkei ij ker. Want in die preeken wordt in de eerste plaats allerlei historische en archeologische kennis ter sprake gebracht. Men kan er breede overzichten in vinden over de familie van Herodes Antipas, verder beschrijvingen over de geeselstraf bij Joden en Romeinen, het aantal slagen, de soorten van geesels, de houding van den gestrafte. Ook ontbrak niet een verhandeling over de wijze van kruisiging, de vorm van het kruis, de manier, om een opschrift aan te brengen, enz.

En ais dan een zeer uitvoerige paraphrase was gegeven van het tekstgedeelte, kwam de toepassing, die eigenlijk bij elke lijdenspreek paste. Aanschouw het geduld, de smarten, de gehoorzaam­ heid van uw Heiland! Hebt gij er deel aan? Moogt gij zeggen, dat het ook voor U was?

Zoo bestond de preek uit een historisch en een bevindelijk deel.

In onïen tijd worden veel hooger eischen gesteld. Nu moet de prediker iedere geschiedenis apart schetsen, in zijn eigen beteekenis.

Als hij Simon van Cyréne het kruis ziet dragen, moet hij uitleggen, waarom Christus Borg is, daarin, dat Simon zijn kruis draagt. Als de Joden buiten de deur van Pilatus' huis blijven staan, moet hij aantoonen, dat hierin weer een eigen, uiterst belangrijke zijde van Jezus' lijden ons wordt onthuld. Als de jongeling in den hof van Gethsémané vlucht met achterlating van zijn opperkleed, dan moet ook dat worden betrokken op het borgtochtelijk lijden van Christus. Het moet werkelijk lijdensprediking worden.

Er is op dit gebied zeer scherpzinnig werk gedaan. Werk, dat werd verricht in het diepe besef, dat de lijdensprediking alleen dan haar doel bereikt, als de Borg wordt gezien in Zijn gehoorzaamheid.

Toch vraag ik mij ernstig af, of deze prediking soms niet bezig is, te ontaarden.

Soms verschijnen er preeken, die ons bijna de opmerking ontlokken, dat de dominee zóó knap is, dat hij ieder stukje van het lijden in elkaar kan zetten als een legkaart.

De voorzichtigheid, diè 'betaamt ten opzichte van wat er niet staat, wordt wel eens uit het oog verloren. Als de Schrift zwijgt over het waarom en waartoe, dan blijkt soms een jonge dominee of een candidaat het haarfijn te weten.

Ik geloof, dat er wel tegen een zekere eenzijdigheid, of liever tegen een zekere overmoed mag worden gewaarschuwd.

Tactiek.

In een artikel over „Conservatisme" van de hand van Ds Teeuwen en te vinden in de „Geldersche Kerkbode", nemen we de volgende rake typeering over van de „tactiek" op kerkelijk terrein.

De groote zonde van alle onedel conservatisme is altijd tactiek, het diametraal tegenovergestelde van de openheid, die wij zooeven noemden.

Tactiek — aan dit overigens zoo mooie woord hangt kerkhofslucht. Het woord komt van een griekschen stam, welke handelen beteekent. Maar ieder weet, dat in het woord „tactiek" het handelen een duffen bijsmaak heeft. Het is niet het groote handelen, het geloovige handelen, dat eerlijk argument tegenover argument stelt, en dat den tegenstander met een conscientieuse angstvalligheid voor de volle honderd procent recht laat wedervaren, neen, het is het kleine handelen voortkomend uit een benepen geestesgesteldheid, die allereerst bedacht is op de veiligstelling van eigen belangen inplaats dat men bezield is met een heilig enthousiasme waar het de groote zaak van Gods Koninkrijk betreft.

Deze „tactiek" is het groote gevaar van alle waarachtig leven der kerk. Deze „tactiek" heeft altijd een element van onverantwoordelijkheid in' zich. Zij wil den tegenstander geen recht doen. En met de autoriteit, die zij zich in de loop der jaren heeft weten te veroveren, ontziet zij zich niet om slachtoffers te maken, als de eigen naam en de eigen invloed van den „tacticus", of dat nu een persoon of een lichaam is, maar „zegevierend" uit allen strijd komt. En al heel erg wordt het, als men de nieuwe stemmen, die aan het woord komen, maar laat praten. Eerst doen alsof er niets aan de hand is. Eerst door een hardnekkig stilzwijgen de zaak op het doode spoor leiden. „Doodzwijgen" noemt men dat. En als men dan eindelijk spreken gaat, dan den tegenstander vangen op een woord en de groote bedoeling, de sterke impuls, die hem drijft, absoluut niet willen verstaan.

Deze tactiek kan dan zeker wel voor korten tijd haar „triomfen" behalen. Zij kan trachten heel wat enthousiasme dood te drukken. Maar op den duur zal zij toch haar eigen graf graven. Want wij hebben één ding in het oog te houden, dat God tenslotte de historie maakt. De beste „tactiek" redt het niet, als men een zaak, die in de afdalende lijn is, daarmede zou willen behouden.

Men ziet: het recept van Gamaliel. Kuyper zou zeggen: op zien komen spelen.

De Chr. Geref. Kerk in Amerika.

Onderstaande statistische gegevens vond ik in „De (Amerik.) Wachter". Velen zal het interesseeren iets van deze zusterkerken te vernemen. De statistiek is wel buitengewoon verzorg'd. Zelfs d« budgetten zijn opgenonien.

Het aantal classes is achttien, nog evenals, verle/len jaar. De beide groote classes, Illinois en Muskegon, bleven naar haar uitgesproken voorkeur ongedeeld.

Het getal huisgezinnen steeg van 24.991 tot 25.447 en duidt dus eene vermeerdering aan van 461. Verleden jaar waren we met 387 gezinnen gegroeid.

Het aantal belijdende leden nam toe van 61.209 tot 62.945 en wijst een toename aan van 1.736. Het verleden jaar wonnen we met 810 leden. Die vermeerdering is thans dus meer dan verdubbeld.

Het geheele zielental bedroeg aan 't eind van 1938 naar het vorige Yearbook 118.973 en thans 120.765. Een vermeerdering van 1.792. Het jaar tevoren viel er een gewin van 1.001 zielen te boeken.

In aantal leeraren gingen we omhoog van 257 tot 270; thans 13 meer dan 't jaar tevoren.

Ook wonnen we, wat de gemeenten betreft, met vijf; verleden jaar telden we 288, nu 293.

Vacante gemeenten zijn er 2 minder; van 34 daalden we in een jaar tijds tot 32. —- Waar blijft de zorg aangaande een overvloed van predikers?

Andere opgaven en vergelijkingen met het vorige jaar laten we hier volgen, die onze aandacht verdienen.

Gedurende 1938 werden er 2.463 kinderen en 96 volwassenen gedoopt. Het jaar tevoren waren de getallen respectievelijk 2.525 en 104. In beide gevallen was er een daling.

Daartegenover was er in het aantal pereonen, die belijdenis des geloofs aflegden, een opklimming van 2.012 in 1937 tot 2.411 in 1938; een vermeerdering derhalve van 399.

Personen, die onze kerk verlieten, om zich bij andere kerken aan te sluiten, waren er 1.014 (verleden jaar 1.010) en omgekeerd sloten zich uit andere kerken bij de onze 704 personen aan (verleden jaar 783). Dat Is wel geen groot verschil in de beide jaren. Maar dat verlaten vooral, meer nog dan de aansluiting, geeft toch te denken. Uit een kleine kerkengroep als de onze in één jaar 1.040 naar andere kerken! En om welke redenen? Waren er beginselen in 't spel? Bracht gewetensovertuiging tot zulk een gewichtige stap? We kunnen de gevallen niet afzonderlijk beoordeelen. Maar we weten, dat het kerkelijk besef in ons land over 't algemeen afneemt. Voor zeer velen is de Kerk niet meer de zorgzame, geestelijke moeder, aan wie God ons door Zijne genade verbond; maar zijn de kerken zoovele organisaties, waarin iedereen zijn noodzakelijke dosis godsdienstigheid plus een overvloed van fatsoenlijk pleizier kan bekomen. Allemaal zoowat eender. Hoe gemakkelijk dan een verwisseling als 't zoo uitkomt, om 't huwelijk, om buren, om een kind, dat een vriendinnetje in die andere Zondagsschool heeft, om den dominee, "a nice man" bij geval, of om welke andere reden ook, die met zuiverheid van leer en leven hoegenaamd niets te maken heeft. Staat het verlaten van zoo velen, ook van onze kerk, misschien in verband met zulke redenen?

Door kerkelijke tucht, verlating of royeering verloren we dit jaar 215 (verleden jaar 226) en door den dood 758 (714 het vorige jaar).

Met belangstelling gingen we ook over de cijfers, die ons de inkomsten der financiëele bijdragen, niet voor eigen gemeente, melden. Al behooren ze tot het materiöele, ze hebben toch groote beteekenis voor den goeden gang van het kerkelijk leven en leeren ons aangaande de stoffelijke welvaart en de middadigheid van ons volk.

Het totale bedrag gedurende het jaar 1938 i $424.557.87. 't Vorige jaar, 1937, beliepen de inkomsten $ 411.974.42. Dat is nu dus $ 12.583.45 meer dan in het jaar tevoren.

Berekend naar de 25.447 gezinnen is er voor doeleinden, buiten eigen gemeenten, gemiddeld een weinig m^eer dan $17 per gezin opgebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken