GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE

14 minuten leestijd

(VII)

§ 9. Over de kern van het kerkelijk conflict.

Nadat we in de voorafgaande paragrafen de kerkelijke worsteling uit de laatste jaren van verschillende kanten hebben bekeken, willen we ons nu scherp en duidelijk de kern van het kerkelijk conflict voor ogen plaatsen, om ons ook ten aanzien daarvan weer af te vragen hoe de zaken momenteel staan.

Voordat we daartoe overgaan, moeten we evenwel eerst radicaal afwijzen een reconstructie van het kerkelijke gebeuren, die alom in de kring der gebonden kerken wordt gepropageerd en reeds bij duizenden en duizenden de klare blik op de feiten heeft vertroebeld.

Deze reconstructie komt ongeveer hierop neer:

Na de vereniging van de Christel, gereformeerde en de dolerende kerken openbaarde zich in de gereformeerde kerken gedurende vele jaren een ernstige spanning tussen de twee stromingen, welke respectievelijk uit de Afscheiding en de Doleantie voortkwamen en daarvan haar stempel ontvingen. Soms uitte deze spanning zich zelfs in heftige botsingen.

Langzamerhand vloeiden deze stromingen gelukkig samen. Maar toch bleef er in de kerken een groep, welke zich als een factie handhaafde. Zij schaarde zich om de Theologische Hogeschool. Maar terwijl zij deze in naam als „School der kerken" verdedigde en alles deed om haar bloei te bevorderen, probeerde zij haar in werkelijkheid tot exponent van eigen groep en tot centrum van een eigen theologie te maken.

Tengevolge van dit streven broeide er in de kerken een latent en permanent conflict.

In de loop der jaren kreeg de genoemde groep helaas een krachtige en invloedrijke vocaal in Prof. Schilder. Door zijn optreden werd ze wel is waar gevidjzigd in haar samenstelling en tendenzen, maar tegeMjk werd ze ook veel krachtiger.

Bovendien begonnen in die zelfde tijd de mannen van de wijsbegeeri; e der wetsidee zich te roeren en te organiseren. Hun streven liep voor een aanmerkelijk deel parallel met wat Prof. Schilder voorstond. Cïok zij uitten zich critisch ten opzichte van wat in de Gereformeerde Kerken „gangbare mening" was.

Na verloop van tijd was de situatie zo, dat Prof. Schilder zonder meer als het hoofd, de leider, van een part ij, van een factie, moest worden beschouwd: Hij vormde immers een schaar discipelen, welke hij commandeerde en die hem critiekloos volgden. En al meer bleek hij, met zijn mannen, een gevaar voor de rust en de vrede der kerken te worden.

Door haar felle polemiek veroorzaakte deze Schilder-factie ten slotte een spanning, die ondragelijk was en bij de geringste aanleiding tot een ernstig conflict moest leiden.

Deze aanleiding kwam, toen de synode van 1942 gans argeloos tegen de leringen van mannen als A. Janse en Ds I. de Wolff een paar leeruitspraken over het genadeverbond uitvaardigde, waarin feitelijk niets anders werd gedaan dan herhalen wat reeds door de generale synode van 1905 was vastgesteld!

Met niets ontziende felheid ging toen de Schildergroep tegen deze leeruitspraken te keer. Op grond van wat niet anders is dan een caricatuur-voorstelling van art. 31 der Kerkenorde, verklaarden Prof. Schilder en velen der zijnen de leeruitspraken niet voor vast en bondig. En ze wekten kerkeraden en kerkleden hartstochtelijk op hetzelfde te doen.

Da.t was voluit kerkelijke revolutie. En toen kwam de ellende!

De sjoiodes moesten toen immers wel optreden! Ze m, ochten niet met zich laten spelen. En ze hadden de roeping „de rust" en „de vrede" en „de eenheid" der kerken te bewaren. Daarom moest dat revolutiepogen met krachtige middelen worden tegengestaan. En aan de factievorming moest eens en voor goed een einde worden gemaakt.

En zo zijn de synoden toen tegen Prof. Schilder en zijn bondgenoot Prof. Greijdanus opgetreden. Ze moesten.

AanvankeUjk deden ze dat zeer lankmoedig. Maar toen bleek, dat er met deze hoogleraren niet te praten was, tastten ze krachtig door! De twee Kamper professoren holden immers steeds door op het fatale pad.

En ten slotte werden de synoden gedwongen, hoe ellendig dat ook was, Schilder en Greijdanus en hun medestanders met de kerkeüjke tucht aan te pakken en hen te schorsen, af te zetten of uit het ambt te weren.

Dit is — zo beweert men — de feitehjke historie van het kerkehjk conflict.

Men houde dit goed voor ogen.

Om de leer uit sprak en ging het in feite niet. Het ging om heel wat anders. Het ging om de macht! De synoden kregen te doen met een verderfelijke , , geest", die de kerken bedreigde en die, het koste wat het koste, moest gebroken worden.

Wat zullen vrij tegenover deze radicale ver-tekening van de feiten zeggen?

Drie dingen.

Vooreerst: indien de zaken zó staan, dan zijn de vooraanstaande figuren welke zich tegen de synoden en haar besluiten keerden een stel immorele schavuiten of een groepje beklagenswaardige verbhnden.

Want als hun verzet tegen de leeruitspraken niets dan een voorwendsel was, waarmee de eigenlijke verborgen bedoelingen gecamoufleerd moesten worden, dan is hun actie zo intens gemeen geweest, dat er geen woorden zijn om die naar recht en waarheid te kwalificeren.

En als ze te goeder trouw waren, als ze dus eerüjk meenden tegen een bepaalde leerconstructie en een nieuwe wijze van kerkregeren te moeten vechten, terwijl toch in feite gans andere motieven hen dreven, dan waren en zijn zij zó verblind dat er geen helpen aan is.

Dit zeggen we eerst.

Maar daarna nog wat.

Indien de synode optreden moest tegen dwarsdrij-Viers, recalcitranten, oproermakers, dus tegen een bepaalde „geest" — moest ze dan daarvoor. 1 e e r u i t-

spraken maken, of leeniitspraken met alle macht Als waarheden Gods h a n d h a v e n ?

Een leidende figuur uit de gebonden kerken verklaarde eenmaal: wij moesten een eind maken aan partijvorming, factie-zucht, gekonkel enz. Die leeruitspraken heeft de duivel er helaas ter onzaliger ure tussen geworpen!

Is zó werkelijk de situatie?

Maar waarom eiste men dan, dat leeruitsprake'n als goddel ij ke w a a r h e d e n ge-, a c c e p t e e r d zouden worden? En waarom werd dan de handhaving daarvan als het bewaren van het heilig p a t r i m o n i u m voorgesteld? En waarom werd altijd over het verwerpen van die l e e r u i t s p r a k e n vonnis gestreken?

En ten slotte nog dit.

En ten slotte nog dit. Indien de mannen van de gebonden kerken menen "wat ze zeggen, n.l. dat de leeruitspraken enz. niet de eigenlijke oorzaak zijn van de kerkelijke breuk; indien ze werkelijk menen wat ze zeggen, n.l. dat de moeiUjkheden op een ander niveau Uggen, en v/el in sectarlsme, machtsbegeren, kortom in een kwade „geest" — laat men dan, al is het wel héél erg laat, de zaak eindelijk eens zuiver stellen, laat men haar dan inderdaad plaatsen op diat niveau, waarop ze, naar men beweert, in werkelijkheid ligt.

Dat wil zeggen: laat men dan leeruitspraken en schorsingen wegdoen en zien wat geschiedt!

Als men werkelijk tegen een verkeerde geest streed, dan zal dat zó uitkomen!

Laat men het dan aandurven met eigen beweren ernst te maken en de „vrijgemaakten" daarin te beproeven!

Zolang dit niet geschiedt, moeten en zullen wij ons houden aan de eigen, duidelijke, dodelijk ernstige, wijl voor Gods aangezicht gesproken synodale woorden en verrichte synodale daden, zoals die officieel zijn geboekstaafd en onveranderd gehandhaafd worden.

En wij verzekeren voor 's Heren aangezicht:

D a a r t e g e n ging en gaat onze strijd.

D a a r t e g e n zal hij blijven gaan.

Tegenover de boven getekende vervalsing der historie, die reeds duizenden slachtoffers maakte, is het weer nodig de nuchtere feiten voor ogen te houden en in het volle licht te plaatsen.

Die feiten zijn deze.

Van een factievonning als wordt geïnsinueerd was in de Geref. Kerken vóór 1940 geen enkel spoor te bekennen.

Er leefde alleen in heel velen', volkomen onafhankelijk van elkaar, een diepe zorg over de ontwikkeling der dingen ia de gereformeerde volksgroep.

Enerzijds werd de zoom waarin een grove verwereldlijking ten aanzien van huwelijk, opvoeding, zaken, conversatie, ontspanning duidelijk aan de dag trad, steeds breder.

Anderzijds werd een stroom van allerlei subjectivisme, die het ware leven uit het woord des Heren aantastte en deed tanen, steeds krachtiger.

Met het oog op dit tweeërlei verwordingsproces riepen heel velen tot. bezinning en wederkeer.

In die strijd kwamen de werkelijkheden van geloof, verbond, kerk, afval, steeds helderder voor veler geest te staan.

En ze getuigden van wat weer mochten zien. ze door Gods genade

Te onzaliger ure besloot toen de generale synode van 1936, zonder dat ze daartoe door ook maar één kerk was gevraagd, in te grijpen en plaatste de kwestie der „leergeschillen" op haar agenda.

Velen werden toen reeds, door de genomen besluiten, onder de verdenking van af te wijken van de belijdenis gebracht.

En als resultaat van deze en volgende synodale bemoeiingen werden ia de donkere oorlogsjaren onverwacht de leeruitspraken de kerken iageworpen.

De officiële Toelichting op deze besluiten maakte de strekkiag daarvan voor ieder duidehjk.

Van alle kanten rezen toen de bezwaren en onderscheidene bezwkarschriften daartegen kwamen in bij de synode van 1943—'45. Maar deze wees ze alle af. Ze decreteerde voorts, dat alle ambtsdragers niets mochten leren, dat met de betrokken leeruitspraken niet ten volle in overeenstemming was; riep de kerkeraden op om nauwkeurig toe te zien, dat elke propaganda, met name door ambtsdragers, tegen de aangenomen leer, niet alleen ia de eigenlijke, ambtelijke arbeid, maar ook in lezingen, geschriften en verenigingsarbeid, nagelaten werd; en verklaarde, dat de ambtsdragers welke zich niet naar deze voorschriften gedroegen, hun ambtseed braken''^).

Bovendien werden alle voorstellen om in dogmatisch opzicht enige „ruimte" te geven afgewezen.

Door de zaken zo scherp en ernstig te stellen werd voor de velen, die de leeoniitspraak omtrent het voor wedergeboren houden der kinderen niet konden aanvaarden als een Goddelijke waarheid — en die dus ook niet konden beloven niets te zullen leren dan wat daarmee ten volle in overeenstemming was — een zeer moeilijke situatie geschapen. Zij allen — leden, ambtsdragers, kerken — moesten, indien ze temniaste oprecht wilden wandelen, thans duidelijk spreken en handelen.

Wat deden ze toen?

Ze sloegen eenvoudig de weg in welke art. 31 der Kerkenordening wijst. Dat wil zeggen: z ij verklaarden, dat zij v o o r s h a n d s de in geding zijnde synodale besluiten niet zouden a a n v a a r d e n e n uitvoeren, terwijl zij zich met hun gefundeerde bezwaren tot de volgende synode zouden wenden.

Zo is immers, zoals we reeds zagen, de weg welke art. 3i wijst.

Dat is de strekking van het niet voor vast en bondig houden waarover dit art. spreekt.

Was niet steeds geleerd, ia de Geref. Kerken, dat, wanneer b.v. een kerkeraad na rijp beraad van oordeel is, dat een besluit van een meerdere vergadering ia strijd is met Gods Woord of met de Kerkenorde,

zo'n kerkeraad niet gehouden is dat besluit uit te voeren — natuurhjk onder voorwaarde, dat hij, ten overstaan van de meerdere vergadering, bij welke hij in appèl komt, het bewijs moet leveren, dat het besluit niet aanvaardbaar is? *").

Indien de synode deze sinds de doleantie steeds verdedigde hant e r i n g van art. 31 als j u i s t had erkend en dus had getolereerd, zou het conflict van 1944 nooit zijn losgebroken.

Maar het is toen geheel anders gelopen!

De synode sprak een vernietigend vonnis uit over hen, die op de zoeven omschreven wijze de leeruitspraken niet aanvaardden.

Wat dezen deden was naar haar oordeel:

„in wezen „muiterij in de kerken" " **') ;

„de in art. 80 K.O. genoemde zonde van scheurmaking";

, , wat in ons Avondmaalsformulier wordt omschreven als het begeeren aan te richten van tweedracht, secten en muiterij in kerken".

„Welbewust", zo lezen we, constateerde de synode daarin „de grove zonde van openbare scheurmaking en openlijke verachting der kerkelijke orde" *-).

Over Prof. Greijdanus oordeelde de synode, dat hij „tegen het vijfde en negende gebod, naar de uitlegging van den Heidelbergschen Catechismus" was „ingegaan" en dat hij de „kerkelijke vermaning hardnekkig" verwierp ^^).

De kerk van Bergschenhoek werd voorts uit het kerkverband gestoten. Op 1 Sept. 1944 besloot de synode immers „den schismatieken kerkeraad met wie zich onder zijn leiding stellen niet langer als Geref. Kerk in het verband van de Geref. Kerken in Nederland te beschouwen" 8^).

En een groot aantal leden van de kerkeraad van Kampen werd in die dagen door de synode geschorst en afgezet.

Deze kerkeraad had verklaard:

„dat hij genoemde broeder (prof. Schilder, lid van de kerk van Kampen) niet alleen niet mag excommuniceeren, maar ook zijn afzetting niet voor vast en bondig erkennen;

dat hij de binding aan de leeruitspraken van 1942 inzake het houden voor wedergeboren van het zaad des Verbonds om des gewetens wil evenmin aan anderen kan opleggen, als voor zichzelf aanvaarden;

dat hij er niet aan medewerken zal om genoemde hoogleraar evenals anderen om geUjke redenen geschorste of te schorsen ambtsdragers de weg naar de kansel te versperren" ^").

En overal ia den lande werden leden der kerk, welke verklaarden niet met de kerkelijke leeruitspraken te kunnen instemmen onder de kerkelijke censuur geplaatst en zo van de sacramenten geweerd ^'').

Met ongehoorde scherpte nam de Synode ten slotte afscheid van de vele, vele ambtsdragers, welke dóór of namens de Synode waren geschorst of afgezet.

Zij verzekerde in een brief aan de kerkeraden, welke evenmin als de synodale handeling tegen Bergschenhoek en de Kamper ambtsdragers in de Acta werd opgenomen, dat zij „geen woord te veel had gezegd" toen zij de daden van hen, die de leerbeslissingen, op de wijze als in art. 31 K.O. wordt omschreven, niet aanvaardden, als „IN WEZEN SCHEUR-MAKERIJ" en als „KERKONTBINDEND WERK" typeerde.

En zij riep de kerken met klem op „de door of namens deze synode geschorste ambtsdragers" NIET TE „ERKENNEN EN WEDEROM (TE) ONTVANGEN ALS WETTIGE AMBTSDRAGERS IN GODS KERK"»'').

Dit zijn de feiten.

De synoden hebben, door een leer, waarvan nog nooit bewezen is, dat zij naar de Schriften is, als goddel ij ke waarheid bindend aan de conscienties op te leggen en te bevelen dat alleen wat daarmee ten volle in overeenstemming is in de kerken geleerd mag worden, m e n s e n w o o r d e n tot goddel ij ke woorden verkl aa r d en in de kerken heerschappij gegeven.

Da synoden hebben, door ambtsdragers, welke zich om des gewetens •wil aan deze besluiten niet konden onderwerpen, daarom als zondaren te kwalificeren en met de kerkeüjke tucht te treffen, zich schuldig gemaakt aan een ergerlijkmis-' bruik van deze kerkelijke tucht.

Dit zijn de feiten.

En met deze feiten heeft ieder te maken.

Het ging en gaat niet om of tegen een of andereongrijpbare „geest".

Het ging en gaat w e 1 om deze publieke, voor Gods aangezicht gesproken woorden en verrichte daden.

Deze zijn geregistreerd op aarde en in de hemel en zijn tot op vandaag van kracht.

En van deze woorden en daden zeggen we, dat ze zonde zijn voor God, dat ze onze Heer Jezus Christus hebben bedroefd en vertoornd.

En al deze woorden en daden zijn tot op de huidige dag nog ten volle van kracht.

Ze zijn door de elkaar snel opeenvolgende synoden der gebonden kerken niet alleen niet gewijzigd — neen, ze zijn steeds door expresse, nieuwe besluiten be­ vestigd,


fO) Acta, art. 245, , 298. Bijlage LXXIV.

80) De Heraut, 1 Juni, 1919; Acta, synode van Leeuwarden, 1920, p. 113/4.

81) Schrijven van de synode van Utrecht aan de kerken, d.d. 25 Febr. 1944, Acta, p. 361.

82) ToeUchting op het synodebesluit tot schorsing van Prof. Dr K. Schilder, p. 18.

83) Acta, synode 1943/45, art. 518.

84) De Reformatie van 19 Oct., 9 en 16 Nov. 1946.

85) Acta, S5aiode 1949/50, pag. 511.

80) Zie: De Reformatie, 22e Jaarg., No. 35, 7 Juni 1947 e.v. In dat No. begon Ds Doekes een reeks artikelen onder de titel: De Zwarte Lijst, waarin hij de officiële gegevens publiceert over de zeer, zeer vele schorsingen, afzettingen en afhoudingen van het Avondmaal, welke in 1944 en volgende jaren plaatsvonden.

87) Schrijven van de synode aan de kerken d.d. 24^ Augustus 1944. Zie: Verslag-Scheps, p. 245 v.v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

ÉÉN HERDER.... ÉÉN KUDDE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1951

De Reformatie | 8 Pagina's