Van de Voleinding.
CXCIV. ZESDE REEKS. XVII. En gij, Bethlehem Ephratha; zijt gij liiein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israel, en wie ...
„En dat hii veel verdriet gehad heeft”.
e Dal hij ook alle zijne dagen in d\iisternisse gegeten heeft; en dat. hij veel verdriets gehnd lu'efi, ook zijne krankheid, en on^tuimigen' tnorn? Prediker 5 : 16. A'erdriet is een der droefste ervaringen van een liefde die.zii-h teleurgesteld voelt.Verdrie ...
Van de Voleinding.
CXCVII. ZESDE REEKS. XX. De heidenen zullen liet zien en beschaamd 7ijn, vanwege alle hunne macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hunne ooren zullen dool' worden. Mich. 7 : ...
„Ziet, Ik heb het ook gezien! spreekt de heere”.
Is dan dit Huis, dat naar mijnen naam genoemd is, in uwe oogen eene spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt de HEERE. Jeremia 7 : 11. Er ligt in dit korte zeggen iets dat ontroert. Liefst nemen we het nu niet in 't algemeen, van al onze zonden ...
Van de Voleinding
CXCVI. ZESDE REEKS. XIX. Gij zult Jakob de trouwe, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt. Micha 7 : 20. In den aanhef ...
„Zie, dat volk zal alleen wonen".
Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. Numeri 23 : 9. In onze gewone spreekmanier zou dit zeggen van Bileam niet spreken' van talleen won ...
Van de Voleinding
CXCVIll. ZESDE REEKS. XXI. Zie, op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet hooren. Vier uwe vierdagen, o Juda, betaal uwe geloften; want de Bélialsman ...
„Dit is Gods binger".
'I'oen zeiden de toovenaars tot Pharao; Dit is Gods vinger. Doch Pharao's hart verstijfde, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had. Exodus 8 : 19. Niet • alles wat ons gebeurt, maakt gelijken ndruk op ons gemoedsleven. Van vroeg - in den orge ...
Van de Voleinding
CXCIX. ZESDE REEKS. XXII. Alhoewel de vijgèboom niet bloeien zal, en geene vruci.t aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geene spijze voort ...
„Ons bleesch".
Komt, en laat ons liein aan deze Ism.-ielieten verkoopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons \-leesch. En zijne broeders hoorden naar hem. (lunchi.s .v : 27. Voor het verband in het gezinsleven is Jiida's zeggen over Jozef; > hij is ons ...