Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 355
Van Godes A,OmdathyVoorsienigheyt.351die tot redelicke schepselengemaektheeftV.Waerin bestaet het onderscheyt der regeeringeGodes over de Engelen en menschen, ende over de andere schepselen? A. Dat hy haer, nevens ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 356
Van Godes352Voorsienigheyt.dat ik sal verdoemt zijn, soo moet ick verdoemt sijn^ noch soo wel? A. Ja. d V. Waer door worden deze menschen verleyt tot dese onbesuystheyt ? A. Dat sy den verborgenen wille Godts den regel haers bedrijf maken willen, d V. Evenwel, wat kan een men ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 357
Van Godes353Voorsienigheyt.en daerbeneven vooi: het toekomende alle mijn betrouwen van alle creaturen af te trecken, ende alleen op Godt te stellen. V. Kondt ghy hier door vermaent werden om geduldigh te zijn in tegenspoet? A. Ja. V. Hoe? A. Dat ick weet, dat alle het gene my ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 358
Van Godes354 A. Uyt schietGVoorsienigheyt.myaenmerckinge van het goet datge-is.V. Alle geluck en voorspoet, vruchtbaerheyt spijse ende dranck, rijckdom ende gesontheyt, &c. komt dat van Godt? A. Ja: Psalm 127. 2. 't Is te vergeefs dat gh ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 359
,Van Godes db355Voorsienigheyt.V. Maer seght my eens kortelick waer in dese danckbaerheyt tegen Godt bestaet? A. In hem met herte ende monde te roemen ende te prijsen, van wegen alle het groote goet dat de Heere ons gedaen heeft, als oock in een gedurigeb ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 360
,,Van Godes356Voorsienigheyt.heyt Godts oock nootsakelick te geloovenomde eereGodts? dA. Ja. V. Indiense nootsakelick is te gelooven om de eere Godts soo yemant dan loochent de scheppinge ende voorsienigheyt Godts loochent hy dan alle de eyg ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 364
Van den Name360Jesus.A. Ja. V. Wie? A. Josua de sone Nun. c V. Wie al meer? A. Jesus Bethsamita, 1. Sam. 6. 14. Josua de overste van Jerusalem, 2. Keg. 23. 8. Jesus de Hoogepriester, Zach. 3. 1. V. Maer en is' er geen onderscheyt tusschen dese c mannen die dese namen gedragen ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 361
Van GodesVoorsienigheyt.357V. Hoe doet hy dat? A. Om dat hy middelen geeft ende bestuert, waer door den armen mensche beyde in het geestelick ende in het tijdelick kan behouden werden. V. Betoont Godt door sijne voorsichtigheyt dathy is een al-onderhoudende Godt? A. Ja. V. Ho ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 362
Van den Name358Jesus.V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy is een rechtveerdigh Godt? A. Aen de dreygementen des Heeren te gedencken. V. Wat leert ghy daer uyt, dat hij is een barmd hertigh Godt? A. Niet af keerigh te zijn van den Heere maer mijn toevlucht tot hem te nemen, d V. ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 363
Van den Name359Jesus.die hem alleen voor den volkomen Salighniet en houden, Vrage 30. V. Hoe veel namen heeft de Sone Godts? A. Twee , namelick Jesus , Christus.looven,maker,V.Welckisuwes Salighmakers voornaem?A. Jesus. ...