I. Naar aanleiding van het onderwijs-debat in de Kamer. - pagina 156
12 te
beoordeelen, welke Vrije scholen goed, welke onvoldoende zijnvoor zichzelf uit te maken welke, om met de toenmalige Eegeering te spreken, al dan niet „op goede grondslagen gevestigd^ziin en zich in een bloeienden staat bevinden?" Terwijl intusschen aan de Gemeentebesturen de beantwoording dezer vraag ten plicht is gesteld, eer ze het bestek van het
Openbaar schoolwezen kunnen opmaken, onthoudt onze slordige Schoolwet aan de Gemeentebesturen elk middel, om tot een eerlijk, weigewikt en rijp oordeel ten deze te komen. Hierin moet dus voorzien. Niet ter wille van het reedtutie-stelse], maar ook zonder dat. Ware onze Schoolwet, vergeleken met die van andere landen, ook als voortbrengsel van wetgevenden arbeid, ook uit administratief en paedagogisch oogpunt, niet zoo uiterst gebrekkitr, slordig en onvolledig, er zou reeds in 1857 in deze leemte voorzien zijn.
Een uitdrukking
als die van Art. 16 „in een voor de bevolking de behoefte voldoend getal scholen," kan er in een kinder-opstel door, maar ontsiert elke schoolregeling en behoort in een wet met thuis. Ze is een vage algemeenheid, die, gelijk ze daar staat, voor uitvoering onvatbaar is en de deur openzet voor willekeur, plichtverzuim en plagerij. Er dient derhalve in onze Schoolwet eene bepaling opgenomen, die voor de Gemeentebesturen elke onzekerheid opheft en hen naar vasten maatstaf kan doen beslissen, voor hoeveel schoolruimte zij te zorgen hebben. Daartoe dient vastgesteld l». hoeveel kubieke el schoolruimte elk kind moet hebben; 2. voor hoeveel kinderen door ouders of voogden voor elk schooljaar toegang op de Openbare school wordt verlangd; S», hoeveel kinderen hoogstens op één school mogen saarazitten; 4. voor hoeveel kinderen, op hoogstens drie kwartier atstands van de bestaande scholen wonend, oprichting eener buurtschool verplichtend zal wezen en 5. hoe groot het aantal kinderen zal zijn, waarvoor in een hulpvertrek, school kan worden gehouden. Geeft de wet hieromtrent stellige voorschriften, dan weet men waaraan zich te houden; valt de administratieve controle licht; en zullen we ook ten dezen opzichte uit bet rijk der willekeur nd^Sit den Rechtsstaat verhuisd zijn. Bepaalde men b. v.: 1. dat op de gewone lagere school de schoolruimte voor elk kjnd drie kubieke el moest bedragen; 2. dat het schooljaar loopen zou van 1 October tot 30 September; 3. dat in de maand Januari een lijst zou worden vastgesteld van kinderen, voor wie in het nieuwe schooljaar toegang op de Openbare school wordt verlangd; 4. dat het Gemeentebestuur zorg had te dragen dat op 1 November voor dit aantal, vermeerderd met 15 tot 5 procent, de vereischte schoolruimte aanwezig was; 5». dat op één school hoogstens 400 kinderen mogen saamzitten; 6. dat zoodra het aantal kinderen meer dan 12 bedraagt, een afzonderlijk schooUocaal moet gebouwd worden, en zoolang dit getal onder de
en
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's