I. Naar aanleiding van het onderwijs-debat in de Kamer. - pagina 17
17 adres van antwoord op de Troonrede den wensch uitgedrukt, dat de beginselen van de onderwijswet mogten gehandhaafd en heDe Minister zweeg daarop, en ik wil niet ontveinveiligd worden. zen dat dit zwijgen bij mij een oogenblik bevreemding.wekte. Maar even spoedig is die bev^reemding toch geweken en omgeslagen in tevredenheid, ja zelfs tot dankbaarheid, toen wij den Minister in antwoord op de interpellatie van den heer van Zuijien in deze Kamer hoorden verklaren de eenige beginselen, die ik voorsta zijn: niet wijziging van art. 194 (nu dit wist ik, en al zou ik dit anders wenschen, onder 's hands moet ik hierin wel berusten) en de openbare school bruikbaar en toegankelijk voor allen. Intusschen die verklaring kon den Minister in het vuur der improvisatie ziJQ ontsnapt zonder zijne pensee' intime volledig nit te drukken. Maar neen, in de Memorie vdn Beantwoording op hoofdstuk I is hetzelfde nog eens letterlijk herhaald, onder bijvoeging dat in den boezem der Regering in dezen geest over "de zaak was besloten. Dit laatste mogt men stilzwijgend veronderstellen. Immers, geen Ministerie kan aan de groene tafel gaan zitten met het voornemen om dé schoolwet te herzien, zonder vooraf te weten op welke basis. Wanneer nu de schoolwet gewijzigd zal worden overeenkomstig de belangen der natie, slechts onder dit ééne voorbehoud, dat de openbare school bruikbaar en toegankelijk zij voor allen, dan vraag ik wat zou ik beter wenschen? Ik heb daarmede volkomen vrede. Ik moet zelfs verklaren dat, indien ik mijnerzijds een minimum van behoud van beginselen in de schoolwet had moeten aanwijzen, mijne minimaalrekening waarschijnlijk niet zoo laag zou hebben durven gaan. Is er dan ondubbelzinnigheid? Ik geloof het allezins. Ik vind de verklaring uitermate duidelijk. Voor mij blijft, als ik de verklaring lees en herlees, geen enkele vraag over. Maar toch algemeen denkt men er niet zoo over. Sommigen meenen dat er nog zekere onbepaaldheid, zekere duisterheid in ligt. En daarom wenschte ik wel dat de Minister kon goedvinden alsnog een toestemmend antwoord te geven op deze vraag: is het door u aangegeven beginsel, dat de openbare school bruikbaar en toegankelijk voor allen zij, het eenige beginsel dat gij in de bestaande schoolwet wenscht te maintineren ? Oordeelt de Minister van Binnenlandsche Zaken intusschen want in staatkundige zaken geldt de eisch der voorzigtigheid dat het niet geraden is op die vraag nu reeds een pertinent antwoord te geven, dan ben ik bereid te wachten. iVJaar moet er toch gewacht worden, dan bestede men dien tijd des wachtens op doeltreffende wijs. Bijvoorbeeld door te benoemen, wat het belang dezer materie wel waard is, hetgeen de Engelschen noemen: a royal commission. De heer ïhorbecke oordeelde in zijn » Brief over het Geldersch polderreglement" dat zelfs voor die zaak het benoemen van zulk eene commissie, niet eenvoudig eene Staatscommissie van advies, maar eene commissie waarbij alle belanghebbenden hunne wenschen en belangen kunnen bekend maken hoogst wenschelijk, zoo niet noodzakelijk ware geweest. Welnu, ik maak in zake het onderwijs zijne woorden tot de mijne: »Moet niet zulk zijn
:
.
:
— —
—
—
•
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's