I. Naar aanleiding van het onderwijs-debat in de Kamer. - pagina 38
En ook nu zijn het weer de belijders, van God Abrahams, Izaaks en Jacobs, die met geen andei-^ vraag den machthebbende kwamen, dan dat ze het gelootsoffer aan God mogen toewijden: hier de harten hunner kinderen. ."
raël niet laten trekken."
dien tot
dien
kan daarom niemand, en allerminst de woordvoerders van Liberalisme, verwonderen, dat we, op onze beurt in Exodus' geschiedrol naar een teekenend beeld voor de zich" aan ons opdringende gedachte om ziende, het nieuwe legercommando, dat onlangs in hun slagorde is uitgegaan niet beter meenen te kunnen kenschetsen, dan als een Faraos- antwoord op de bede, het beklag en den conscientiekreet van het Christelijk deel der natie. Er was een levensteeken onder de voorstanders van het vrije onderwijs. Na lange voorbereiding een kleine triomf, Blijkbare vermeerdering althans van onze geestverwanten bij de stembus.
Het
ons
Dat mocht
niet gedoogd „Zie, dus spraken de Egyptische raadslieden, dezes reede te veel. Hoe nu, zoudt ge hen doen rusten van !
volks
is ai-
hun lasten?"
,,En ten zelven dage ging het woord uit onder de aandrijvers onder het volk en deszelfs ambtlieden, zeggende Verhard den dienst dezer lieden, want zij gaan ledig. Daarom roepen zij, zeggende Laat ons onzen God offeren." »Men verzware den dienst over deze mannen, dat ze daaraan te doen hebben en zich niet vergapen op leugenachtige woorden !" Een recht was gevraagd. Verergering van onrecht is de bedreiging, waarmee men ons antwoordt. Een reckt. Het recht dat aan Israël in Egypte, dat aan elk vrijgeboren man, dat aan eiken mensch toekomt, en niet dan door dwingelandij hem kan verkort of ontzegd worden het recht, om met zijn kinderen God te dienen naar de inspraak van zijn hart. Te dienen, niet slechts in de ure des gebeds of bij den eeredienst maar naar den eisch van alle ware vroomheid, in zijn leven zelf, in al zijn levensbetrekkingen, bij de heilige taak der opvoeding :
:
;
allermeest.
En wat bood men ons Lange jaren niets.
?
Eerst hield men zich, als vorstond men ons niet. Dat was ideologentaal, dweepziek gekeuvel, reactionair bedrijf, onbekendheid met de eerste eischen van* ons nieuwe Staatsrecht, een stoken van twist en tweedracht, misbruik van heilige termen ter bereiking van doeleinden, die het licht niet mochten zien. Kerkelijke deSpotie lag in het hart: de roep om staatkundige vrijheid op 'de lippen Zoo wilde men onze klacht eerst doodzwijgea, toen door spot !
ontwapenen, ten slotte tei'zij zetten met een hooghartige machtspreuk. Hoe we ook riepen en klaagden, men bleef onvermurwbaar, onverbiddelijk. Wie zou ook vergen kunnen, dat ter wille van zulk een nauw noembaar belang als de consciëntievrijheid, een zoo onovertreffelijke modelwet als onze schoolordinantie van '57 werd herzien
!
Harde jaren hebben we^ onder
dit liefdeloos
stelsel,
door partij-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's