I. Naar aanleiding van het onderwijs-debat in de Kamer. - pagina 30
30
Wee
Zóó de tyrauny der kleine kerkdespoten. peyne voor de mala fide mishandelden pleit We gaan nog verder.
Kappeyne heeft een v?ysgeerigen blik, die waarheid, ook in ons streven huldigen doet. Er
is
iets ridderlijks in
hunner, als Kap-
hem
een deel vatn '
zijn aard.
Niet hij zal een steentje werpen door het glasvenster op den Korten Vijverberg. Ook Groen van Prinsterer beitelt hij een nis in zijn pantheon. Op gevaar af van de ongenade zyner partijkameraden te beloopen, pluist hij met kennelijk genot de vezels uiteen van het rag, dat men contrat social noemde. Het dogma van het individualisme keurt hij even valsch, onzinnig en onredelijk als Groen. Zoover waagt hy zich, dat hij den Goudschen afgevaardigde toegeeft: mits voor den Staat zekerheid besta, dat het volksonderwijs degelijk zij, is elk stelsel Virtus et in hoste laudauda
»Ding
op het
mij
uitnemende,
ook
goed. in
uw
felsten
wederpartij der,
nooit af!"
Die spreuk gedachtig, wilden we eere geven aan zijn kennis, aan zyn hart, aan zijn karakter een eerepenning voor den plakkaatschrijver munten, óók uit de gewaagde ironie van het » onschul;
dig
lam.''''
een der klassiekste ornamenten van de Staten-Generaal. met wien debat over beginselen een debater, met wien, zonder beduchtheid voor schending van krijgsraanseer, een lansstoot in het open vizier te wagen is. Er zijn er niet velen, die als hij, door de staketsels heen, naar de kern der dingen grijpen, en aldus ten schild en rondas zijn tegen de in slijk gedoopte pijlen van de nijdige zielloozé sleur. » Vroom" noemden onze middeneeuwsche ridders zulk een wakker Hij
is
Een
ons
wijsgeer,
;
kameraad.
Een biddp.r,
» vroom" krijgsknecht! beduidde maar een onweerstaanbaren ridder.
een godyruchtigen Niet wie godvreezend,
niet
maar wie dapper was,
heette vroom. dien zin tvroorn'' is Kappeyne; dat ieder het toesterame. Hoe dan aan zulk een vroomheid zich zooveel hilterheid paren kan ? Hij stelde zelf het probleem Bitter en Vroo^i Tastend naar een oplossing sprak hij van een » Satan, die zich hult in een lichtgewaad der Engelen."
In
;
Wij wenschen kalmer
Meer
!
te blijven.
de beeldspraak van het lam. Ook, als Kappeyne zelf, is de Schrifttaai »Er zijn er die in de lammervacht tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven!" Dit passen we niet op den Haarlemschen afgevaardigde toe. We eiteeren slechts. Allicht brengt het ons op het spoor! in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's