Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

DE AFSCHEIDING VAN 1834 ALS REFERENTIEKADER

H. Bouwman en de gereformeerde kerkgeschiedschrijving inzake Nederland en de Verenigde Staten in de negentiende eeuw

33 minuten leestijd

H. Bouwman en de gereformeerde kerkgeschiedschrijving inzake Nederland en de Verenigde Staten in de negentiende eeuw

Inleiding

Harm Bouwman (1863-1933) is de eerste kerkhistoricus aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken te Kampen, die behalve theologisch docent ook historisch onderzoeker en geschiedschrijver was - met name op het gebied van de geschiedenis van de Afscheiding van 1834. Zijn voorgangers aan de in 1854 gestichte School, Simon van Velzen (1809-1896) en Douwe Klazes Wielenga (1842-1902), hadden niet zonder degelijkheid de kerkgeschiedenis gedoceerd, maar van zelfstandig historisch onderzoek naar de recente kerkgeschiedenis of van geschiedschrijving die meer bood dan een apologie was slechts in beperkte mate sprake geweest. Met het aantreden van Bouwman in 1902 werd de geschiedschrijving van de Afscheiding een Kamper specialiteit en kreeg het vak kerkgeschiedenis een onafhankelijker positie ten opzichte van de overige theologische vakken en de kerkelijke actualiteit. 1 Bouwmans opvolger dr. G.M. den Hartogh (1899-1959) werkte met diverse studies over de Afscheiding voort in diens lijn. 2

In dezelfde periode dat Bouwman werkzaam was als kerkhistoricus, werkten in de Amerikaanse gereformeerde kerken twee kerkhistorici, die afkomstig waren uit Nederland en ook over de geschiedenis van de afgescheidenen publiceerden: Henry Beets

Dr. G. Harinck (Joh. Bosboomstraat 37, 3817 DP Amersfoort), directeur van het Archief en Documentatiecentrum te Kampen, wetenschappelijk medewerker van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) (vu Amsterdam).

(1869-1947) en Henry E. Dosker (1855-1926). Dosker was van 1894 tot 1903 hoogleraar kerkgeschiedenis aan Western Theological Seminary van de Reformed Church in America te Holland, Michigan, en trad in hetzelfde jaar als Bouwman op als hoogleraar kerkgeschiedenis aan het Presbyterian Theological Seminary te Louisville, Kentucky; 3 zijn voornaamste historische publicatie betrof de biografie van de predikant A.C. van Raalte, stichter van de Nederlandse kolonie te Michigan. 4 Henry Beets, predikant van de Christian Reformed Church, publiceerde in 1918 zijn invloedrijkste historische werk, De Christelijke Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika. 5 Hij had geen leeropdracht voor de kerkgeschiedenis, maar was in feite de historicus van zijn kerkelijke denominatie.

Om ons een indruk van Bouwmans historiografie te vormen, zal eerst aandacht worden besteed aan zijn persoon en opleiding, waarna zijn voornaamste werk wordt besproken en op een enkel onderdeel vergeleken met werk van Dosker en Beets. .

Afkomst en vorming

Gegevens over het persoonlijke leven van Bouwman zijn er nauwelijks. Afgezien van persartikelen ter gelegenheid van zijn jubilea en bij zijn overlijden is er weinig over hem gepubliceerd. n e-6 Hij heeft geen archief nagelaten, terwijl de inhoud van enkele elders bewaarde brieven van zijn hand nauwelijks gegevens bieden over zijn persoon. Voor zover hij zich in correspondentie bloot gaf, treedt daaruit een open en hartelijk, maar nuchter en zakelijk man naar voren. 7 Op foto's valt zijn robuuste, ontspannen houding op, alsmede zijn zelfbewuste, maar gemoedelijke blik.

Bouwman werd geboren op 30 augustus 1863 te Uithuizen in de provincie Groningen. Zijn grootvader Ocke Bouwman (1795-1847) was een der eerste afgescheidenen van het dorp. Zijn vader Jan Okkes Bouwman (1830-1899) en zijn jong gestorven moeder Cornelia Nicolaas Sietsema (1838-1866) stamden beiden uit een boerengeslacht. Ze genoten aanzien binnen de afgescheiden gemeenschap, waar ze van jongs af aan toe behoorden. Bouwmans oudste broer Okke (1859-1941) nam in 1900 de boerderij over en gold medio 1920 als misschien niet de rijkste, maar wel de voornaamste van de gereformeerde boeren in Uithuizen. 8

Harm, de jongste van drie zonen, groeide dus op in een agrarisch milieu en volgde aanvankelijk ook een opleiding in de landbouw. Later wendde hij zich tot de theologie, maar om zijn academische toga bleef de geur van het land en het gewas hangen. In zijn boek Amerika (1912) - een reisverslag van zijn namens de Gereformeerde Kerken afgelegde bezoek van 1910 aan de Amerikaanse zusterkerk de Christian Reformed Church - brak zijn voorliefde voor het platteland herhaaldelijk heen door zijn kerkelijke beschouwingen. Bouwman beschreef met een geoefend oog de variëteit aan gewassen die hij onderweg in Michigan en Iowa aantrof en maakte opmerkingen over de vruchtbaarheid van de grond. De theoloog met het boerenhart had aandacht voor de praktische zijde van het predikantenbestaan op het platteland van Iowa, getuige deze observatie in zijn reisverslag:

Eigenaardig is het leven van de predikanten in deze uitgestrekte landbouwstreek. De predikant is de vaderlijke leidsman en vriend der gemeente, die met zijne leden meeleeft, en dien men gaarne zoo nu en dan bij zich aan huis ontvangt. Daarvoor heeft hij noodig een paard en rijtuig, want de afstanden zijn groot; sommige leden der gemeente wonen vier a acht mijlen van de kerk, en de niet verharde wegen zijn in sommige tijden van het jaar onbegaanbaar. Voorts heeft de predikant zijn eigen koe terwille van de melk, en wijl hij zich niet de weelde van een knecht kan veroorloven, moet hij zelf zijn koe melken, zelf zijn vee verzorgen, enz. Deze toestanden merkte ik ten plattelande herhaaldelijk op. 9

De predikantenzonen en theologen Herman Bavinck en Abraham Kuyper, die eveneens de Nederlandse gemeenschappen in het Midden-Westen bezochten en hun indrukken daaromtrent op papier hebben gezet, misten voor het opmerken van deze prozaïsche werkelijkheid de benodigde boerenachtergrond.

Bouwman studeerde vanaf 1886 aan de Kamper Theologische School en vanaf 1887 ook aan de kleine theologische faculteit van de Stedelijke Universiteit van Amsterdam. 10 Zijn afgescheiden afkomst verraadde zich in zijn aanvankelijke weigering zijn schre-

den naar de Vrije Universiteit te richten, omdat deze de examens van Kampen niet erkende.

Bouwman bewoog zich vrijmoedig in Amsterdams moderne theologische kringen. Zijn belangstelling ging in deze jaren niet zozeer uit naar de kerkgeschiedenis als wel naar de exegese. Hij liep college bij de vader van de modernistische Hollandse radicale school, de nieuwtestamentius A.D. Loman, en gedurende het cursusjaar 1888-1889 bijvoorbeeld ook bij één van de beroemdste kerkverlaters van het negentiende-eeuwse Nederland, de welsprekende hoogleraar esthetiek Allard Pierson, evenals in die jaren de letterkundigen Frederik van Eeden en Albert Verwey en de architect H.P. Berlage deden. 11

De weigering college te lopen aan de Vrije Universiteit was waarschijnlijk eerder ingegeven door een zekere vrees voor de organisatiedrang en het zelfbewustzijn van de dolerenden, dan door steekhoudende bezwaren - een houding jegens Kuyper en de zijnen die men in die dagen onder afgescheidenen wel vaker aantrof. Het duurde in elk geval niet lang, of Bouwman schoof toch aan in de collegebanken van de Vrije Universiteit om Kuyper te horen. 12 Bouwman vond dus buiten Kampen een veelheid aan leermeesters, en van uiteenlopende overtuiging.

Overziet men Bouwmans gehele leven, dan zijn de enkele Amsterdamse studiejaren slechts een korte episode geweest. Het vervolg van zijn leven zou hem maken tot een typische vertegenwoordiger van de traditie van de Afscheiding en een verdediger van de Theologische School. Terecht zei de Kamper pro-rector prof. dr. S. Greijdanus in 1933 bij Bouwmans overlijden: 'Eigenlijk hangt heel het leven van prof. Bouwman met zijn arbeiden en zijne beteekenis gedurende de laatste dertig jaar samen met zijn verbondenheid in dien tijd aan de Theologische School als hoogleeraar.' 13 Maar hoe kort ook, van belang is zijn Amsterdamse tijd wel geweest. Meer dan veel van zijn Kamper studiegenoten had hij in de academische wereld om zich heen gekeken, en wist hij uit ondervinding wat er in de theologie van zijn dagen te koop was. In dit opzicht doet Bouwman aan Herman Bavinck (1854-1921) denken, in 1874 de eerste theologiestudent uit Kamper kring, die zijn studie aan een universiteit vervolgde. Bavinck erkende later aan de Leidse universiteit geleerd te hebben de theologische tegenstander

te waarderen, maar tevens dat zijn kinderlijk geloof hem aan de academie ontnomen was. 14 Het wekt geen verbazing dat Bouwman binnen de Kamper kring van leermeesters zich vooral aangetrokken voelde tot de in 1882 benoemde docent Bavinck. Deze genoot omstreeks 1890 onder de studenten algemeen de voorkeur als 'the scholar and the orator' 15 onder de docenten, maar Bouwman had met hem bovendien een hecht persoonlijk contact. Volgens prof. dr. A. Noordtzij, die Bouwman later in de docentenkring te Kampen meemaakte, was Bavinck de leermeester van Bouwman, 'aan wien hij boven alle andere gehecht was'. 16

In 1893 gehuwd met Freerkje Dijksterhuis (1870-1941) uit het Groningse Garmerwolde en predikant geworden in de juist verenigde Gereformeerde Kerken, eerst te Berlicum, in 1897 te Hattem, werkte hij aan zijn dissertatie. Hij werd daarin geadviseerd en aangemoedigd door Bavinck, in die jaren voor en achter de schermen de stimulator van studie en bezinning bij veel gereformeerde theologanten. Op 14 maart 1899 promoveerde Bouwman aan de Stedelijke Universiteit te Amsterdam - de Kamper opleiding had tot na de Tweede Wereldoorlog geen promotierecht - op een proefschrift over Het begrip gerechtigheid in het Oude Testament. Zijn promotor was J.C. Matthes, de zwager en geestverwant van de beroemde Leidse moderne theoloog en oudtestamenticus Abraham Kuenen.

De keuze voor deze Amsterdamse universiteit en voor deze promotor toont dat hij de omgang met andersdenkenden niet schuwde en dat hij zich er in zijn waarde gelaten achtte. Hierbij dient wel te worden aangetekend, dat deze keuze vermoedelijk mede samenhing met de zwakke bezetting van de oudtestamentische leerstoel aan de Vrije Universiteit na het vertrek van Ph.J. Hoedemaker in 1887 en vóór de komst van C. van Gelderen in 1902.

Voor het in zijn proefschrift behandelde begrip gerechtigheid, verdiepte hij zich in het in vele opzichten vernieuwende historisch-kritische onderzoek van het Oude Testament, dat met name in de tweede helft van de negentiende eeuw een hoge vlucht nam en toonaangevend werd. Hij verwerkte de resultaten daarvan, maar distantieerde zich van het kritische standpunt van deze onderzoekers - men denke aan Franz Delitzsch (1813-1890), Julius Well-

hausen (1844-1918) en Gustaf Dalman (1855-1941): 'Ik stel mij op het standpunt, waarop de boeken des O.T. zichzelve plaatsen. Voor mij zijn de boeken des O.T. evenals die des N.T., het Woord van God, dat wil beoordeeld worden, zooals het zich aandient.' 17 Hoewel Matthes zich in menig opzicht niet met Bouwmans standpunt en beschouwingen kon verenigen, 18 verhinderde hem dat niet als diens promotor op te treden. Dit zal mede te maken hebben gehad met het feit, dat het verschil in standpunt bij dit onderzoek niet tot een wezenlijk ander onderzoeksresultaat had geleid, omdat de betekenis van het begrip gerechtigheid in de loop van de geschiedenis van Israël zeer weinig veranderd was. 19

Maar keren wij terug naar Bouwman als predikant in de Gereformeerde Kerken. Te Hattem kreeg hij vanaf 1901 als curator van de Theologische School namens de provinciale synode van Overijssel weer volop te maken met de opleiding.

De Kamper Schoolgeschiedenis kent haar nachten. Juist toen de Kamper opleiding in 1902 met het vertrek van Bavinck en Biesterveld naar de Vrije Universiteit haar einde nabij leek, werd Bouwman, op dat moment één van de curatoren van de School, er benoemd als hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht. Na aarzeling nam Bouwman de benoeming aan 20 en stelde zich daarmee aan de wieg van een nieuwe levensfase voor Kampen, met enkele goede hoogleraren en veel studenten.

Als hoogleraar onderscheidde Bouwman zich door zijn politieke en internationale belangstelling. Evenals zijn broer Okke was hij actief binnen de Antirevolutionaire Partij: hij was lid van het centraal comité, voorzitter van het provinciaal comité te Overijssel en van de kiesvereniging te Kampen. In het Kamper orgaan De Bazuin schreef hij veel en met kennis van zaken over de gereformeerde gemeenschappen in Duitsland, Hongarije en de Verenigde Staten. Hij bezocht Duitsland vele malen en sprak in 1923 te Emden op een conferentie samen met de nieuwe ster aan de theologische hemel, Karl Barth, in wie de gereformeerden toen nog een geestverwant meenden te herkennen. In 1910 reisde hij door de Verenigde Staten en in de jaren twintig bezocht hij driemaal Hongarije. Hij verkreeg aldaar in 1930 een eredoctoraat van de theologische faculteit van de universiteit te Debreczen en

in 1931 een ereprofessoraat van de Theologische Hogeschool te Papa - nog immer een stad waarmee Kampen de stedeband onderhoudt. Ook was hij - als één van de weinige gereformeerden - actief in de Nederlandse afdeling van de Wereldbond van Vriendschap door de Kerken. 21 Bouwman overleed op 8 februari 1933, juist voor de zomer waarin hij de emeritaatgerechtigde leeftijd zou bereiken. Hij had nog de kopij gereed gemaakt voor de voltooiing van de publicatie, die de meeste invloed heeft geoefend op de praktijk binnen de Gereformeerde Kerken: zijn Gereformeerd kerkrecht. 22 Het eerste deel hiervan had hij in 1928 gepubliceerd, het tweede werd in 1934 bezorgd door zijn collega-hoogleraar T. Hoekstra.

Historische publicaties

Bouwmans benoeming tot kerkhistoricus vloeide niet voort uit de richting die zijn studie had genomen. Eén ding had Bouwman als buitenstaander echter mee bij het betreden van zijn nieuwe vakgebied: kennis van de historische methode. Gevormd door moderne hoogleraren was hij als oudtestamenticus bekend met bronnen en met historisch-kritisch onderzoek. Zijn op 11 februari 1903 uitgesproken inaugurele rede over Het object der kerkgeschiedenis legt hiervan echter geen getuigenis af. Het is een formeel relaas over de definitie van het begrip kerkgeschiedenis en de discussie daarover in de voorgaande halve eeuw, maar niet een rede over en vanuit het vak zelf. Natuurlijk was geschiedenis destijds nog nauwelijks een zelfstandige wetenschappelijke discipline en bovendien gold de theologie nog als de koningin der wetenschappen. Maar het geding over de definitie was op de wijze waarop Bouwman het had geformuleerd nauwelijks een historisch probleem, veeleer een theologisch vraagstuk - het verbaast niet dat zijn leidraad geen historisch werk was, maar Kuypers Encyclopedie der heilige godgeleerdheid? 3 Hoezeer de theoloog over de historicus heerste, bleek uit zijn definitie van kerkgeschiedenis als 'het regimen Christi, die door zijn Woord en Geest zijne kerk tot openbaring brengt, in stand houdt en voorbereidt tot de volkomene overwinning in zijn heerlijkheid, wanneer de zonde van de aarde is verbannen en God zal zijn alles in allen'. 24 In deze definitie is veel dogmatische geschiedbeschouwing aan te treffen, maar weinig geschiedenis,

veel van het bestuur van het Godsrijk, maar weinig van de potentiële onderdanen van dat rijk.

Het is niet, dat Bouwman in het geheel geen oog had voor het feit dat de kerkgeschiedenis echte geschiedenis is. Hij prees de aandacht van de marxistische geschiedschrijving voor aardse aspecten van de kerkgeschiedenis en merkte bijvoorbeeld op: 'De kerk van Christus drijft niet als een oliedrop op de wateren, maar treedt in in het volle, rijke menschenleven, leeft mede in de nooden, in de behoeften en in de zonden van de menschheid.' 25 Maar deze constatering had in het geheel van het betoog het karakter van een pro memorie-post. Geheel onbegrijpelijk is dit niet, als men bedenkt dat Bouwman als oudtestamenticus was gevormd, en eerst op 18 december 1902 - nauwelijks twee maanden voor zijn inauguratie - de benoeming tot kerkhistoricus had aangenomen. Veel meer dan het resultaat van een korte, selectieve literatuurstudie 26 kon op dat moment moeilijk van hem verwacht worden.

Om Bouwman als kerkhistoricus te waarderen, doet men - in plaats van zijn inaugurele rede op te slaan - beter, zich te wenden tot zijn uit geschiedkundig oogpunt belangwekkender publicaties, die bovendien bij hun verschijnen aandacht trokken:27 Amerika. Schetsen en herinneringen uit 1912, De crisis der jeugd. Eenige bladzijden uit de geschiedenis van de kerken der Afscheiding uit 1914; daarnaast valt te noemen zijn - hier buiten beschouwing blijvende - in 1924 verschenen Onder veilige hoede. De Theologische School te Kampen gedurende de jaren 1854-1924.

De crisis der jeugd is het bewijs dat Bouwman zich serieus en met succes heeft ingewerkt in zijn nieuwe vakgebied. Op basis van zelfstandig onderzoek naar de kerkelijke geschiedenis van de eerste twintig jaar na de Afscheiding van 1834 presenteerde hij in kort bestek een nieuw, coherent en afgewogen beeld van deze periode. Zijn typering van deze periode van de jonge kerkengroep als 'crisis der jeugd' heeft algemene bekendheid gekregen en zijn in dit boek neergelegde bevindingen spelen nog steeds een rol in de geschiedschrijving over dit tijdperk.

De kern van het boek wordt gevormd door de geschiedenis van . de synodale vergaderingen van 1843, die Bouwman beschreef aan de hand van een verzameling stukken, die hij te Amsterdam had

ontdekt en die hij deels als bijlage afdrukte. Zijn verhaal is sober gesteld. Deze synode was volgens Bouwman het dieptepunt in de jonge geschiedenis van de afgescheiden kerken, omdat daar zo duidelijk bleek dat het aan onderling vertrouwen en krachtige leiding ontbrak. Na het overlijden in 1842 van de eerste leider van de afgescheidenen, Hendrik de Cock, was er niemand in zijn plaats getreden, die de polarisatie binnen afgescheiden kring kon doen afzwakken, laat staan wegnemen.

Opmerkelijk is niet zozeer dat H.P. Scholte, maar met name Bouwmans voorganger Simon van Velzen in verband met dit gebrek door de auteur werden bekritiseerd. Inzake de 'kruidje-roerme-niet-achtige' Scholte lag de kritiek voor de hand: Bouwman besprak diens afwijkende kerkbegrip en zijn dissidente kerkrechtelijke opvattingen, die aanvankelijk verborgen bleven, maar zijns inziens na 1834 allengs duidelijker aan het licht traden. 28 Maar lees dan wat hij over Van Velzen schrijft. Hoezeer deze in Bouwmans ogen ook gezond gereformeerd was, noemde hij deze niet alleen 'weinig meegaand, neigend naar oppositie', maar bovendien niet 'vrij van het doorzetten van eigen gevoelen'. Bouwman concludeerde hard, dat Van Velzen veel bedorven heeft in de jonge afgescheiden kerken. 29 Deze persoonlijke diskwalificaties vallen op in zijn zakelijk betoog, te meer waar Bouwman zich in de beschrijving van personen in het algemeen terughoudend opstelde.

Deze doorgaans betoonde gereserveerdheid paste bij zijn historische methode. Centraal in zijn relaas stonden de bronnen: officiële verslagen en andere stukken van kerkelijke vergaderingen. Feitelijk beperkte hij de scopus van zijn geschiedschrijving tot de reikwijdte van deze bronnen. Dit leidde tot een blikvernauwing. Hoewel hij aan het begin van zijn verhaal had aangegeven, dat de geschiedenis van de Afscheiding ten nauwste samenhing met de tijd, waarin de Afscheiding plaats vond, met de toestand van het kerkelijke en het godsdienstige leven in het algemeen, met de stand van de theologie en niet in het minst met de leidende persoonlijkheden binnen de afgescheiden kerken, bleef het - uitgezonderd dan zijn opmerkingen over Van Velzen - bij deze kaleidoscopische opmerking. De kerkelijke en culturele omgeving waarin de afgescheiden kerken optraden kwam in het vervolg niet in zicht, evenmin het leven van deze kerken, dat er, buiten de ker-

kelijke vergaderingen en theologische disputen om, ongetwijfeld is geweest.

Als sleutel tot de vroege geschiedenis van de afgescheiden kerken hanteerde hij het geschil over het kerkbegrip en de kerkenordening, dat hoofdzakelijk liep tussen Scholte en diens naar independentisme neigende opvattingen enerzijds en De Cock en Van Velzen als bepleiters van een op belijdenis en kerkorde rustend akkoord van kerkelijk samenleven anderzijds. Bouwman beschreef de geschiedenis van de Afscheiding als een geschiedenis die zich in een historisch vacuüm scheen af te spelen en waarin personen veeleer optraden als dragers van theologische ideeën, dan als mensen van vlees en bloed. Binnen dit raam konden de karakterzwakheden van Van Velzen en de overdrijvingen van De Cock in Bouwmans beoordeling nooit opwegen tegen de afwijkende theologische standpunten van Scholte en dus heette het bij hem terecht: exit Scholte.

Het illustreert de invloed van de geschiedschrijver Bouwman dat zijn typering 'crisis der jeugd' een begrip is geworden. Los daarvan staat de vraag of de woorden hier gelukkig zijn gekozen. Wij beseffen dat niet meer zo, maar De crisis der jeugd was anno 1914 - mede vanwege Bouwmans scherpe oordelen - een in menig opzicht voor gereformeerden onthutsende, volgens de hervormde J.H. Gunning JHzn. zelfs psychopathische geschiedenis. 30 Sommige recensenten reageerden op het onthullende relaas met af te dingen op het woord 'crisis'; anderen lazen opgelucht het woord 'jeugd' als Bouwmans sein dat het ziekteproces geheel verleden tijd was. 31 Men achtte het in elk geval begrijpelijk dat de auteur aan het eind van zijn relaas verzuchtte: 'Wat zou er van de kerken der scheiding zijn terecht gekomen, indien de menschen haar hadden moeten handhaven'. 32

De uitdrukking 'crisis der jeugd' impliceert dat de afgescheiden kerken de turbulente beginperiode als onderdeel van een natuurlijk groeiproces wel moésten doormaken en dat de kerken na deze moeilijke periode tot een 'normale ontwikkeling en groei' 33 waren gekomen. Maar de vraag is of het historisch proces wel zo natuurlijk is verlopen en wat een normale ontwikkeling mag heten. Deze laatste vraag klemt te meer, daar zich met de Afscheiding van 1834 een novum had voorgedaan in de Nederlandse kerkgeschiedenis:

het ontstaan tegenover de nationale kerk van de hervorming van een concurrerende kerk met dezelfde belijdenis.

Naast een persoonlijk engagement, een sobere verteltrant op basis van officiële stukken en een theologische invalshoek dient aan de typologie van de kerkgeschiedschrijving van Bouwman dus nog te worden toegevoegd worden het kenmerk: 'eind goed, al goed'. De crisis der jeugd is dan de poort naar de volwassenheid, de doorgang naar een nieuw evenwicht op een hoger plan. Geschiedenissen lopen bij Bouwman steeds zonnig af, of het nu die van de kerken van de Afscheiding betrof, of het verhaal van de eerste zeventig jaar van de Theologische School. Geheel ongerechtvaardigd was dit excelsior niet, want de weg van het merendeel van de afgescheiden kerken via de Vereniging van 1892 was bepaald niet ongelukkig. En Bouwman schreef bovendien in de jaren dat nog slechts enkelen het voorgevoel hadden dat het toen bloeiende gereformeerde leven een nieuwe crisis te wachten stond.

Afscheiding in Amerika

Gegeven Bouwmans geschiedschrijving inzake de afgescheiden kerken in hun beginjaren is het interessant dat hij in zijn boek Amerika. Schetsen en herinneringen ook de vroege kerkelijke geschiedenis heeft beschreven van de onder leiding van Van Raalte in 1847 gestichte kolonie van Nederlandse emigranten in West-Michigan.

De eerste emigranten in Michigan - afgescheidenen - leefden nog sterk onder de indruk van de onwelwillende bejegening die zij van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Nederlandse overheid hadden ondervonden. De predikant van de Second Reformed Church te Albany, New York - dr. Isaac N. Wyckoff - ondervond dit toen hij in 1849 namens zijn oorspronkelijk Nederlandse, maar inmiddels veramerikaniseerde kerkgemeenschap de Nederlandse emigrantengemeenschap in Michigan bezocht. Op zijn uitnodiging zich bij zijn kerkgenootschap aan te sluiten, merkte hij aarzeling op. De kolonisten hadden vanaf hun aankomst in New York weliswaar veel steun ontvangen van de Reformed Church - ook in de vorm van kredietverlening - , maar, zo schreef Wyckoff in zijn rapport aan de generale synode van zijn kerk: 'Zij hebben den zwaren en knellenden keten der kerkelijke heerschappij zozeer gevoeld, en hebben

zoo met smart gezien hoe een nauwkeurig bepaalde organisatie, overeenkomstig menschelijke regels, aan de eene zijde tot vormelijkheid, en aan de andere zijde tot onderdrukking des gewetens leidt, dat zij nauwelijks weten wat te zeggen' , 34 Nederlandse toestanden beheersten nog de gedachten van de kolonisten. Wyckoff wist hen over de brug te trekken met zijn voorstel, dat de afgescheidenen in geval van aansluiting bij de Reformed Church de vrijheid behielden, om de band weer op te zeggen, indien zij 'te eeniger tijd eene kerkelijke verbintenis bevonden te strijden met hun godsdienstigen bloei of genot'. 35 Op deze basis, waarbij de Reformed Church als een hotel-kerk in Amerikaanse zin figureerde, sloot de kerk in de kolonie zich in 1850 als afzonderlijke classis Holland aan bij dit kerkgenootschap. De kolonisten maakten het hun weldoeners naar de zin, zonder het afscheidings-sentiment geweld aan te doen.

De verbintenis hield echter, zoals bekend, niet ongeschonden stand en in 1857 scheidde een klein deel van de kolonisten zich weer af, met een beroep op Wyckoff's bepaling, dat de band verbroken mocht worden, indien het niet beviel in de Reformed Church. Het merendeel bleef echter in de Reformed Church, waaronder de kolonistenleider Van Raalte.

De kerkhistoricus Henry Dosker, evenals Bouwman van afgescheiden herkomst, had zich na zijn emigratie naar de Verenigde Staten in 1873 aangesloten bij de Reformed Church. Hij ontkende in zijn biografie over Van Raalte niet dat er gebreken kleefden aan deze kerk, maar hij was van mening, dat het overeenkomstig de Nederlandse geloofsbelijdenis plicht van de eerste afgescheiden emigranten was geweest zich bij deze kerk te voegen. Dit oordeel hing samen met zijn opvatting van de Afscheiding van 1834. Het bepalende geschilpunt onder de afgescheidenen in de eerste decennia betrof zijns inziens niet de vragen wie tot de kerk behoorden en hoe deze diende te worden bestuurd, zoals Bouwman meende, maar de vraag of afscheiding van de Hervormde Kerk een onvermijdelijk noodmiddel was of een aantrekkelijk einddoel. 36 Van Raalte en Dosker in zijn spoor verdedigden de Afscheiding als noodmiddel. Daarom voegde Van Raalte zich in de Verenigde Staten weer bij de Reformed Church, 'de oude kerk, die hij liefhad en noode verliet'. 37 Hij meende in den vreemde terug te vinden wat

hij in Nederland had verloren. Volgens Van Raalte was het uiteengaan van 1857 de openbaring van een sektegeest, in zijn ogen dezelfde die in Nederland de Afscheiding als einddoel beschouwde. 38

Hoe oordeelde de rechtzinnige afgescheiden Bouwman over deze aansluiting, bij een kerk waarin de klant koning leek en waarin afgescheidenen zich dit lieten welgevallen? Bouwman volgde in zijn boek Amerika in grote lijnen het in 1907 bij het vijftigjarig bestaan van de Christian Reformed Church geformuleerde oordeel over het ontstaan van deze kerken van Henry Beets, 39 die hij persoonlijk kende. Bouwman had Beets in 1902 op de synode te Arnhem ontmoet, in 1910 hadden zij samen door Amerika gereisd en in later jaren bezochten ze tweemaal samen gereformeerde gemeenschappen in Duitsland.

Beets had in 1907 geschreven dat de aansluiting van 1850 onwettig was, omdat bij dit besluit ernstige vormfouten waren gemaakt; zo hadden de ambtsdragers verzuimd de gemeenten te raadplegen over de aansluiting bij de Reformed Church. De stichting van de Christian Reformed Church in 1857 werd door Beets vervolgens als wettig beoordeeld, onder meer met beroep op de door Wyckoff aan de afgescheidenen geboden mogelijkheid 'to check out anytime you like'. Terwijl Dosker dus de aansluiting van 1850 goedkeurde en de breuk van 1857 veroordeelde, keurden Beets en Bouwman de aansluiting af en verdedigden ze de scheiding.

Bouwman nuanceerde Beets' standpunt echter wel op een enkel punt. Zo ging het hem te ver de aansluiting van 1850 'onwettig' te noemen. Zeker, er waren vormfouten gemaakt. Maar zwaarder dan dit formele bezwaar woog voor Bouwman het materiële punt, 'dat de pas aangekomenen eigenlijk niet wisten, wat zij deden, bij welke kerk zij zich aansloten'. 40 Hier ging het wat Bouwman betreft dus niet om een crisis der jeugd, maar om jeugdige onbezonnenheid. Zo streng als hij in Nederland over Scholte's relatieve waardering van het kerkverband had geoordeeld, zo mild was hij hier over de kerkrechtelijke lichtvaardigheid van de kolonisten.

Maar nu verder over de scheuring van 1857. Spoedig na de aansluiting ontstond er zoals gezegd onder de kolonisten toch onvrede over de Reformed Church. Deze onvrede leidde tot enig zelfonder-

zoek. Als deze kerk niet bevalt, wat is dan onze kerkelijke eigenheid? Wat hield het precies in om een Nederlandse afgescheidene te zijn in Amerika, en wat waren de voorwaarden om dat in dit vreemde land te blijven? Het antwoord van Van Raalte's biograaf Henry Dosker was duidelijk: de Afscheiding van 1834 was geen gewenste scheiding geweest; deze scheiding mocht dus in Amerika door de aansluiting bij een geestverwante kerk zoals de Reformed Church weer ongedaan worden gemaakt. Volgens Dosker mocht afscheiding 'slechts resultaat zijn van desperatie, - en', zo voegde hij er in een brief aan Ph.J. Hoedemaker aan toe, 'het geloovig kind Gods wanhoopt niet spoedig.' 41 Desperatie was er in 1834 in Nederland, maar ze ontbrak in de jaren vijftig in Michigan, aldus Dosker.

Waar stond in deze kwestie Bouwman, die toch een andere opvatting had van de Afscheiding dan Dosker? Bouwman schaarde zich zonder reserve aan de zijde van Beets. De scheuring van 1857 was even terecht als de Nederlandse Afscheiding van 1834. Hij achtte de scheuring juridisch gewettigd, en bovendien gerechtvaardigd door de geschiedenis: de Christian Reformed Church bloeide immers in 1910. Eind goed, al goed. Er is echter één verschil in zijn beoordeling van de Amerikaanse scheiding ten opzichte van de Nederlandse. Terwijl hij in zijn geschiedschrijving van de Afscheiding de Hervormde Kerk uitdrukkelijk als 'vals' kwalificeerde, 42 kwam hij in Beets' spoor ten aanzien van de Reformed Church niet verder, dan dat hij deze zwak noemde, dat zij niet geheel beantwoordde aan de idealen van de afgescheidenen en dat het beter geweest ware, indien de Nederlandse kolonisten in 1850 kerkelijk op zichzelf waren gebleven en alleen een vriendschappelijke relatie waren aangegaan met de Amerikaanse Reformed Church.

Nederlands interpretatiekader

Gegeven Bouwmans geschiedschrijving inzake de afgescheiden kerken is het interessant dat hij de geschiedenis van de Nederlandse gereformeerden in het negentiende-eeuwse Michigan in opzet identiek achtte aan die in Nederland. Deze zienswijze was niet uniek; ze werd ook gedeeld door Dosker en Beets en was gemeengoed onder hun gereformeerde tijdgenoten. Het accent dat de

drie kerkhistorici legden op het overeenkomende karakter en het gezamenlijke van de Nederlandse en Amerikaanse geschiedenis laat zich verklaren uit het feit, dat zij van Nederlandse afkomst waren en in hun onderzoek vooral aandacht hadden voor de Nederlandse gereformeerde theologie en het Dordtse kerkrecht, twee aspecten die de Nederlandse afgescheidenen en de Amerikaanse gereformeerden inderdaad gemeen hadden. Omdat deze historici weinig tot geen aandacht hadden voor andere aspecten, zoals de kerkelijk uiteenlopende achtergrond van de emigranten-groep of de van Nederland verschillende sociale en culturele omstandigheden in het Amerikaanse midden-westen, leek het in hun geschiedschrijving soms alsof al die Amerikaanse plaatsen met Hollandse namen gewoon in Nederland lagen.

De historici raakten verstrikt in hun eenzijdigheid bij de beschrijving van de aansluiting van 1850 en de scheur van 1857 in het licht van de Afscheiding van 1834. Hoewel zij er in hun werk soms blijk van gaven, dat de Nederlandse Afscheiding niet soortgelijk was aan wat later in de Verenigde Staten geschiedde, bleef toch die Nederlandse Afscheiding het kader, waarbinnen de Amerikaanse gebeurtenissen in 1850 en 1857 al dan niet positief werden geïnterpreteerd.

Zo schreef Dosker zonder commentaar, dat Van Raalte door zijn aansluiting bij de Reformed Church meende terug te keren in de kerk die hem in 1834 had buitengesloten - alsof de Reformed Church geen andere kerk was dan de Hervormde Kerk. Beets meende de scheiding van 1857 te rechtvaardigen met de constatering, dat de Reformed Church niet zo zuiver was als de afgescheiden kolonisten sinds 1834 in Nederland gewend waren - alsof de scheiding van 1857 wortelde in de Afscheiding van 1834. Vergeten werd dat in Michigan geen afzettingen en buitensluitingen plaats vonden door kerkelijke besturen, dat er in Michigan geen overheid was die vervolgde en dat in Michigan sociale tegenstellingen niet een rol in het kerkelijk conflict speelde als in Nederland.

Het is duidelijk dat de eerste historici van gereformeerd Michigan het Nederlandse interpretatiekader niet hebben bekritiseerd, maar bestendigd. Dit leidde niet alleen tot verwarring bij de beschrijving van de gebeurtenissen van de jaren veertig en vijftig, maar bijvoorbeeld ook bij het verstaan van de Vereniging van

1892. Toen in Nederland de dolerende kerken fuseerden met het merendeel van de afgescheiden kerken, meende menigeen in Michigan op grond van het interpretatiekader, dat ook daar het uur aangebroken was, om de scheiding der wegen van 1857 ongedaan te maken. Het zou een kleine eeuw duren, voordat het eigen karakter van het in 1846 aangevangen nieuwe hoofdstuk in de Amerikaanse gereformeerde kerkgeschiedenis beter werd gehonoreerd. 43 Tot die tijd kende de beleving en de geschiedschrijving van de gereformeerde Nederlandse Amerikanen twee zijden: enerzijds verlost te zijn van Nederlandse omstandigheden, anderzijds die omstandigheden als oriëntatiepunt niet kunnen missen. Het is het klassieke dilemma van de immigrant en het kon door de Nederlanders alleen overwonnen worden door Amerikaan te worden.

Slot

De Afscheiding van 1834 speelde een grote rol in Bouwmans familiegeschiedenis en ze was het centrale onderwerp van zijn geschiedschrijving. Met zijn publicaties heeft hij een belangrijke invloed geoefend op wat lang het historisch referentiekader van veel Nederlandse en Amerikaanse gereformeerden bleek te zijn: de Afscheiding van 1834.

Het recht van de Afscheiding was voor Bouwman boven discussie verheven. Door karakter en academische vorming had hij echter wel oog voor het betrekkelijke element in de geschiedenis. Dit uitte zich in zijn openlijke beschrijving van de menselijke zwakheden in de vroege geschiedenis van de afgescheiden kerken en zijn terughoudende beoordeling van de Amerikaanse scheiding en scheuring in de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw. Mede om deze reden kan Bouwman met recht de eerste kerkhistoricus aan de Kamper School worden genoemd, dat wil zeggen, een hoogleraar uit de afgescheiden traditie die behalve apologeet ook historisch onderzoeker en geschiedschrijver was.


1. Prof. dr. A. Noordtzij omschreef Bouwman als een hoogleraar, die, minder dan de voorgaande generaties Kamper docenten gehinderd werd door gebrekkig opgeleide studenten en kerkelijke problemen, zodat hij zich 'ten volle [heeft] kunnen geven aan zijn wetenschappelijken arbeid'. A. Noordtzij, 'Dr. H. Bouwman', in: Lustrumalmanak van het studentencorps 'Fides Quaerit Intellectum' 1934, Kampen, 1934, pag. 146.

2. Zie: Th.J.S. van Staalduine, 'Bibliografie', in: F. Rozemond en Th.J.S. van Staalduine, Prof. Dr. Gerrit Marinus den Hartogh (1899-1959). Inventaris van het archief en bibliografie. Kamper inventarisreeks 4, Kampen, 1999, pag. 102-120.

3. Dosker hield zijn inaugurele oratie op 2 mei 1904 - aan het eind van zijn eerste cursusjaar te Louisville - over 'The place of ecclesiastical history in the seminary curriculum'. Over Dosker, zie: Memorials. Rev. Henry Elias Dosker D.D. LL.D. L.H.D., uitgave van het Presbyterian Theological Seminary te Louisville, Kentucky, 1926. Aangetroffen in de Hope College Collection. Joint Archives of Holland, Holland, MI (USA).

4. Henry E. Dosker, Levensschets van rev. A. C van Raalte, D.D. ('een man krachtig in woorden en werken'). Een der vaders der 'Scheiding' in Nederland en stichter der Hollandsche koloniën in de staat Michigan, Noord- Amerika. Uit de oorspronk lijke bronnen bewerkt, Nijkerk, 1893, 335 pag.

5. Henry Beets, De Chr. Geref. Kerk in N.A. Zestig jaren van strijd en zegen, Grand Rapids, 1918, 439 pag- Over Beets zie: H.J. Brinks, 'Henry Beets, 1869-1947. A man for all seasons', in: Origins, XVI (1998), nr. 2, pag. 39-48.

6. Als enige van de Kamper hoogleraren uit zijn jaren is over Bouwman in de tweede druk van de Christelijke

encyclopedie geen lemma opgenomen.

7. Zie over Bouwmans persoon en karakter: Noordtzij, Bouwman, pag. 127, 139, 144. Vgl. K. Schilder in Mededeelingen van de Gereformeerde Kerken in de Classis Groningen, 28 april 1945: Bouwman 'was een 'Groninger', en was daar ook wel trotsch op, geloof ik. Hij heeft me vaak verzekerd, dat het niet waar was, dat de Groningers - zooals dat heet - koude, koele, ongemoedelijke menschen waren'.

8. Okke was tevens wethouder en lid van de Provinciale Staten voor de Antirevolutionaire Partij en kerkeraadslid. Zie: Berend de Groot, Retour Uithuizen, Groningen, 1982, pag. 24. Voor gegevens over het geslacht Bouwman, zie: Alje Bolt, 150 jaar Gereformeerde Kerk Uithuizen, Uithuizen, 1985, pag. 72- 77.

9. H. Bouwman, Amerika. Schetsen en herinneringen, Kampen, 1912, pag. 38-39.

10. Te Kampen was hij in 1886 één van de vijftien studenten die werden ingeschreven, te Amsterdam een jaar later één van de veertien.

11. Zie: Machteld Schelling-van der Laan, 'Kunst als geneesmiddel. Allard Pierson, de kunstgeschiedenis en de esthetica', in: De Negentiende Eeuw, XXI (1997), nr. l, pag. 43, 48 (themanummer 'Allard Pierson in een kenterende tijd'). Blijkens een opmerking van Bouwman in De Bazuin van 6 mei 1927 liep hij bij Pierson college over Lessing.

12. In 1888 werd Bouwman ingeschreven als student nr. 94 aan de Vrije Universiteit.

13 .De Bazuin, 17 februari 1933.

14. J. de Bruijn en G. Harinck (red.), Een Leidse vriendschap. De briefwisseling tussen Herman Bavinck en Christiaan Snouck Hurgronje, 1875-1921, Baarn, 1999, pag. 57, 81.

15. Aldus I. van Dellen, In God's Crucible. An Autobiography, Grand Rapids, 1950, pag. 39.

16. Noordtzij, Bouwman, pag. 141.

17. H. Bouwman, Het begrip gerechtigheid in het Oude Testament, diss., Kampen, 1899, pag. 33.

18. Aldus Bouwman in het woord vooraf bij zijn proefschrift.

19. Bouwman, Het begrip gerechtigheid, pag. 33-34.

20. Zie over de kritieke situatie ten tijde van Bouwmans benoeming: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, pag. 176- 189.

21. Zie: Harmjan Dam, De Wereldbond van Vriendschap door de Kerken, Kampen, 1996.

22. Twee delen, Kampen, 1928-1934, 639 en 704 pag.

23. Kuypers Encyclopaedie uit 1894 was voor Bouwman 'het middel in Gods hand geweest, waardoor zooveel onrust week en de rijkdom van ons gereformeerd belijden weer in volle heerlijkheid begon te schitteren.' Die onrust betrof religieuze twijfel, gewekt door de aanspraken van de wetenschap. Noordtzij, Bouwman, pag. 131.

24. H. Bouwman, Het object der kerkgeschiedenis, Kampen, 1903, pag. 24, 25.

25. Bouwman, Object der kerkgeschiedenis, pag. 29.

26. Hij baseerde zich met name op F.C. Baur, Die Epochen der kirchlichen Geschichtschreibung, Tübingen, 1852 en voor het historisch materialisme op recent werk van E. Bernheim, G.W. Kernkamp, O. Lorenz en M.W.F. Treub.

27. Zijn uitgaven kregen binnen eigen kring veelal een goede pers. Zie voor De crisis der jeugd een bespreking van prof. dr. H.H. Kuyper in De Heraut van 5 april 1914 en voor Onder veilige hoede een bespreking van dr. J.C. de Moor in De Heraut, 28 september 1924. Zie voorts recensieschriften van bij uitgeverij J.H. Kok verschenen publicaties van Bouwman. Archief-uitgeverij J.H Kok, Kampen.

28. H. Bouwman, De crisis der jeugd. Eenige bladzijden uit de geschiedenis van de kerken der Afscheiding. Opnieuw uitgegeven met een woord ter inleiding van dr. C. Smits, Kampen, 1976, pag. 11, 12, 23.

29. Bouwman, Crisis der jeugd, pag. 39.

30. Aldus J.H. Gunning JHzn. in Pniël. Recensieschrift Bouwman, De crisis der jeugd. Archief-Kok. Zeventig jaar na dato maakte een onderzoeker van de Afscheiding bezwaar tegen Bouwmans beschrijving van Van Velzen, die zijns inziens gebaseerd was op subjectieve informatie. Zie: C. Smits, 'De Afscheiding bewaard. De strijd van ds. S. van Velzen te Amsterdam', in: D. Deddens en J. Kamphuis (red.), Afscheiding - wederkeer. Opstellen over de Afscheiding van 1834, Haarlem, 1984, pag. 200.

31. De recensent van De crisis der jeugd in De Zeeuw meende de titel van het boek te kunnen opvatten als een excuus voor de vele twisten: 'Het opschrift is zeer juist gekozen, het was de crisis der jeugd, en dit verontschuldigt veel.' Recensieschrift De crisis der jeugd. Archief-Kok.

32. Bouwman, Crisis der jeugd, pag. 67.

33. Bouwman, Ibidem, pag. 7.

34. Bouwman, Amerika, pag. 133.

35. Ibidem, pag. 133.

36. Dosker, Levensschets van Van Raalte, pag. VIII.

37. Dosker, Ibidem.

38. Dosker, Ibidem, pag. 275.

39. H. Beets, 'De Christelijke Gereformeerde Kerk in haren oorsprong en worstelperiode', in: Gedenkboek van het vijftigjarig jubileum der Christelijke gereformeerde Kerk, A.D. 1857- 1907, Grand Rapids, 1907, pag. 3-48.

40. Bouwman, Amerika, pag. 137. J.A. Wormser, In twee werelddeelen. Het leven van Albertus Christiaan van Raalte, serie Een schat in aarden vaten, eerste serie, I, Nijverdal, 1915, pag. 200, is eveneens van mening dat gebrek aan voorkennis ten tijde van de aaneensluiting in 1850, veroorzaakt door overhaasting, de belangrijkste grond is geweest voor de latere scheuring in 1857.

41. Dosker aan Hoedemaker, 11 oktober 1883. Afschrift H E. Dosker- Collection. Joint Archives of Holland.

42. Vgl. H. Bouwman, De Afscheiding te Ulrum, Kampen, 1909, pag. 42: 'Al zou er formeel aanmerking op te maken zijn dat de Nederlandsche Hervormde Kerk voor valsche kerk werd verklaard, wijl het kerkbestuur De Cock niet had afgezet omdat hij den Christus predikte, maar omdat hij tegen de kerkelijke verordeningen handelde, maar materieel hadden zij in de acte van Afscheiding volkomen gelijk, omdat de synodalen menschengeboden hooger achtten dan het Woord Gods'.

43. Ik denk hier met name aan het historische werk van John H. Kromminga.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1999

DNK | 71 Pagina's

DE AFSCHEIDING VAN 1834 ALS REFERENTIEKADER

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1999

DNK | 71 Pagina's

PDF Bekijken