GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De doleerende kerk van Oudewater in ’t begin der 17de eeuw.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De doleerende kerk van Oudewater in ’t begin der 17de eeuw.

12 minuten leestijd

VIII.

De klove wordt steeds dieper.

Lydius behoorde tot die leeraren, die reeds bij het opkomen der Remonstrantsche doolleer de toekomst der kerk donker inzagen. In den jare 1612 had hij een adres 1) in gespierde bewoordingen gericht aan prins Maurits, dien de Gereformeerden als hun vriend beschouwden, gelijk de Remonstranten hem instinctmatig voor een tegenstander hielden 2). Het is een koninklijk woord aan den vorst, die in de voetstappen zijns vaders, den deorluchtigen vader des vaderlands, wandelde, waaruit wij Lydius als den echten Calvinist, alleen buigende voor het Woord van God, herkennen.

In dit adres spreekt Lydius van de droefheid dier oude Godzalige dienaren, die »midden in het vier, swaert, ja de doot selve, het Evangelium Christi voormaels in bosschen, ende struwelen met gevaer harer levens hebben gepredict, " die »ghedrongen door den Geest Godts, met eenen Godsalighen ijver dé altaren Baalis hebben omme gheworpen, de afgodendienaers verdreven'' en «gewillich lijdende de proscriptiën ende bannissementen des Anti-Christes over haer gegaan, .... »die met suchten tot den Heere, met cloeckmoedicheyt ende lijtsamicheijt in alle tegenspoet, naest Godt geweest zijn de grendelen en sterckfen des Lands, de seenuwen en de aderen der Politie, die het spitse afgebeten, het ijs gebroken, ende de sachte kussens die nu gebruijct werden, in goede ruste door Godts ghenade gheleijt hebben; " welke »nu staen met haere grijze coppen, suchten ende weenen dat zij nu sien, dat de Leere, om welckens wille sij soo veel smaet, smerten ende vreese gheleden hebben, so in twijfel wert ghetrocken, so dubieus voorghestelt, so besnoeijt ende besneden, dat men ze van de voorge vuijllicheijt des Antichristes niet alleen soberlic slecht can onderscheijden, maer dat se selve in vele delen van sommige schrickelicker als in den Pausdom werden voorgestelt. Sij beweeren, dat van soimnige alle oude ketterijen uit de gracht gehaelt werden, op hope oftse nu in desen hogen tijt op een merck moeten gebracht werden." Voorts zegt Lydius; dat het op te merken is, hoe het volk „een walghe tot dat Hemels Broodt" toonde, dat »voormaels onse lieve ouders so wel smaeckte, dat' men hem niet en ontsach 't selfde bij nachte, ' in kelders ende holen, in schueren, ende op solders te soecken."

Wij weerhouden ons nauwelijks om meer van dit adres af te schrijven, dat wij een der krachtigste getuigenissen van dien tijd tegen het - veldwinnend Remonstrantisme kunnen noemen.

l) Baudartius. Gedenkw. soo Kerckel. als Wereltsche Geschiedenissen. II. 93, 3) Wagenaar, XII bl. 58.

dankbaarheid voor eenige dagen aan zijn onderwijzer te leen.

En zoo werd het zaad des woords ook in het hart van Benjamin gestrooid óm op zijn tijd te ontkiemen. '

Nu moet ge weten, dat Benjamin, vóór hij met zijn onderwijs begon, aan Thomas dezelfde voorwaarde had gesteld als de soldaat hem zelf had gedaan, namelijk dat ook hij op zijn , beurt een ander de leeskunst zou leeren. Zoodra mogelijk had Thomas daaraan dan ook voldaan, en zelfs aan meer dan één zwarten broeder zijn kunst beproefd. Boven verwachting was dat gelukt, en daar bijna elk deed als aan hem was gedaan, en het leeren of liever 't onderwijzen al beter vlotte, konden na eenige jaren een groot aantal negers lezen Al wat maar gedrukt was en onder hun bereik viel werd tot oefening gebruikt, en de meesten hadden tegelijk ook wat schrijven aangeleerd.

Tot zoover was alles goedgegaan. Doch nu kwam er een donkere wolk opzetten.

Op zekeren avond ging de opzichter nog vrij laat — wat hij niet gewoon was — de hutten der negers langs. Daar zag hij hoe hier en daar groepjes bijeen zaten, aandachtig luisterende naar een die in het midden had plaats genomen en voorlas. Hij kon zijn oogen en ooren niet gelooven. 't Kon niet waar wezen. Waar en hoe hadden die negers dat geleerd? Hij moest en zou het weten! Met vloeken en scheldwoorden joeg hij de verschrikte negers uit elkaar en hun hutten in.

Den volgenden dag liet hij een der voorlezers bij zich komen, en vroeg wie hem dat lezen geleerd had.

De man aarzelde en zei eindelijk: »Thomas". »Laat hem hier komen!" riep de opzichter. Thomas kwam, en moest nu opbiechteni Hij had het geleerd van Langen Benjamin,

Nu moest deze verschijnen en vertellen hoe alles gebeurd was.

»Ik zal u wel vinden, " sprak de opzichter eindelijk. »Wat doet een neger te lezen? Werken — dat is uw zaak. Hoort gij. Maar ik zal wel zorgen dat ge weer afleert wat ge geleerd hebt-Wacht maar !''

Wat die bedreiging beteekende werd den armen Benjamin duidelijk gemaakt en zelfs zonder lang wachten. Reeds den dag daarna werden de negers bijeengeroepen en hun met ruwe woorden verteld, dat het hun streng verboden was lezen te leeren of ooit meer iets te leeren. Wie dat weer doen dorst, zei de goddelooze opzichter, , dien zou het gaan als thans Benjamin. En om dit duidelijk te maken werd deze voor aller oog gegrepen en met de zweep geslagen, tot het bloed bij zijn rug nederliep en hij van pijn ineenkromp. Dat was het loon dat blanke menschen, die Christenen heetten, den heiden gaven, voor het goede werk door hem verricht.

( Wordt vervolgd)

VOOR WEETGRAGE LEZERS

Er is dan, zooals we za£; en, een taal die door allen verstaan en begrepen wordt, die

Groot zal dan ook de vreugde van Lydius geweest zijn, dat hij Levinus De Raet tot ambtgenoot kreeg, die aanvankelijk beleed, dezelfde bezorgdheid voor het opnieuw uitbreken van Pelagiaansche en Ariaansche gevoelens te hebben als hij. Immers hij had zich met Lydius voor den Heere verbonden om den Remonstranten tegenstand te bieden; dikwijls had hij de broederen der classis, {e Berkenwoude en elders vergaderd, gebeden zich van de Remonstranten te scheiden. Toen was De Raet vuriger ijveraar geweest dan Lydius, daar deze laatste het uiteengaan toen tegengehouden had. Het was De Raet, die voor 10 gulden de eerste bevestiging gedaan had van de ouderlingen in de doleerende kerk van Rotterdam (i6n). Het was De-Raet, die zoo »vierich" te Amsterdam in een z. g. vergadering i) van correspondentie geweest was, dat hij, tehuis gekomen, den kerkeraad samenriep, en zijn medebroeders aanwees, hoezeer Arminius en Vorstius dwaalden; terwijl hij betoogde, hoe in de befaamde resolutie vele onwaarheden stonden 2). Maar... jammer genoeg heeft Levinus De Raet opnieuw getoond, dat men niet kan bouwen op menschen. Gelijk wij gezien hebben, was hij, toen het erop aankwam, der Remonstrantsche overheid in het gevlei gekomen. Eenmaal op dat hellend vlak gekomen, moest hij steeds verder afdalen. Kerkrechtelijk tegen Gods Woord gekozen hebbende, zou hij het ook openlijk in de leer doen.

Op den gen Juü 1616, des namiddags, is Lydius met de gemeente opgegaan en heeft plaatsgenomen in het »doophuisgen" der ruime St. Michielskerk, die eertijds, vóór het wandalisine dezer eeuw zijne verwoesting had aangericht, een heel wat heerlijker aanblik vertoonde dan tegenwoordig. Het is Levinus De Raet, die prediken zal over Zondag 23 van den Heid. Cat. Van Maerlant heeft naast Lydius plaatsgenomen. Als De Raet aan de uitlegging van de 6oste vraag gekomen is, kan Lydius zich nauwelijks bedwingen, omdat er zulk een valsche leer wordt voorgesteld. Hij maakt er dan ook ouderling Van Maerlant opmerkzaam op; want de prediker beweert, dat de 60ste vraag betrekking heeft op den onwedergeboren mensch. Na de predikatie zeide v. M. dat er recht geleerd was. Lydius vervoegde zich toen bij den oud-ouderling Visscher, die hem geheel gelijkgaf.

In de kerkekamer sprak Lydius De Raet daarover aan; doch deze hield zijn stuk staande, zijn tegenstander zelfs uitdagende tot een twistgesprek. Eerst wilde Lydius daar niet aan; er was volgens hem in Den Haag genoeg geredetwist; doch toen Levinus zeide dat hij zijn stuk niet kon staandehouden, en daarom uitvlucht zocht, werd er overeengekomen, dat men over het betwiste punt zou disputeeren. Den Ssten Juli kwam men dan ook daarvoor samen; doch het dispuut werd toen op 21 Juli verschoven. In dezelfde vergadering eischte G, Van Galen, door de overheid aangewezen om de kerkeraadsvergaderingen bij

i) Zie over deze vergaderingen van Correspondentie Trigland bl. 921.

2) Clachte den Ghemeynte tot Oudewater, Der ghener die houden bij de oude Religie bl. 13. '

In uw nummer van iS üezer stelt gij aan uwe lezers voor, dat Darby leerde, dat de kerk des N. V., evenals vroeger die des O, V, , tot afval gekomen is; dat zij daarom ook evenals die des O. V. afgehouwen en verworpen ts; Aa.\. er dus wel eene kerk des N. V. geweest was, maar dat zij thans niet meer is te vinden, tenzij dan als caricatuur. Verder intimeert gij dan, dat het bij Darby zoowat moest worden als bij die Christenen, welke nu alleen aandacht overhouden voor de bekeering der enkele zielen.

Gij ontleent de stof voor uwe voorstelling waarschijnlijk aan Darby's stukje »Apostacy of the successive dispensations" (1836), of »On the apostacy" (1840), of «Thoughts on Romans XI and on the responsibility of the church" (1844).-Ik zal daarom — waar ik trachten wil aan te toonen, dat uwe voorstelling niet juist is — aanhalingen doen uit diezelfde drie geschriften.

Vooraf dient als algeraeene opmerking, dat Darby spreekt over «dispensations", wel te onderscheiden van »de kerk'' als zoodanig. Wat hij met «dispensations" bedoelt, verklaart hijzelf. »The dispensations themselves all declare some leadingprinciple or interference of God, some condition in which He has placed man, principles which in themselves are everlastingly sanctioned of God, but in the course of those dispensations, placed responsibly in the hands of man for the display and discovery of whath he was and the bringing in their infallible establishment in Him to whom the glory of them all rightly belonged. It is not my intention to enter into any great detail, but to show simply how in every instance there was total andimmediate failure as regarded man, however the patience of God might tolerate and carry on by grace the dispensation, in which man had thus failed in the outset, and further that there is no instance of the restoration of a dispensation afforded us, though there might be partial revivals through faith."

Uit deze aanhaling blijkt, wat Darby's bedoeling is, wanneer hij het stukje »0n the apostacy" begint met: »I propose Baying .a few words on the very solemn subject of the apostacy of the dispensations.^'

Op een andere plaats, waar Darby spreekt over »The state of the church" (1842—43), zegt hij: »This expression: »the Jews have been cut off' is blamed. It is evident, that here the word »Jews" must be taken in the sense of »the Jewish dispensation", en eenige regels verder: »God wil equally put an end to this dispensation, which (the Jews having been set aside) is characterized as «salvation unto the Gentiles." This is after all what Mr. Rochat i) himself now acknowledges. I return to this infinite^ solemn truth, which I have at heart to place before the eyes of Christians, namely, that you, Gentiles, have been put under a responsibility analogous to that of the Jews, that you have failed as they have, and that you will l> e cut off as they have been. I do not mean that the judgment of God will reach all the faithful individually, but the whole system, in which you are and of which you form a part,

te wonen, dat men hem een keurstem geven zou. Levinus met den nieuwen kerkeraad vond dit goed, doch Lydius met den ouden kerkeraad wilde, dat hij niet anders dan adviseeren zou. In dezelfde vergadering werd Levinus aangezegd, dat hij niet tot het Avondmaal zou toegelaten worden, tenzij dat hij schuld wilde bekennen, omdat hij zich niet gestoord had aan het besluit der broeders. Dit werd door Van Galen opgevat, alsof men De Raet censureerde, omdat hij de resolutie der staten had aangenomen, en hij ontstak daarover in toorn. Het baatte niet of de diaken Bastiaensen hem al beter zocht in te lichten; deze kreeg allerlei scheldwoorden naar het hoofd, en het verwijt dat hij de geheele stad in roer stelde. Later erkende Van Galen, dat hij heftig gesproken had en Bastiaensen genoemd, doch den geheelen kerkeraad bedoeld had. Daarbij bleef het voorloopig.

Het dispuut was echter wel uit-, doch niet afgesteld. Lydius was door onderscheidene leeraren aangezocht aan de Overheid te verzoeken, dat aan beide partijen twee predikanten zouden worden toegevoegd. Den r4den Juli ging Lydius naar het stadhuis, - om dit tegen den 21 sten te verzoeken. Met de heeren daarover handelende, werd ook Levinus ontboden^ en toen ook deze in de raadkamer was gezeten, werden zij uitgenoodigd om den stand van de quaestie maar aanstonds bloot te leggen. Lang duurde toen reeds de woordenstrijd; o. a. vraagde De Raet aan Lydius, »of volgens hem in den Catechismus niets was, dat verbetering van noode had." Lydius' antwoord luidde: »in substantie is er niets." Triomfantelijk riep nu Levinus uit: »Mijne heeren, ziet hier is de man, die den Catechismus in éen graad met de Schrift houdt." Eindelijk werden de predikanten met den geheelen kerkeraad den 21 sten op het stadhuis bescheiden, opdat de leeraren mondeling disputeeren en elk het zijne bovendien in geschrift zoude overgeven; die schriften zou men teruggeven.

Zoo geschiedde dan ook. Levinus verdedigde het Pelagiaansche gevoelen, dat de onwedergeboren mensch, vóórdat God met zijne genade tot hem komt, over zijn zonde een hartelijk leedwezen heeft; de wedergeborene deed, volgens hem alleen dat, wat waarlijk goed mocht genoemd worden, al ware het, dat hij niet versierd werd met een tweede genade. Lydius weersprak dit op schriftuurlijke gronden. Bij het einde van den kampstrijd wilde de overheid haar oordeel uitspreken; doch Lydius met zijn aanhang verhinderde dit door op te staan.

Den 3den Aug. jjredikte Levinus voorbereiding voor het Avondmaal; den 7den te houden. In de kerkekamer vraagde Lydius, wanneer er Kerkeraadsvergadering zou gehouden worden om verslag van het huisbezoek te i doen. Immers Lydius had in zijn wijk velen »ongerust" gevonden en wist, dat er in het kwartier van zijn ambtgenoot nog meerderen «ontsteld'' waren. Levinus gaf te kennen, dat het samenkomen van den kerkeraad toch geen baat zou geven, omdat Van Galen en andere broederen weigerden ter vergadering te komen. Lydius' weerwoord was, dat hij veertien jaren te O. predikant luidde, en dat al dien

i) Het stiïk was e'en antwoord aan Mr. Rochat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 december 1888

De Heraut | 6 Pagina's

De doleerende kerk van Oudewater in ’t begin der 17de eeuw.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 december 1888

De Heraut | 6 Pagina's

PDF Bekijken