Collegiaal stelsel.
XIV.
Gelijk we zagen is het woord „Kerkgenootschap" op kerkelijk terrein ten onzent in 1773 binnengeleid door de nieuwe Psalmberijming, die in de eerste berijming van de Twaalf Geloofsartikelen zingen liet: 'k Geloof één kerk, éèa. algemeen genootschap.
Geheiligd, en vergaard door 'sHemels boodschap; Dat Christus' volk in heilgemeenschap leeft; enz.
Dit lied kwam in onze berijming van Datheen niet voor. Wel de dusgenaamde tweede berijming, die het woord genootschap niet heeft, Deze „Collegiale" berij-ming is ontleend aan de Honigraet van Hendrik Ghijsen, en eerst in 1773 door de Staten voor kerkelijk gebruik geijkt. Gelukkig wordt het nooit gezongen. Anders zou het in de Synodale kerk wonderwel op zijn plaats zijn.
ge Zien we nu, hoe het op magistraal bied toe ging.
In de Staatsregeling van 1798 lezen we voor het eerst in Art. 23: „Niemand zal met eenige orde's-kleed, van een kerklijk genootschap, buiten zijn kerkgebouw verschijnen, " en in Art. 21. „Elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijn eeredienst, deszelfs bedienaren en gestigten."
Is het dus 1773 dat het woord genootschap zijn officieele intrede op kerklijk terrein ten onzent hield, in 1798 geschiedde dit op Staatsterrein, en het is opmerkelijk, hoe sterk de Collegiale beteekenis van dat woord „genootschap" hierbij uitkomt, doordien het in Art. 23 als , ^kerklijk genootschap" wordt verklaard. Dit toch toont zoo duidelijk mogelijk, dat kerkelijk en kerk slechts als bijvoeging bedoeld was, en dat genootschap wel terdege het hoofdbegrip was geworden.
Toch hield het begrip , , genootschap" daarom nog niet aanstonds stand.
Wel bleef het in de Staatsregeling van 1801 en 1805, maar reeds koning Lodewijk Napoleon bande het in 1806 en sprak van „godsdiensten", „eerediensten" en „gejsindheden".
En toen na de afwerping van het Fransche juk een nieuwe Staatsregeling moest ontworpen, stelde Van Hogendorp een schets voor, waarin het woord „genootschap" of „kerkgenootschap" ganschelijk niet voorkwam.
Toch meed Van Hogendorp ook het woord „kerk", en stelde voor te spreken van „de Christelijke hervormde godsdienst", „andere godsdiensten" en „kerkelijke vergaderingen".
Zijn ontworpen artikelen luidden; Art. 60. Het onderhoud van de Christelijke hervormde Godsdienst, in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken, blijft als van ouds tot last van het Gemeene Land.
Art. 61. Alle andere Godsdiensten genieten de bescherming der Regering, en in zoodanige Provintie of Provintiën, waar de roomschcatholijken de meerderheid der ingezetenen uitmaken, wordt ook het onderhoud van die Godsdienst door het Gemeene Land gedragen, in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen aldaar niet toereiken. '\
Art. 62. Alle kerkelijke vergaderingen zijn ' wettig, mits dezelve verzoeken om commissa-i rissen politiek, door den Souvereinen Vorst aan \ te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets ' strijdigs met de wetten en de algemeene rust voorgenomen worde.
Dit vond men per slot van rekening echter te vaag uitgedrukt, en in de Grondwet van 1814 nam onze souvereine Vorst toen dit standpunt in: i". dat er sprake zou zijn van „de Christelijke hervormde godsdienst" en van > de Christelijke hervormde kerk", en 2". dat de overige zouden heeten „godsdiensten", „gezindheden" of ook „godsdienstige gezindheden, " ook al sloot hij in andere artikelen de hervormde kerk hierbij in.
Ziehier de artikelen: Art. 133. De Christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.
Art. 134, ie zinsnede. Aan alle bestaande Godsdiensten wordt gelijke bescherming verleend.
Art. 134, 2e zinsnede. De belijders van dezelve [de bestaande godsdiensten] genieten dezelfde burgerlijke voorregien en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
Art. 135. Alle openbare uitoefening van Godsdienst wordt toegelaten, voor zoo verre dezelve niet kan gerekend worden eenige stoornis aan de publieke orde en rust te zullen toebrengen.
Art. 136. Aan de Christelijke hervormde kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit 's Lands kasse van alle zoodanige tracte menten, pensioenen, weduwen-, kinder-, schoolen academie-gelden, als voormaals aan derzelver leeraren, het zij directelijk uit 's Lands kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten, zijn betaald geworden.
Art. 137. Van alle toelagen, welke laatstelijk aan de andere gezindheden uit 's Lands kas zijn toegestaan geweest, wordt almede het genot, bij voortduring, aan gemelde gezindheden toegekend.
Art. 138. In de behoeften van die gezindheden, welke tot hiertoe geene of min toereikende toelage van 's Lands wege genoten hebben, zal, op aanvrage daartoe te doen, in billijkheid door den Souvereinen Vorst, met overleg van de Staten Generaal, kunnen voorzien worden.
In 1815 bij de definitieve vaststelUng | der Grondwet die tot 1840, of wil men tot 1848 stand hield, plaatstt-men zich weer op een ander standpunt. Wel bleef het woord „kerkgenootschap" nog weg, maar ook het woord „kerk" wierd geschrapt, en van alle „kerken" wierd eenvouaig gesproken onder den term van „godsdienstige gezindheden" en „godsdiensten".
Art. 189. Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.
Art, 161. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
Art. 168. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blflven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Art. 194. De Koning zorgt dat geene Godsdienst gestoord worde, in de vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt.
Hij zorgt tevens dat alle de godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den staat.
De wijziging van 1840 kunnen we overslaan, als voor ons doel van geen beteekenis; maar wel zijn van eenig belang het Voorstel der negen leden uit 1844 en het Ontwerp van 1848.
In het Voorstel der negen leden van 1844 kwam aanstonds het rationalisme aan het woord, door het weer opnemen van de uitdrukking van „godsdienstigs begrippen".
Art. 159. De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen worde aan elk gewaarborgd.
En in het Ontwerp van 1848 wierd dit nóg verzwakt, door begrippen in „meeningen" te veranderen.
Art. 156. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid.
Toth behield ook dit ontwerp nog de uitdrukking » godsdienstige gezindheden" in Art. 160.
Art. 160. De tractementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, die in 1814 door de onderscheiden godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten werden, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's lands kas geen, of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
Maar in het daarop volgend artikel dook het booze woord „kerkgenootschappen" reeds in het Concept der negen leden van 1844 op» ^"^ wierd door het Concept van 1848 bijbehouden.
Dit toch luidde in beide concepten: De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.
Waarbij nog opmerkelijk was, dat in het Concept van 1848 althans nog met de plaatselijke kerken gerekend wierd, doch in tegenstelling met «genootschappen".
In art. toch; 162 van dit cjncept lezen wij Art. 162. De kerkgemeenten hebben de vrije keus harer leeraren, en het regt van briefwisseling met hare hoofden, gelijk dat om hunne kerkelijke voorschriften af te kondigen, behoudens de verantwoordelijkheid volgens de strafwet.
Schier geheel in aansluiting aan deze beide concepten nu is de Grondwet in 1848 geredigeerd, en kwam dus in onze officieele taal het drieërlei begrip: »godsdienstige meeningen", „godsdienstige gezindheden" en ^^kerkgenootschappen", die bij de Revisie vrn 1887 geen wijziging ondergingen.
Slechts in zooverre week de officieele redactie die thans nog peidt, van het Concept van 1844 en 1848 af, dat „de kerkgemeenten" wegvielen, en dat ook in het desbetreffend artikel het woord „kerkgenootschappen" insloop; met dit resultaat, dat het woord „kerkgenootschappen" thans in diie artikelen voorkomt, en het woord „godsdienstige gezindheden" alleen i behouden is in Art. 168 (i7l), dat aldus luidt: Art. i68. De traktementen, pensioenen en, andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezind-' h'den of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement geniet'^n, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
Hieruit ziet men, gelijk overigens ten duidelijkste uit de historie der Grondwet blijkt, dat het woord „kerkgenootschappen" allengs het pleit gewonnen heeft; ^^^ woord der Regeering is geworden; en in Att.
168 nog alleen gemeden wiera, om processueele moeielijkhcden te voorkomen.
In 1853 bij het ontwerp van een organieke wee op het kerkelijk leven, is de uitdrukking »kelkgenootschappen" dan ook de eenige en vaststaande die gebruikt wordt.
Het Collegiale stelsel triomfeerde op heel de linie.
Om het verloop kort te resumeeren, kan dus gezegd : Vóór 1798 weet de Oi^erheid officieel van geen „kerkgenootschap" af. Er is maar één „kerk", t. w. de „publycke Gertf'r-\ meerde kerk", ea daarnaast bestaan gedulde \ gezindheden.
1 In 1798 houdt, met de Revolutie en de Fransche begrippen ook het woord „kerklijk I genootschap" zijn intrede. De „publycke ! kerk" valt '^^Z-Men weet van geen ge-! zindheden. En al wat men kent zijn genootschappen, door de bijvoeging „kerk-I lijke" van andere corporaiifin en maati schappijen onderscheiden
In 1813 — 14 herletfc de ou : !e traditie, Het woujd „kerkgenootschap" verdwijnt weer. De „Christelijke Hervortndc kerk wordt alleen als „kerk' genoemd. Daarnaast staan gezindheden.
Dit duurde tot onze vereeniging met België, toe» in 1815 de Christelijke Hervormde kerk niet langer de eere kon blijven bezitten van alleen > kerk" te zijn. Vandaar dat destijds het geheele woord „kerk" wegviel en alle „kerken" uitsluitend als „gezindheden" optraden.
Eerst in 1844, toen met Thorbecke de beginselen der Fransche revolutie weer sterker op den voorgrond drongen, wierd ook het woord „kerkgenc> oïschap" weer opgenomen. Dit verschijnsel herhaalde zich in het Concept van 1848. Aldus kwam het in de Grondwet van 1848, en bleef er ook in 1887 staan.
Eïi dat zelfs met dien verstande, dat men het woord „godsdienstige gezindheïd" er door verving, met uitzondering van Art. 168, waar men het uit vrees voor processen niet schrappen dorst.
Kort geresumeerd, blijkt derhalve: l". dat het woord „kerkgenootschap" aan onze O veerheld vreemd was in de dagen vóór de Fransche revolutie.
2". dat het in 1798 met en door de Fransche revolutie hier binnenkwam.
3", dat het na de afwerping van het Fransche juk weer verdween.
En 4''. dat het in 1848, dank zij het nogmaals veldwinnen van de beginselen der Fransche revolutie, op Thorbeckes initiatief, weer binnensloop.
Bij keus moet daarom thans aan het woord „gezindheden" voorkeur gegeven: i". omdat dit reeds vóór de Fransche revolutie hier in gebruik was; 2". na de afwerping van het Fransche juk terugkwam; en 3". tegen den zin der Liberalen in Art. 168 is blijven staan.
„Gezindheden" duidt in dit historisch verband aan, dat de aldus aangeduide kerken geen staatskerken zijn.
Toch mag ook hierin niet gerust.
Het woord „kerk" moet terugkeeren, dat nog in 1814 in onze Grondwet geschreven stond.
KUYPBR,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1889
De Heraut | 4 Pagina's