Uit de Pers.
In het Kerkelijk W^eekblad komt een be schouwing over de Doleantie voor, die van zoo edele waardeering getuigt, dat het ons een vreugde is haar in de Heraut te kunnen overnemen.
Dr. Bronsveld had, naar men beweerde, de »Doleerenden" onder de »booze machten" gerekend. Of dit zoo was, blijve hier in het midden gelaten; maar het Kerkelijk Vleekblad wil dan toch aangeven, om wat reden het over de Doleerenden heel anders oordeelt.
Ziehier die redenen:
»Wat reden zou er zijn om »de doleerenden" eene booze macht te noemen? Om dien naam te kunnen dragen, moest hun iets boosaar digs eigen zijn. Maar doen zij dan iets van dien aard? Mij dunkt dat dit volstrekt niet gezegd worden mag. Immers,
a. Zij houden sich aan die Belijdenis, van welke oo de onder onze Organisatie geldende Reglementen zeggen dat zij gehandhaafd worden moet, maar dieintus schen in ons Genootschap zoo weinig gehandhaafd wordt, dat verloochening zelfs van de grondwaarheden der Christelijke kerk door velen niet wordt veroordeeld maar als iets rechtraatigs voorgestaan.
b. Zij verwerpen de, naar hunne overtuiging, schadelijke en met Gods woord strijdige Organisatie, die met hoe goede bedoeling dan ook, in 1816 op eene met den aard en de waardigheid der Kerk niet strokende wijze opgelegd en op dezelfde wijze in 185 bestendigd geworden is. En nij vereenigen zich onde Ketkenordening die, in 1618 19 wettiglijk door de Ke tot stand gebracht, nimmer wettiglijk afgeschaft we wier principes tot i8i6 in alle Gereformeerde kerken dezer landen gegolden hebben, en thans meer dan ooit onbelemmerd kunnen opgevolgd worden. En zij doen dit niet om gemak, eer, voordeel of eenig ander wereldsch goed, maar krachtens eene overtuiging, die in liefde voor de Belijdenis der Gereformeerde kerken gegrond is. Wij hebben althans geen recht om dit te ontkennen en zijn schuldig het van hen aan te nemen.
c Die lauwheid, & i traagheid, Asx ongeloof. ytrék B nevens zich zelve, hun tenminste te laste legt, die hij in de Ned. Herv. Kerk Broeders noemt en waaruit hij onze zwakheid verklaart, kunnen den Doleerenden niet wor den toegeschreven. Voor het recht, dat zij op zekere kerkelijke en personelijke bezittingen achten te hebbeu, zijn zij zoo lang doenlijk opgekomen. Met een offervaardigheid, die ieders bewondering eischt, bouwen en stichten zij kerken en scholen en andere weldadige inrichtingen en voorzien zij in de bezoldiging der Onderscheidene dienaren, alsook in de behoefte der armen. Ook laten zij niet na te behartigen wat strek ken kan om de ambten van Herders en Leeraars van Ouderlingen en van Diakenen steeds beter aan hunne bestemming te doen beantwoorden. In plaats van ongeloof ziet men bij hen een blijmoedig vertrouwen Geen traagheid, maar veel meer rustelooze werkzaam heid wordt bij hen gevonden. Die hen van lauwheid verdenken mocht, kent hunnen ijver niet. Zij zijn dan ook niet zwak Hunne kracht wordt ook door Dr. B. erkend, als hij spreekt van »een vijand, als de dolee renden". In dier voege toch als hier door hem van dien, welken hij »een vijand"noemt, gesproken wordt, spreekt men niet van eenen, wiens kracht men weinig telt.
Een beoordeeling zoo waardeerend, dat nu reeds onze profetie in vervulling gaat van de dagen die komende waren, en waarin de historie heel anders over ons oordeelen zou dan de fanatieke Synodalen zich dusver veroorloofden.
Dit woord zal een goede uitwerking hebben; zoo we hopen ook op de Doleerenden. Niet om hen te doen roemen, maar om me Christelijke teederheid te mijden, al wat in daad of woord den broeder, die niet met ons gaat, kwetsen kan, zonder door de eere des Heeren of het heil der kerk te worden geëischt.
In het Kerkelijk Handboekje, waarvan de tweede jaargang bij Le Cointre te Middelburg het licht zag, geeft Ds. Sikkel een treffend artikel over de genootachapsidée.
Hij zegt er o. a. van:
Heeft de revolutie des ongeloofs in het eind der vorige eeuw op ieder gebied dea Schepper op den achtergrond gedrongen en het schepsel verheven, — één der gevolgen van dit vermetel pogen is het streven om alle eenheden in het menschelijk leven, ook I die eenheden, welke door God gemaakt zijn tot den wil der menschen als tot haar eenige oorzaak en wor tel terug te brengen. Daarom moet naar dit streven de eenheid des volks, de macht der overheid, h huwelijk enz al te maal als gevolg van een aangegaan contract beschouwd worden, hetwelk door decontrac teerende partijen te allen tijde weder ontbonden kan worden.
Daarom ook moet naar denzelfden regel van dien anti-christelijken geest de Kerk een genootschap wo den, of liever in genootschap opgaan, d i. voortaa van den wil der menschen afhangen. Wie het begeer en aan de gestelde conditiën voldoet wordt lid van zulk een genootschap, treedt in de rechten door het menschelijk statuut (d. i de genootschappelijke regel, het reglement) aan de leden toegekend. Met de Ker heeft hij dan verder niet te maken, hij heeft zich slechts te bemoeien met zijn kerk, d. i. met zijn genootschap. Wil hij zich van »zijn kerk" scheiden e zich bij een «andere kerk" voegen, d i. bij een ander genootschap, het staat hem vrij. Gelijk het ook aan h bestuur van fazijn kerk" d. i. van zijn genootschap v staat, hem als lid te schrappen, indien hij aan de con ditiën van het genootschap niet langer voldoet. Ieder heeft dan ook de volstrekte vrijheid, om ten allen tijde met sommigen een «nieuwe kerk" d. i. een nieuw genootschap op te richten, te maken, en ook weer te ontbinden.
Door dit stelsel wordt de Kerk van Christus verwoest. Immers haar wezen hare roeping hare open baring, hare eenheid miskend.
Met het bestaan der Kerk als Gods maaksel, wi openbaring en ontwikkeling wij slechts te zoeken h ben, wordt geene rekening gehouden
En voorts :
Waar het beginsel der Reformatie naar Gods Woord is, daar zij ook naar dat Woord de praktijk.
1. De Kerk moet worden gezocht in geheel het menschelijke geslacht door onderwijzing van alle vol ken, van alle menschen
2. De Kerk worde erkend en gediend overal, waar zij in den heiligen doop openbaar is. Meer dan onder de heidenen is de arbeid onder alle gedoopten on roeping.
3. Die arbeid besta in de oprichting en onderhouding van den dienst des Woords en der Sacramenten, van ambtelijk toezicht en vermaning, en van het rusteloos pogen om al wat gedoopt is onder de zuive prediking, onderwijzing en regeering der kerk te v eenigen.
5. Waar deze-dienst in de Kerk vervalscht is, worde zij opnieuw opgericht; namelijk als geldende voor d Kerk, tegenover den valschen dienst.
6. In dezen weg_ moeten alle gedoopten worden vermaand en bearbeid, om tot de vereeniging in h ware geloof te komen; maar allen, die één in belij denis zijn, moeten dan ook als zijnde in de zuiverder openbaring der Kerk vereenigd, tot denzelfden disc des Reeren zonder andere conditiën dan erkenning de kerkelijke (niet genootschappelijke) tucht, - toegang hebben.
7. Nationaal en door de geheele wereld worde de herstelling en werking van het Verband der Kerk ge zocht overeenkomstig de zuivere belijdenis van Gods Woord; en de prediking aan Heidenen, Mohammedanen en Joden worde met het leven der ééne Kerke over de gansche aarde in betrekking gebracht.
8. Deze Schriftmatige Openbaring der Kerk in ge oorzaamheid aan den wiljan het bestel des Heeren' werpe alom hu valsche genootschapsbeginsel neer e blijke het werk des Heiligen Geestes tot verheerlijking van den Zone Gods en den Vader.
Misschien ziet Ds. Sikkel de zaak ietwat te donker in. Er is toch ook reden van verheuging over het zooveel klaarder inzicht in de idéé der kerk, waartoe duizenden nu reeds gekomen zijn. Maar in hoofdzaak is het volkomen juist wat hij zegt.
De Collegiale idéé is de wortel van het kwaad die moet uitgeroeid.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 januari 1890
De Heraut | 4 Pagina's