Collegiaal stelsel.
XVI.
De Lutherscbgezinden hier te lande, die aanvankelijk lang niet onbeduidend in het cijfer waren, verloren toch, toen het Calvinisme doordrong, almeer terrein, en hunne plaatselijke kerken stonden lange jaren buiten eenig onderling verband.
Dit verband is eerst gelegd in 1614 toen de dusgenaamde Luthersche Fraterniteit of Broederschap is opgericht, die in allerlei gewijeigden vorm voortbestaan heefc tot 1818. Tot op 1818 bestond er dan ook geen de minste quaestie over, of elke plaatselijke kerk had eigen rechten, en het onderling verband strekte slechts, om op gebrekkige wijze de onderlinge gemeenschap en geestelijke eenheid tot openbaring te brengen. Toch was deze eenheid al te zeer op Roomsche leest geschoeid, doordien de kerk van Amsterdam tal van andere kerken door geldelijke ondersteuning ineen staat van onbetamelijke afhankelijkheid hield, evenals de kerk van Rome heerschappij oefende over de overige ker-^ ken in Italië en elders. Toch kan dit niet bevreemden, daar de Luthersche kerk in Duitschland en elders het territoriaal systeem huldigde, op de Overheid leunde, en niet op een synodale kerkregeering was aangelegd. Want wel hielden deze kerken, door den nood gedrongen, ook hier te lande van 1614 af eenige synodale samenkomsten, maar naar het hart dezer kerken was dit toch niet.
Dit nu duurde tot aan de troebelen der Fransche revolutie, toen reeds onder koning Lode wijk Napoleon een Conceptreglement op de organisatie van het »Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap" wierd ontworpen, dat wel destijds niet doorging, maar toch ten leiddraad strekte voor de nieuwe organisatie, die koning Willem I, bij besluit van 6 Februari 1818, no. 39, ook voor zijn Lutherschgezinde onderdanen decreteerde.
Op die wijs zijnalle vroegere Luthersche kerken opgesmolten in een genootschap; is dit genootschap de officieele kerkvorm voor onze Luthersche medeburgers geworden; en is zelfs de zwakste reactie tegen dezen ongemerkten ommekeer, zoo men Kohlbrügges strijd er buiten rekent, geheel uitgebleven.
De Kersteld-Lutherschen ontsprongen den Collegialen dans veel langer, en ontvingen hun koninklijke organisatie lot een kerkgenootschap eerst bij koninklijk besluit van 7 Augustus 1835, no. 83. Deze langere vrijheid dankten ze uitsluitend aan de onbeduidendheid van hun aantal. In 1791 was hun eerste gemeente te Amsterdam als afgescheiden kerk geformeerd, en bij deze sloten zich aan de kerken te Enkhuizen, Medemblik, Gouda, Zwolle en Hoorn, terwijl nieuwe gesticht wierden te Harlingen en aan Den Helder. Deze kleine kerken nu sloten aanvankelijk een Fraterniteit, zonder het zelfstandig recht der plaatselijke kerken te vernietigen. En dit bleef zoo tot 1835, toen ook hun kleine groepje in het garen van het Collegiale net gevangen wierd; en nu geheel bureaucratisch wordt geregeerd, zonder dat van de oorspronkelijke bedoeling, om de echte Luthersche belijdenis te handhaven, veel meer te bespeuren valt.
De Remonstrantsche gemeenten zijn nooit door de Regeering bemoeielijkt. Zij hadden steeds bij de Overheid een wit voetje, en het scheen te minder noodig voor de organisatie dezer kerken maatregelen te nemen, omdat ze uit eigen beweging den Collegialen weg reeds op waren gegaan. Reeds in 1619 toch, nog terwijl de Synode van Dordt zat, hebben eenige afgevaardigden hunner kerken te Rotterdam den grondslag voor een soort algemeen genootschap of eene Broederschap gelegd, die in 1632 meer algemeen optrad, in 1637 Uytenbogaerts kerkorde aannam, en in 1879 zich formeel tot een ^genootschap" organiseerde onder een Algemeen reglement.
De eenige groep, die geen Landsgenootschap organiseerde, en in zooverre zich buiten het Collegiale stelsel hield, zijn de Doopsgezinden, waarvan we in een vorig artikel reeds opmerkten, dat ze nog altoos 128 zelfstandige gemeenten vormen, die slechts op lossen voet in enkele streken des lands tot een sociëteit verbonden zijn, b. v. in Groningen en Friesland. De Algemeene Doopsgezinde Sociëteit, die in 1811 te Amsterdam Is opgericht, is dan ook geen organisatie van kerken of gemeenten, maar een vrije ^stelling, waarvan alle gemeenten leden zijn. mar bestuurders , 31 in getal, worden ooor de contribueerende gemeenten gekozen. Haar doel is in hoofdzaak financieel. »Kerkgenootschappen" zijn bij de Doopsgezinden dus alleen de 128 plaatselijke vergaderingen. Een „landskerkgenootschap" kennen ze niet.
Het yrijst van allen hield zich de Roomsch-Katholieke kerk ten onzent, die nimmer door eenig koninklijk besluit geregeld of georganiseerd is. Wel was in 1817 een concordaat door onzen Koning met den Paus gesloten, waarbij het herstel der Bisschop^ pelijke hiërarchie bepaald was, maar dit bleef onuitgevoerd. En de eenige bemoeiing der Regeering met de aangelegenheden dezer kerk, die tot 1877 heeft voortgeduurd, was dat van Overheidswege dusgenaamde kerkfabrieken waren ingesteld voor het beheer der Roomsche. kerkelijke goederen in de bisdommen van Breda en Roermond.
Sedert echter de Paus in 1853 de kerk van Holland tot een provincie van de groote ééne Roomsche kerk verklaarde, zijn er vijf bisdommen opgericht te Roermond, Breda, 's-Hertogenbosch, Haarlem met sufïregaan-bisschoppen, en te Utrecht met een aartsbisschop.
Deze bisschoppen hebben een kapittel als raad bij zich, bestaande uit èén proost en acht kanunniken, die voor opengevallen bisschopsplaatsen een voordracht aan den Paus opzenden, die hieruit benoemt.
De gemeenschappelijke belangen van deze kerken worden door den aartsbisschop en zijn bisschoppen geregeld, zoo echter dat elk bisdom zijn eigen regeling voor het kerkbeheer en het armbestuur heeft, die wel bijna gelijkluidend zijn, maar toch geen algemeene organisatie bieden. De eenheid , ligt uitsluitend in den aartsbisschop en door dezen met de Algemeene Roomsche kerk.
Er is dus geen sprake van dat deze kerken een Collegiaal systeem als stelsel, van kerkrecht zouden aanvaard hebben. Nog altoos leven zij onder het oude Roomsche canonieke recht en volgen het Papale systeem. En daar zij vóór 1853 d. i. vóór de wet op de kerkgenootschappen, bestonden, zijn ze in den vorm, waarin ze destijds bestonden, erkend. Dit neemt echter niet weg, dat ook zij zich als een „kerkgenootschap" hebben eangediend en nog steeds bij de Regeering als het „Roomsch Katholieke kerkgenootschap" te boek staan.
Kwam er dan ook ooit een geschil in rechten voor (wat niet wel denkbaar is), dan zou ook bij deze kerken uit het begrip van het „zedelijk lichaam" of „genootschap" geconcludeerd worden, en kon men vreemde uitspraken te hooren krijgen.
Zoolang echter zulk een proces niet voorkomt, ontbreekt alle aanleiding om de rechtspositie dezer kerken nader te omschrijven, en vestigt zich door het feit zelf almeer het inzicht, dat men bij deze kerken (niet bij de Protestantsche) haar eigen levensaard en bestaanswijs heeft te eerbiedigen.
En wat eindelijk de Joden aangaat, zoo leefden deze tot ï8o8 geheel op eigen voet, toen koning Lodewijk bij decreet van 12 September 1808 een organisatie van geheel Collegialen aard aan hen oplegde. En wel raakte deze onder het keizerrijk in onbruik, maar koning Willem I heeft bij besluit van 'c 26 Februari 1814 ook de Joden aan een organisatie onderworpen, die in later jaren nog door tal van besluiten en ministerieele disposition nader geregeld is, In dezen toestand kwam eerst verandering in 1870, toen de Regeering ook aan de Joden de bestaande organisatie overliet en het hun vrijstond, om hun genootschap zelven te regelen, mits op den voet van wat de koning georganiseerd had. En zoo doet zich dan hier het zonderling verschijnsel voor, dat de Joden niet slechts een Collegiale inrichting in het leven riepen, maar, hoewel verwerpers van den Christus, zich nochtans den kerkdijken naam lieten aanleunen, en optraden als het ƒ Ned. Israëlietisch kerkgenootschap.
Of liever nog, er wierden in 1870 twee genootschappen uit het ééne geboren; want de Portugeesch-Israëlietische gemeenten te Amsterdam en 's-Gravenhage, die door koning Lodewijk en koning Willem I onder de organisatie der andere Joden begrepen waren, hebben zich in dit jaar afgescheiden, en tot een afzonderlijk kerkgenootschap, met twee gemeenten, georganiseerd.
Zoo blijkt dus, hoe in de relatie tot de Overheid formeel het Collegiaal systema op heel de linie triomfeerde en zelfs over die' linie heenschoof; en voorts, hoe alleen de Doopsgezinden zich buiten een Landsorganisatie wisten te houden, en de Roomsch Katholieken achter het Collegiale Overheidsscherm stil hun gang gingen en deden als ging het redebeleid der Overheid hun niet aan.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 19 januari 1890
De Heraut | 4 Pagina's