GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Genademiddelen.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de Genademiddelen.

16 minuten leestijd

ZOXDAGSAFBEEMÏG XXVII.

Die geloofd zal hebbeo en gedoopt zal zijn, zal zalig worden ; niaar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Mark. i6 : i6.

De Kinderdoop.

II.

Ons vorig artikel kwam tot de slotsom, dat men geen recht heeft, om de zake der zaligheid uitsluitend te beoordeelen naar hen die op volwassen leeftijd sterven; maar dat het plicht is, om minstens evenzeer te letten op die miUioenen die henensterven, zonder nog tot eenige kennisse van goed of kwaad gekomen te zijn.

Nu is er niemand die zeggen zal, dat al deze milioenen kinderkens, omdat ze nooit de prediking des heils konden hooren, deswege onherroepelijk verloren gaan. Veeleer neigt het geloof, gelijk zich dit ook op de Synode te Dordrecht in 1619 uitsprak, om de kinderkens der geloovigen, die zoo vroeg wegsterven, voor uitverkorenen aan te zien en dus zalig te spreken. Daar nu echter ook alle deze kinderkens in zonde ontvangen en geboren en alzoo allerlei ellende, ja, der verdoemenisse zelve onderworpen zijn, kunnen ook zij, hoe jong ze ook sterven, het licht des eeuwigen levens niet zien zonder Zaligmaker, En daar er nu geen andere naam onder den hemel gegeven is, waardoor de menschen kunnen zalig worden, dan de naam van Christus Jezus, zoo volgt hieruit, dat dan ook deze miUioenen kinderkens hun behoudenis in het zoenbloed van Christus moeten vinden.

Nu is het intusschen duidelijk, dat het „bloed des Lams'', dat op Golgotha vergoten is, voor niemand ten zegen kan zijn, tenzij dit personeel hem toegeëigend en op hem toegepast worde. Het is niet genoeg, dat het rantsoen verworven zij; maar er moet bijkomen dat onze ziel met dit verworven rantsoen in persoonlijke betrekking trede. Dus moeten ook deze miUioenen vroegstervende kinderkens der geloovigen, evengoed als gij, wedergeboren worden, in die wedergeboorte het geloofsvermogen ontvangen, en met dit geloof Christus als hun Heiland aankleven. Waaruit dan wederom volgt, dat God de Heere met zijn almachtige genade, nog eer deze kinderkens sterven, dit werk der wedergeboorte en der inplanting van het geloofsvermogen moet volbracht hebben. Reden v/aarom het voor het geloof vaststaat, dat God de Heere machtig is, om reeds in een pasgeboren of nog niet geboren wicht dit wondere werk zijner almacht te volbrengen; alsook dat Hij dit daadwerkelijk bij miUioenen kinderkens doet.

En zoo komen we dan tot deze slotsom, dat het werk Gods in de ziel voorafgaat aan hetgeen wij er van merken, of als vrucht vSS dit werk Gods, in ons geloof wordt uitgewerkt; en dat dit voorafgaande werk Gods tweeërlei verloop neemt, al naar gelang een geboren persoon jong sterft, of tot volwassen leeftijd opgroeit. Groeit hij toch tot volwassen leeftijd op, dan brengt God de Heere hem onder de predicatie des Woords; door dit Woord tot bewuste geloofswerking en bekeering; en alzoo tot een aannemen van de onuitsprekelijke gave, die Hij in Christus voor zulk een bestemd heeft. Maar beschikt God de Heere over zulk een geboren persoon, in wien Hij zijn genadewerk inplantte, een vroegtijdigen dood, zoodat hij niet onder het geklank des Evangelies op aarde kan komen, dan brengt God de Heere zulk een door den dood in de aanschouwing van den Chiristus en zijn zoenwerk, en onder het geklank des Evangelies, gelijk de engelen dit voor den Troon des Lams uitjubelen, komt hij tot de toeëigening en genieting van zijn Zaligmaker en zijn Heere.

Het feit moet derhalve erkend en toegegeven, dat in de kerke Gods de wedergeboren persoon zoowel onder de zeer kleine kinderkens kan schuilen als onder de volwassen personen. Dit hangt niet aan wat voor oogen is, maar aan het verborgen werk Gods in het hart, en dit verborgen werk Gods in het hart hangt weer aan zijn verborgen raad.

Onze vaderen, en met name Calvijn, wezen er daarom meer dan eens op, dat men tech voorzichtig met zijn oordeelen moet wezen; want dat God de Heere zijn uitverkorenen hebben kan onder degenen die nu nog voor het oog als boeven en schelmen bekend staan, en dat het omgekeerd zeer goed van achteren blijken kon, dat veel deftige en kèrksché menschen als kinderen des Satans uitkomen. Laat die onverlaten en schelmen nu nog steenen zijn, Gods almachtige genade kan ook uit de? .e sternen Abraham kindwian vjrv/ekken. Op den schijn mag men dus nimmer afgaan. Gods uitverkiezing is vrij machtig, en dit staat vast: wie Hij uitverkoor, die brengt Hij ook ter zaligheid, en ter zaligheid door geen anderen weg, dan door den weg Christi.

Bij het heilig Sacrament des Doops omt het er dus nu maar op aan te weten, of dit Sacrament moet toegediend alleen aan bekeerden, of aan allen die, ook nog zonder tot bekeering te zijn gekomen, door G-od zijn wedergeboren. Het verschil tusschen wedergeboorte en bekeering behoeft ons hierbij niet op te houden. Ieder toch begrijpt, dat het heel iets anders is, of God de Heere door zijn Heiligen Geest ons op verborgen wijze de kiem van nieu\/ leven inplant, of wel dat wij, krachtens deze onze wedergeboorte, tot bewuste bekeering worden gebracht.

Een kindeke dat jong sterft, kan wel wedergeboren, maar nooit bekeerd zijn; want om u te bekeeren, moet ge tot bewuste kennis van uw zonde, en tot bewuste kennis van het heil zijn gekomen, en zulk een kennis§e is in een eugdig kindeke van 3, 4 maanden eenvoudig ondenkbaar. De Doop heet daarom ook het bad, 'niet der bekeering, maar der wedergeboorte. Waaruit volgt, dat zoo de Doop een Sacrament der bekeering ware, alleen volwassen personen zouden mogen gedoopt worden, maar dat nu de Doop het Sacrament jkr wedergeboorte is, de Doop toekonft aan'ellc"wedergeborene, geheel onverschillig of hij jong zij of oud.

Hierin hadden de Wederdoopers en Mennonieten dus volkomen gelijk, dat zij den eisch stelden, dat het werk Gods in den persoon moest voorafgaan^ en dat eerst daarop de Doop als Sacrament volgen kon. En zij, die thans den kinderdoop voorstaan, achtende dat zulk een kindeke als een natuurlijk mensch met een heiden gelijk staat, en gedoopt moet worden als middel om het daardoor een Christelijke opvoeding te verzekeren, zullen, zoo de Heilige Schrift recht zal zijn, steeds tegenover de Mennonieten in den strijd bezwijken. De Heilige Schrift kent geen ander Sacrament, dan zulk een dat strekt, om een voorkanden geloof te sterken; en waar dus geen oorzaak is, om geloof te onderstellen, mag ook niet gedoopt worden. „Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden".

Maar zoo staan de Gereformeerde kerken in dit geschil niet. Onze Gereformeerde kerken hebben in al heur belijdenisschriften duidelijk uitgesproken, dat zij het Sacrament ecniglijk in dezen Schriftuurlijken zin opvatten, en dus ook nooit het Sacra-^ment met een andere bedoeling toedienen, , idan om een vooraf door God gewerkt ge-'ïoof te sterken. Tegen ons moeten de Doopsgezinden dus niet aanvoeren, dat zij den Doop op het geloof laten volgen^ en dat • wij den Doop toedienen in hope op een mogelijk toekomstig geloof. Neen, ook onze Gereformeerde kerken houden vast aan den regel, dat men slechts daar doopen mag, waar geloof moet ondersteld worden.

Deze regel staat dus vast, maar om hem te kunnen toepassen, moet het nu tot tweeerlei bepaling komen. Ten eerste tot een bepaling van wat onder geloof ten deze te verstaan zij. En ten tweede tot een bepaling, hoe ik weten kan of het geloof als aanwezig te onderstellen is.

En in deze beide bepalingen raakten nu de Doopsgezinden op het dwaalspoor. Zij feilden namelijk én in de bepaling van het geloof én in de bepaling van de wijze waarop moet uitgemaakt, bij welke personen de kerk geloof te onderstellen heeft.

Zij feilen vooreerst, zeiden we, in de bepaling van het geloof. Menno Simons was een gemoedelijk, teeder Christen, wiens toon u altoos weldadig aandoet, maar tevens, gelijk het bij gemoedelijke menschen meer gaat, een oppervlakkig denker. Menno ziet den waterspiegel, maar niet de diepte der wateren, die zich onder dien waterspiegel verbergt. Hij ziet den boom en zijn takken en de vruchten aan die takken, maar voor het leven van den wortel onder den grond heeft hij geen oog. Geen zijner godgeleerde denkbeelden is dan ook oorspronkelijk. Zijn geheele denkwijze heeft hij van de Duitsche en Zwitsersche Wederdoopers overgenomen, en als gematigd, gemoedelijk man, slechts de excessen afgesneden en zekeren ordelijken toestand van zaken bedoeld. Met name heeft hij zich geheel losgemaakt van de anarchistische politieke dweperij, die oorspronkelijk bijna over? ' met de godsdienstige dweperij vern.Tr--]; d was, en in Nederland een kring gevo-'Aid van stille Christenen, wien het er metterdaad om te doen was, de wereld te mijden en in stille godsvrucht voor Gods aangezicht te wandelen.

Ook waar het op de bepaling van het geloof aankomt, treedt Menno Simons dus in het voetspoor van zijn voorgangers. Dit voetspoor nu wierd hierdoor gekenmerkt, dat de oorspronkelijke Anabaptisten alle verband tusschen het werk der natuur en het werk der. genade loochenden. Het sterkst kwam dit uit in hun belijdenis van den Christus. Omtrent diens menschwording toch leerden ze, dat de geheele Jezus, ook naar zijn menschelijke natuur, uit den hemel was. Maria had wel den Christus gebaard, maar de Christus had daarom toch zijn vleesch en bloed niet uit het vleesch en bloed der maagd Maria aangenomen. Neen, het vleesch en bloed van den Christus was ontstaan door schepping uit den hemel. Niet gelijk dat van Adam, die geformeerd was uit het stof der aarde. Integendeel „van binnen en van buiten, zienlijk en onzienlijk, sterfelijk en onsterfelijk", zooals Menno Simons zich placht uit te drukken, is de Christus van boven, en niet uit de aarde. Zijn bloed was dus niet uit de fontein van Adams bloed, maar een nieuwe fontein van eigen springkracht. Nu spreekt het vanzelf, dat op die wijs heel de ofiferande op Golgotha doelloos wordt. In ons bloed school de zonde; op (7«5 bloed rustte de schuld; ons bloed moest dus vergoten worden. En zoo de Christus niet Ö^J bloed, maar een nieuw bloed in de aderen droeg, dan heeft hij niet ons bloed, maar dat nieuwe bloed vergoten, en kan er uit zijn offerande voor ons nooit taligheid vloeien. Dit bedoelen nu natuurlijk de Wederdoopers en bedoelde ook Menno Simons niet; maar toch volgde het noodzakelijk uit hun averechtsch standpunt.

En evenzeer als ze op die wijs eiken band doorsneden tusschen onze natuur en de genade die in Christus voorwerpelijk verscheen, even op dezelfde wijs sneden ze elk verband door, dat naar luid der Schrift tusschen onze geschapen natuur en het onderwerpelijk genadewerk in onze ziel moet bestaan. Ook het nieuwe leven kwam, buiten samenhang met onzen geschapen persoon, als een nieuw iets uit den hemel in ons; zoodra deze bliksemvonk van den Heiligen Geest in ons sloeg, waren we bekeerd; en wie alzoo bekeerd was geloofde, en moest en mocht gedoopt worden.

Maar hierin nu juist gingen ze feil. Ons zielsleven is zoo eenvoudig niet. Als op later leeftijd in een Luther en in een Calvijn een machtig geloofsheld voor Gods kerk optreedt, zijn deze Luther en Calvijn niet tot op hun twintigste jaar personen geweest als andere personen, in wie eerst op later leeftijd plotseling dit genie, dit talent, deze moed en deze geestkracht invoer; maar reeds toen deze mannen geboren wierden, wist God dat de kiem voor dit alles, voor zooveel het natuurlijke aangaat, in hen school. Alleen geen menschenoog zag het nog of kon het ontdekken ; maar God had het voor zijn kerk reeds op verborgene wijze in hen bereid. Daarom zegt de Heere tot Jeremia: .^^Eer ik u in uw moeders buik formeerde heb ik u gekend.^ en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb ik u geheiligd. Ik heb u den volken tot een profeet gesteld" (Jerem. I : S). En zoo nu ook waren Luther en Calvijn reeds vóór hun geboorte bestemd, en er in hun geboorte op aangelegd, om straks als getuigen des Heeren te kunnen optreden. Alles dus wat reeds in de geboorte den mensch moet zijn meegegeven, om later als zulk een man te kunnen optreden, dat was reeds in hun ontvangenis en geboorte in hen gelegd. Augustinus en een idioot staan niet eerst gelijk, alsof God nu eerst later plotseling dat machtig genie in een Augustinus inblies; maar dit genie lag reeds in zijn aanleg en inborst. Alleen het school nog. Lange dagen toefde het om uit te komen, tot tijd en wijle God het alzoo beschikte, dat alsnu openbaar wordt en naar buiten treedt, wat eerst in het verborgene school.

Dit nu noopt en dwingt ons, om bij al wat het geestelijk leven van den mensch aangaat wel te onderscheiden tusgchen de kiem, het vermogen en den wortel eener kracht, die in het verborgene van zijn wezen schuilt, en de openbaring van die kracht naar buiten. David is als psalmist geboren, en het vermogen, de wortel, de kiem van zijn psalmodie lag reeds in hem, toen hij in den buik van zijn moeder als een borduursel verscholen lag. Die kunst van het psalmdichten is niet zoo eens plotseling op later leeftijd in hem gevaren, maar wel eerst op later leeftijd uitgekomen en geopenbaard. Juist evenjjoo als het met ons spraakvermogen is. Het vermogen om te kunnen spreken brengt een kind van zijn geboorte met zich, maar eerst later komt dit vermogen, als hij spreken gaat, langzaam en van lieverlede uit.

Hieruit nu volgt, dat we ook bij het geloof wel te onderscheiden hebben tusschen het vermogen in de ziel om te kunnen gelooven en de openbaring van dat geloof naar buiten. Onder den grond schuilt de kiem, de wortel, het vermogen van ons geloof; en naar buiten, boven den grond; wordt slechts de werking van dat geloofsvermogen in het daadwerkelijk geloof openbaar. Nu kan zulk een kiem zeer lang in ons aanwezig zijn, zonder dat er iets van naar buiten komt. In de oude gedenkteekenen van de Egyptische koningen heeft men o. a. ook tarwegraan gevonden, dat allicht tusschen de 3 en 4000 jaren in deze steenen graven gelegen had. Al dien tijd bezat de graankorrel van dit graan de kracht en het vermogen in zich om tot een halm op te schieten en vrucht te dragen; maar het deed dit 3 a 4000 jaren lang niet. En nu eerst, nu eindelijk deze graven geopend werden, en het graan dat er in lag, aan de aarde wierd toevertrouwd, is dit vermogen naar buiten getreden en is er graan uit gegroeid. Zoo kan nu ook het geloofsvermogen, de geloofskiem jarenlang in de diepte van ons steenen hart werkeloos verborgen liggen, zonder dat of gij zelf of een ander er iets van merkt. Alleen God weet het, omdat Hij er zelf die graankorrel van het geloof in besloten heeft.

Was nu dat graan in de Egyptische sarcophagen geen graan, omdat het nog niet ontkiemd was.' Zeer stellig, zult ge zeggen, reeds ontkiemd, of nog niet ontkiemd, graan blijft graan. Uitnemend, maar dan is ook geloof geloof, 'geheel afgescheiden van de vraag, of het nog slechts als een mosterdzaadje verborgen in uw hart schuilt, dan wel of het reeds tot ontkieming en openbaring naar buiten is gekomen.

Moet derhalve een iegelijk gedoopt, in wiens hart het geloof aanwezig is, dan moet ge niet alleen hem doopen, in wien gij van dat geloot iets merkt, omdat het ontkiemde en opschoot en naar buiten trad; maar moet ge evenzeer doopen een iegelijk, in wiens hart de graankorrel des geloofs nog, voor Gods oog alleen gekend, schuilt. Jong of oud doet er dus niet toe. Tusschen een klein kind en een volwassen man mag geen verschil gemaakt. De vraag van doop of niet-doop hangt alleen maar af van het al of niet aanwezig zijn van het geloof in kiem en wortel.

Niet, dit verstaat ge wel, alsof deze geloofskiem ons uit de natuurlijke geboorte kon toekomen. Van nature is elk mensch ongeloovig en tegen alle geloof gekant. Maar God is vrij machtig om door de tweede of geestelijke geboorte deze graankorrel, die kiem des geloofs, reeds in den moederschoot in ons te brengen, of het te doen kort na onze geboorte. En al is het dan, dat het nog twintig, dertig of zestig jaar duurt eer deze kiem tot ontwikkeling komt en de werking er van naar buiten openbaar wordt, dan is zulk een persoon toch van zijn geboorte af iemand, in wien God geloof gewrocht heeft, en heeft zulk een dus recht op den heiligen Doop,

Geldt alzoo voor de kerk de vaste regel dat ze te doopen heeft een iegelijk, in wiens ziel God de Heere het geloof gewrocht heeft, dan komen we hiermee tot de tweede vraag: Hoe zal de kerk dit wetenl En op dit punt nu achten de Doopsgezinden, dat ze hun verloren zaak , herwinnen kunnen. Want, zeggen ze, toegegeven dat het geloof ook in een kindeke als een verborgen graankorrel aanwezig kan zijn, in elk geval hebt ge desaangaande geen zekerheid. Dat kunt gij gissen, vermoeden, hopen, maar gij weet het niet. En daarom nu, zoo gaan ze dan voort, doopen wij alleen de volwassenen, nadat we, zoodra ze tot belijdenis komen, zekerheid hebben, dat ze de gave des geloofs werkelijk ontvangen hebben.

Hierop nu antwoorden we, dat dit volstrekt niet zoo is.

Ook al komt toch iemand op volwassen leeftijd zich aanmelden en tot de kerkzeggen: „Ik belijd en ik geloof", daarom heefc de kerk nog niet de minste zekerheid, dat het metterdaad zoo is. De man kan veinzen; de man kan een tijdgeloof hebben en zich zelf misleiden; hij kan een bloot historisch geloof voor wezenlijk geloof aanzien. Was nu de kerk een kenster der harten, zoo ware dit niets. Dan toch kon de kerkuitmaken, hoehet met dezen persoon stond. Maarzoo is het niet.' De kerk kan de harten niet doorgronden. Dat kan alleen de Heere. En hoe sterk, machtig en overweldigend ook soms de indruk is, dat iemand wel wezenlijk uit het echte geloof spreekt, zekerheid desaangaande heeft de kerk nooit. Soms zal er een schijngeloovige zijn, die zeer boud spreekt, en een echt geloovige die beklemd in zijn uitingen is. Ging de kerk dus daarop af, dan zou ze soms juist doopen wie niet geloofde, en den Doop onthouden aan wie het echte geloof had. En de uitkomst toont dan ook, dat de Doopsgezinde kerken ten deze herhaaldelijk allerlei jonge mannen doopen en den Doop aan jongedochters toedienen, van wier geloof eigenlijk niets bleek.

Men kan dus niet zeggen: De Doopsgezinden of Baptisten doopen alleen zulke personen, van wie het zeker is dat ze geloof hebben, en gij. Gereformeerden, doopt kinderkens, in wie ge het geloof alleen onderstelt. Dit is niet zoo. Zoowel toch bij deze volwassenen als bij deze kinderkens kunt ge het nooit verder dan tot een vermoed en ondersteld geloof brengen. Zekerheid heeft de kerk nooit.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Genademiddelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren