GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Genademiddelen.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de Genademiddelen.

16 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEELING XXVIII.

Anders waren WKS. Itinderen onrein, maar ntf 'zijn ze heilig. I Cor. 7 : 14.

De Kinderdoop.

VIII.

Uit ons Doopsformulier 13 het derhalve volkomen duidelijk, hoe in dit schoone stuk de te doopen kinderen voorkomen, niet als nog buiten alle genade en ganschelijk in hun verdoemenisse liggende, maar als reeds van Godswege begenadigd door de inplanting van het onverliesbaar zaad der wedergeboorte. Zoo toch spreekt ons Doopsformulier volstrekt niet enkel in het dankgebed, maar evenzeer in de vragen aan de ouders, in het gebed vóór den Doop en de leer des Doops. Wie dus zegt, dat hij dit dankgebed in ons formulier niet meê kan bidden, moet heel dit formulier verwerpen, moet den Kinderdoop varen laten, en ten leste breken met de Gereformeerde kerken, die geheel op deze Doopsbeschouwing gegrond zijn; otn daarna in Engelschen trant J^^i^/«ö^w^ of onder onze Nederlandsche sekten Doopsgezind te worden. Iets wat natuurlijk niet gezegd wordt alsof we hiertoe manen; veeleer strekt onze raad aan een iegelijk om het Doopsformulier, de leer der Doopen en den grondslag der Gereformeerde belijdenis nauwkeurig aan Gods Woord te toetsen; maar volhardt iemand desniettemin in de opinie, dat een kind zou mogen gedoopt, sondcr dat daarbij 2ijn uitverkiezing ondersteld wierd, en alsof eerst in den volwassene het genadewerk Gods kon beginnen, dien zeggen we aan dat hij met geen eerlijke conscientie in de Gereformeerde kerken blijven kan, want onze Gereformeerde kerken beleden en leerden vanouds vhk het tegendeel.

Dit blijkt reeds aanstond uit onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, én in Art. 15 én il Art, 24. Uit Art, 15, waar van den Kinderdoop gezegd wordt, dat hij „de erlzonde niet ganschelijk te niet doet en uitroeit; " een vroeger door ons verklaarde uitdrukking, waarop we thans niet nader ingaan; maar die dan toch duidelijk te kennen geeft, dat de Doop ook in het jonge kind de erfzonde wel niet ganschelijk, maar dan toch grootendeels te niet doet en uitroeit; iets wat zonder een genadewerk Gods in het jonge kind ondenkbaar is. En evenzoo blijkt het uit Art. 24, waar beleden v/ordt:1". dat Christus bevolen heeft te doopen ^^degenen die de zijnen zijn" zoodat ook de jonge kinderen, die men ten Doop presenteert, hier als het „eigendom van Christus", en dus als uitverkoren, voorkomen; 2". dat Christus voorwaar zijn bloed vergoten heeft „niet minder om de jonge kin' deren der geloovigen te wasschen, als hij dit gedaan heeft voor de volwassenen." Zelfs stonden onze vaderen hier zoo sterk op, dat ze de poging om in Art. 15 te lezen: at „de erfzonde door den Doop ganschelijk niet wordt te niet gedaan", met opzet tegenstonden, en het „niet ganschelijk", dat men onnadenkend veranderd had, weer herstelden.

Ook op de Synode van Dordrecht in 1619 spraken onze Gereformeerde kerken zich geheel in gelijken geest uit. Immers in Art, 17 van het eerste Hoofdstuk aan het vraagstuk der jonge kinderkcns toekcmende, beleed deze Synode, onder instemming van alle binnenlandsche en buitenlandsche kerken, het navolgende: „Nademaal wij van den wille Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het Genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen", iets wat dan bijzonderlijk wordt toegepast op zulke kinderen, »die God in hun kindschheid uit dit leven wegneemt". Natuurlijk bedoelde de Synode hier niet mede te zeggen, dat dit een bijzonder privilegie was van vroeg stervende kinderen, maar wel, dat geloovige ouders alzoo over al hun kinderen te oordeelen hebben, zoolang het tegendeel niet stellig blijkt, en op dien giond ook omtrent de zaligheid hunner vroeg stervende lievelingen getroost zullen zijn. En alzoo blijkt hieruit, dat ook de Synode van Dordrecht oordeelde: i". dat de kerk bij jonge kinderen niet te oordeelen heeft naar wat voor oogen is, maar uit den Woorde Gods; 2". dat Gods Woord ons gebiedt de kinderen der geloovigen aan te zien als de zoodanigen, die heilig zijn; en 3". dat ze dat niet kunnen zijn van nature, en alzoo moeten geworden zijn door wedergeboorte en uit kracht van verkiezing.

En zoo nu oordeelt ook onze Catechismus. Ten eerste in het antwoord op Vraag 73, waar hij zegt, dat God ons door den Doop verzekert, niet dat we door het bloed van Christus zullen gewasschen worden, maar dat wij, en dus ook onze kinderen, zoo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewasschen ZIJN, als wij uitwendig met water gewasschen worden. En ten anderen in het antwoord op Vraag 74, waar de kinderen geheel met de volwassenen, wat het genadewerk aanbelangt, gelijk worden gesteld, overmits ook op hen door Gods Woord toepasselijk is gemaakt én het „bloed Christi, dat van zonden verlost" én „de Heilige Geest, die het geloof werkt."

Er blijkt alzoo, dat onze drie Formulieren van eenigheid op dit punt geheel in gelijken geest spreken als ons Doopsformulier. In alle drie wordt op grond van Gods Woord beleden, dat de kerk de kinderen der geloovigen te behandelen en te beschouwen heeft als dezulken in wie Gods genadewerk reeds begonnen is, en ze op dien grond heeft te doopen. Iets waar men ten overvloede nog het formulier van den Bejaardendoop bij kan voegen, dat, gelijk metTwêet, met het formulier van den Kinderdoop één jis. Immers de bedoeling van de kerken is |niet, dat men bij Bsjaardendoop alleen dit |tweede formulier zal lezen, wat slot noch {zin zou hebben; maar dat men bij Bejaar-Idendoop beginnen zal met de lezing van ; het eerste formulier voor den Kinderdoop, tot aan de woorden: En hoewel onze jonge kinderen deze dinqen niet verstaan; en alsnu voor wat daar verder volgt in de plaats zal lezen hetgeen gedrukt staat in het formulier voor den Bejaardendoop. In beide stukken heerscht dus éénzelfde beschouv; ing van de'i; heiligen Doop, En wat wordt nu hier v.^.'\j, ''•'^ doopeling omtrent de beteekenis van den Doop gevraagd.' Dit, „oi gij gelooft, dat gij een lid Christi en zijner kerk door de kracht des Heiligen Geestes 7X^1 gewordenf Dit nu op den Doop van het kind toepassenle, leidt dus tot de vaste onderstelling, dat ook dit kindeke reeds de bewerking des Heiligen Geestes, eer het tot den Doop komt, ondergaan heeft.

Calvijn heeft in zijn Institutie dan ook geheel hetzelfde standpunt ingenomen. Zoo in Hoofdst, XVI Boek IV § s, waar hij vraagt: Bijaldien dan de kïndetkens deze beteekende zaak (de genade der wedergeboorte) deelachtig zijn, waarom zullen ze dan van het teeken (d. i, den Doop) geweerd worden ? " En nog duidelijker in zijn strijd tegen de Wederdoopers. Calvijn ging hierbij uit van de grondstelling, dat alle kinderkens in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom, tenzij ze voor hun sterven wedergeboren worden, een prooi der eeuwige verdoemenisse zijn. En overmits het nu bij hem vaststond, dat God de Heere ook onder de vroeg stervende kinderkens zijn uitverkorenen heeft, zoo besloot hij hieruit, dat God de Heere dus ook op voor ons geheel verborgene wijze het zaad der wedergeboorte kan inplanten, „En als ge dan vraagt, " zegt Calvijn, »hoe kleine kinderen, die nog van geen goed of kwaad weten, kunnen wedergeboren worden, dan antwoord ik, dat men dit genadewerk Gods, omdat het ons begrip te boven gaat, daarom toch riet loochenen mag; dat jong stervende kinderen, die zalig worden, wel voor hun dood tnoeten wedergeboren zijn; ... en dat God Johannes den Dooper reeds in zijns moeders schoot met deti Pailigen Geest begiftigd heeft" (§17). „Chtistus heiligt zijn uitverkorenen Uit eiken leeftijd zonder onderscheid" (§18). En wat in i Petr. i : 23 staat, sluit de wedergeboorte van het kind niet uit, overmits dit zeggen alleen op volwassenen slaat, zoodat men hieruit niet mag afleiden, dat kinderen door de kracht Gods niet kunnen wedergeboren worden; een werking die voor God even licht is, als ze voor ons onbegrijpelijk en verbazingwekkend blijft" (ib.) En als men hem tegenwierp, dat ze toch geen , , gelool" hadden, vroeg hij op zijn beurt, „waarom God dien kinderkens, die eerst later in het volle licht zouden wandelen, niet nu reeds een vonkjs in het hart kan doen gloren" (§ 19), Of, om het nog duidelijker te zeggen: Ook al houdt men staande, dat de Doop der kinderkens ook doelt op een openbaring van hun geloof en berouw, die eerst later komen kan, wat belet dit om te meenen, dat het zaad des geloofs en der boete, dat eerst later in vaste vormen kan opschieten, toch nu reeds door een verborgen werking van • den Heiligen Geest in hun binnenste heimelijk is ingelegd" (§ 20), En wel heeft, na Calvijns dood, Beza een poging gewaagd, om den Kinderdoop meer uitwendig op te vatten, en het geloof der ouders plaatsbeklee-'dend voor het geloof der kinderkens te laten intreden, maar geen. enkele van onze goede godgeleerden is Beza op dit bedenkelijke pad gevolgd. (Zie Beza in Resp. ad Acta Montiibelg. (§ 2, p, 101).

Met name ten onzent hebben de beste Gereformeerde godgeleerden de zaak steeds zóó bezien als Calvijn die bezag, en steeds den Kinderdoop gegrond op de onderstelling, dat God de Heere ook in deze jonge kinderen de genade der wedergeboorte werkte. Ze noemden dit „het zaad des geloofs", de inplanting van het „geloofsvermogen", een „inleidend geloof", een „wortelgeloof", of ook een „hebbelijk gelool"; welke laatste uitdrukking echter door de besten onder hen zeer terecht verworpen is, naardien een ; „hebbelijk" geloof eerst bij volwassenen be •staanbaar is.

Van dit in het pasgeboren kind gewerkt geloof zegt Professor MACCOVIUS in zijn Quaest. ïheol. loc. 442, c, 20: Hebben zulke kinderkens geloof.' Antwoord. Ja zij, wel niet het daadwerkelijk, maar toch het ingeplante geloof; want naardien ze wedergeboren zijn, zoo moet er ook geloof in hen aanwezig zijn". Professor GOMARUS besluit in zijn Opera omnia III:130 aldus: Da Doop komt toe aan een iegelijk dat onder de bewerking van den Heiligen Geest staat. Dit is het geval bij de kleine kinderkens der geloovigen, Diensvolgens kan de Doop hun niet onthouden worden, " Professor VoETiüS laat zich nog omstandiger uit in zijn Disp. Theol. (zie Bibl, Pref. vol. IV, p. 254): Zoo vereenig ik mij met het gevoelen, dat er in de kinderkens, die verkoren zijn" en tot het verbond behooren, plaats grijpt een eerste inplanting der wedergeboorte door den Heiligen Geest, waardoor hun het beginsel en het zaad wordt ingeplant, waaruit later te zijner tijd de bekeering en vernieuwing des levens moet volgen; . , . immers het gevoelen (van onze Gereformeerde godgeleerden) is bekend, dat de Doop niet de wedergeboorte bewerkt, maar het teeken is van een wedergeboorte die reeds heeft plaats gehad (efficacia Baptismi non in producenda regenerationesed in iam producta obsignauda). Een daad des Heiligen Geestes in de pasgeborenen, die Voetius dan nader aldus omschrijft op p. 265: Wat aldus in het kindeke gewerkt wordt, is nog geen geloofs(f«a(f noch ook in eigenlijken zin een hebbelijk geloof, maar een bestaanswijze en vermogen in zijn verstand en wil, waaruit gelijk uit een zaad te zijner tijd door een nieuwe daad des Heiligen Geestes de gesteldheden en hebbelijkheden des geloofs voortkomen." En in de Catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus van Ds, Pouderoyen, die eigenlijk ook van Voetius herkomstig is, wordt op de desbetreffende vraag geantwoord: a, „dat se den Heiligen Geest hebben, zoowel als de volwassenen en de verlossing van de zonde, " Vr, : Bewijs dat de kinderen den Geest Christi hebben.' Antw.: Cor, 7 : 14: Want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig." Vr, : Kan men uit deze plaats bewijzen, dat de kinderkens den Heiligen Geest hebben.' Antw.: a. Vr. Hoe.' Antw.: Omdat men niet heilig zijn kan zonder den Heiligen Geest" (p. 415).

CLOPPENBURG in zijn Exercit. Theol. Tom. I. p. 1097, laat zich geheel in ge­ lijken geest uit: „Het is voldoende zoo de beteekende zaak in den Doop zij de inlijving der kinderkens in Christus en de gemeenschap van den Heiligen Geest die hen bewaart, teneinde, als ze zullen tot jaren gekomen zijn, het zaligmakend geloof in hen uit te werken..., Wij gaan dus uit van de onderstelling, dat de kleine kinderkers der geloovigen door een verborgen onmiddellijke werking van den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, totdat ze, hetzij in hun leven, hetzij in hun sterven, aan het einde hunner jeugd gekomen, neg in het vleesch of buiten het vleesch, door geloof of door aanschouwing die zaligheden bekomen mogen, die God hun, gelijk ook ons, betuigd heeft."

P. VAN MAASTRICHT zegt in Deel III op blz. 617 van zijn Besch. en practicale Godgeleerdheid, dat de kinderkens der Bondelingen daaroth moeten gedoopt worden „omdat ze der weldaden van het verbond der genade, der wedergeboorte en vergeving der zonde, deelachtig zijn.' Voorts „omdat ze leden zijn van het geheimzinnige lichaam van Christus, en derhalve het teeken der inlijving ontvangen moeten, " En eindelijk: vermits wij in de Heilige Schrifc belast worden te doopen, zoovele er den Heiligen Geest ontvangen hebben" , , . en volgens diezelfde Heilige Schrift (Luk. i : 15, Jer, i : S) „de kleine kinderen den Heiligen Geest ontvangen."

De professoren der Leidsche faculteit, wier gezag in de dagen der Dordsche Synode zco hoog stond, Polyander, Walaeus, Rivet en Thysius, spreken zich in hun Synopsis purioris Theologiae in gelijken zin uit, (Zie Ed. Bavinck p. 500. Disp. 44 c. 47 V. 9). „Tot de te doopen voorwerpen rekenen wij m de tweede p', aatsdekiaderkens der geloovigen ., , omdat alleen diegene op wie de beteekende zaak doelt, ook het teeken der zaak ontvangen moeten. Nu kan niemand loochenen dat de benificie van het bloed Christi en den Heiligen Geest zich ook uitstrekt tot de kinderkens der geloovigen, tenzij men deze alle van de eeuwige zaligheid zou willen uitsluiten; want gelijk niemand in het Koninkrijk van God kan ingaan dan die wedergeboren is, zoo kan ook niemand van Christus zijn, dan die den Geest van Christus hebbe ontvangen, " „Iets wat ten duidelijkste blijkt uit Ef. 5 : 26, waar de Apostel zegt, dat Christus zijn kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgegeven, ze reinigende door het bad des waters in het woord"; waaruit volgt, dat óf de kinderkens der geloovigen geen deel uitmaken van die kerk waarvoor Christus zich overgegeven heeft, óf dat ook de kinderkens door het bad des waters in het woord gereinigd zijn." Prof. A MARCK betuigde evenzoo in zijn Gomp. Theol. C XXII § 12: Intusschen erkennen we volgaarne... dat de genade des Geestes, krachtens de verdiensten Christi ook plaats heeft in de kinderkens der geloovigen, die verkoren en vroeg geheiligd zijn, welkegenade sommigen gewoon zijn een geloojszaad, een wortelgeloof, of ook minder juist een hebbelijk geloof te noemen". En in C. XXX 518 kent hij hun terdege „heiligmaking" toe: Want die komt den kinderkens mede toe, met eenig verschil

in de maniere; ook de heiligmaking, die men zoowel als de voorgaande verdorvenheid der natuur in hen erkennen moet." Reeds PETER MARTYR schreef in zxy^LocComm. CJ. IV, Cap. VIII, § 14: „Ik oordeel dat deze kinderkens, overmits ze door de verkiezing en voorbeschikking tot het eigendom Gods behooren, overgoten worden met den Heiligen Geest, dewelke in hen een wortel is, waaruit later geloof, hoop en liefde opschieten." En H. Alting liet zich in gelijken 2iti uit, toen hij zei: »Onze eerste stelling tegenover de Lutherschen is, dat kleine kinderkens geen daadwerkelijk geloof kunnen hebben. En hierop volgt de tweede stelling, die wij tegenover ds Anabaptisten plaatsen, dat in de kleine kinderkens een zaad des geloofs is ingeplant, waaruit later de geloofsdaad geboren wordt." Een voorstelling waarmee ook Prof. Maresius en Prof. De Moor zich vereenigen.

Zelfs BRAKEL getuigt nog in §14: „Een kindeke, voor het gebruik des verstands, uitverkoren en in Christus verzoend zijnde, kan door de almachtige kracht Gods, zonder middel van het Woord, bekeerd en veranderd en in de nature geheiligd worden." Een uitdrukking, waaiiti het woord „bekeerd" misplaatst is, en bedoeld wordt „wedergeboren." In de wedergeboorte toch is de zondaar volstrekt lijdelijk, maar in de bekeering, waartoe alleen de wedergeborene bekwaam is, werkt de wedergeborene persoon in het werk Gods mee; iets wat bij een klein kindeke niet kan voorkomen.

En om niet meer te noemen, ook Prof. J. VAN DEN HONERT schreef nog in zijn bekend werk. De gratia particulari, pag. 459: ïGod kan en God wil, in pasgeboren kinderkens. . . . door een ons onbekende en onnaspeurlijke werking zijn genadewerk inbrengen, niet buiten den Heiligen Geest om, maar door diens aldoordringende werking."

Met opzet hebben we deze aanhalingen wat breed genomen, om duidelijk te doen uitkomen, dat wij ten opzichte van de kinderen der geloovigen geen nieuwe leer verkondigen, maar juist de oude, echte Gereformeerde leer weer in het licht stellen. Een vreemde, bij ons niet thuis hoorende leer daarentegen verkondigen juist diegenen, die voor het genadewerk Gods in de kinderkens geen oog hebben, zoolang het niet tot bekeering kwam, en die deswege den Kinderdoop toedienen niet als zegel op wat God wrocht, maar als hoop gevende op wat Hij misschien werken zal.

Slechts zij nogmaals uitdrukkelijk herhaald, dat de kerk door bij den Kinderdoop te onderstellen, dat de doopeling reeds wedergeboren, Christus ingelijfd en des Heiligen Geestes deelachtig is, daarmee evenmin als bij den volwassen doopeling, er voor in staat, dat het zoo is. Of het zoo is, weet niet de kerk en weet niemand, dan alleen God de Heere. En daarom volgt de kerk zoowel bij volwassenen als bij kinderkens in den Doop niet een regel, die op eigen waarneming steunt, maar den regel des Verbonds, dien God haar in zijn Woord voorschreef; en alleen zóó gaat de kerk veilig.

Ze belijdt diensvolgens, dat allen die zalig zullen worden (kinderkens cf volwassenen) dit alleen worden uit kracht van uitverkiezing. Ze belijdt dat alle uitverkorenen (kinderkens en volwassenen) in zonde ontvangen en geboren worden, en daarom der verdoemenisse onderworpen zijn. Ze belijdt, dat deze verlorenen (kinderkens en volwassenen) alleen door wedergeboorte tot een nieuw leven kunnen komen. Ze belijdt, dat deze wedergeboorte, wat haar eerste kiem betreft, bij volwassenen zoowel als bij kinderkens, alleen door een rechtstreeksche daad des Heiligen Geestes tot stand komt. En ze belijdt eindelijk, dat de kerk dit werk Gods reeds bij de pasgeborenen te onderstellen, en ze op dien grond te doopen heeft, en deswege, zoo ze opgroeien, er op dringen moet dat ze tot bekeering komen, en zoo ze vrjjeg wegsterven, ze nastaart in het vertrouwen dat ze door aanschouwing zalig zijn.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 september 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Genademiddelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 september 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren