Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Van de Alis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Alis

16 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEELING XXX.

In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus eenmaal geschied. Hebr. 10 : 10

V. (Slot).

Zoo bleek ons dan, dat de Roomsche godgeleerden uit de Heilige Schrift niet één enkel getuigenis kunnen voortbrengen, dat recht geeft, om aan te nemen, dat er metterdaad bij het heilig Avondmaal zulk een ondoorgrondelijk en alle mirakel zeer verre overtreffend wonder zou plaats grijpen. Machtiger wonder toch is niet denkbaar, dan dat een mensch, enkel door het uitspreken van de inzettingsv/oorden van het Avondmaal, Christus aou kunnen verdubbelen en vertiendubbelen. En hierop toch komt de belijdenis van de Mis neder. Paus Eugenius IV heeft het zoo kras mogelijk uitgesproken: nipsorum verborum virtute substantia panis in corpus Christi et substantia vini in sanguineni convertuntur", w. z. w. „het is het uitspreken der woorden waardoor de verandering van het brood in het lichaam, en van den wijn in het bloed van Ciiristus plaats grijpt." En deze verandering koint, gelijk we vroeger aantoonden, hierop neer, dat alsnu in elke korrel brood en in eiken droppel wija ten slotte de ge heele Christus naar lichaam en ziel niet alleen, maar ook naar zijn Godheid aanwezig is. Er wordt niet geleerd dat het brood overg.iat in een substantie, die overeenkomst met de substantie van Jezus' lichaam, noch ook dat de wijn overgaat in een substantie, die overeenkomt met AQ snhstantie van Jezus' bloed; maar dat het brood en de wijn, en elk deeltje van dit brood en van dezen wijn overgaat en omw ordt gezet jn geheel den werkelijken Christus; zoodat, na de zegenspreuk, aanwezig is de Christus zelf met heel zijn lichaam, en dus ook in al zijn lichaamsdeelen, en evenzoo met geheel zijn ziel en zijn volmaakte Godheid. En overmits nu deze dusgenaamde offerande van de Mis eiken morgen op minstens 100.000 plaatsen wordt opgedragen, en bij elke Mis (na de separatie) de geheele Christus in elk korrelke van den ouwel en in eiken druppel van den wijn zou zijn; en dit aantal korrelkens en druppelkens tcch minstens honderd telkenmale bedraagt; komt men alzoo tot de voorstelling, dat er eiken morgen behalve de Christus die in den hemel zit, bovendien nog op andere plaatsen eenige millioenen Christussen aanwezig zijn, ta« allen identiek moeten wezen met den ééaen Christus in den hemel.

Dit is geen overdrijving. Immers het Concilie van Trente heeft het duidelijk uitgesproken, dat de aanwezigheid zoo van het lichaam en de ziel als van de Godheid van den Christus in brood en wijn „'waarlijk, wezenlijk en werkelijk" plaats grijpt. Men heeft dus het recht niet alleen, maar is verplicht, op deze woorden de volle klem te leggen, en derhalve te constateeren, dat, volgens de theorie van Trente, wezenlijk en werkelijk eiken morgen meerdere millioenen lichamen van Christus met handen en voeten enz. gecreëerd worden; daarna door de priesters en de geloovigen met den mond tot zich worden genomen; en dat ditzelfde wonder zich 's middags en 's avonds, en zoo eiken dag herhaalt.

Hiertegen nu komen we in verzet, niet omdat we het wonder verwerpen, maar omdat i". dit wonder niet door de Heilige S Thrift betuigd is; en 2". omdat het volgens alle beginselen van ons bewustzijn onbestaanbaar is. Van het eerste punt is dusver genoeg gehandeld; we komen daarom thans tot het tvv-eede. En dan zij gezegd, dat de almacht Gods niet daarin bestaat, dat God Mies doen kan, wat in ons menschelijk brein fcan opkomen. De Schrift zegt duidelijk, dat Go i zelfs iets «? V^ kan, wat een mensch en een engel wel kunnen. „God kan zich zei ven niet verloochenen." Vraagt men nu in het onderhavig geval, of God door zijn almacht brood niet in vleesch, en wijn in bloed, kan omzetten, dan antwoorden we zonder de minste aarzeling in bevestiqenden zin. Christus heeft water in wijn veranderd, en de staf van Mozes wierd veranderd in een slang. Dit kan daarom, omdat God elk oogenblik alle substantie alleen door zijn almacht draagt, en door zijn wil zijn doet wat ze is. Een stuk brood is dus elk oogenblik niets dan een product van Gods almachtigen wil. Dit nu zoo zijnde kan God derhalve, door niet meer te willen dat er brood zij, dit brood doen verdwijnen, en door te willen dat er alsnu vleesch zij, er vleesch voor in plaats scheppen. Op zichzelf zou het dus uit de almacht Gods (altoos i.id; .en de Schrift het zoo leerde) zeer wel verklaarbaar zijn, dat het brood vleesch en de wijn bloed wierd, en dat dit vleesch en bloed gelijksoortig waren met het vleesch en bloed van den Christus. Vleesch en bloed toch zijn twee substantiën van ons lichaam, die in den vorm van cellen en bloedbollesjes voor vermeerdering en vermindering vatbaar zijn, zonder dat het lichaam er onder bezwijkt.

Maar gelijk gezegd, dit leertRome volstrekt 7tiet. Hst houdt staande dat in elk korrelke brood en in eiken druppel wijn, na de separatie, de geheele Christus zelf naar lichaam en ziel en Godheid, aanwezig is. En dit nu is feen wonder meer, maar vlakaf een onbestaanbaarheid, die door geen beroep op Gods almachtigheid kan worden gedekt. Zeg ik toch eenmaal, dat Gods almacht eenzelfde wezen dag in dag uit verduizendvoudigen kan, dan valt er over Mis noch over Avondmaal meer te spreken, en kan kort en goed alle saamspreking over welk onderwerp ook van religieusen of van wereldlijken aard gespaard.En ditleert Rome. Het zegt niet, dat God honderd duizend nieuwe Christussen schept, die in veel gelijken op dien éénen wezenlijken Christus, die aan de rechterhand Gods zit; maar dat God dien éénen zelfden Christus, die in den hemel is en blijft, gelijktijdig op honderd duizend plaatsen aanwezig laat zijn op aarde; niet door de uitstraling zijner kracht noch ook met zijn goddelijke werking; maar in zijn wezen zelf, naar z!el en lichaam beide. Als een Roomsche voor het altaar staat ziet hij één Chiistus voor zich op het altaar liggen; en weet hij dat toch ook die Christus in den hemel aan Gods rechterhand zit, en dat wel beiden „wezenlijk, waarlijk en werkelijk", zóó dat ge door geen figuurlijke uitlegging of mystieke verklaring het wezenlijke of werkelijke er van looche­ nen moogt. Uit God zelf zijn in ons menschelijk besef de eerste beseffen ingeplant van het wezenlijke; etl onder dezebeseüfen |nu. behoort ook, dat een persoonlijk wezen {niet tegelijk honder'^. wezens kan zijn, en ? dat een zienlijke substantie van groote afmetingen niet tegelijk onzienlijk kan wezen. Dat zijn geen menschelijke verzinsels, maar goddelijke ordinantiën, en Gods almacht speelt met zijn ordinantiën niet, maar werkt er door. Heel deze Misvoorstelling is dus niet boven de rede uitgaande, maar tegen het primordiaal, door God ons ingeplant, menschelijk besef ingaande; daargelaten nu nog, dat een „wezenlijk en werkelijk" lichaam ergens blijven moet, en dus ook de vraag open blijft, waar al deze onophoude'ijk tot aanzijn geroepene Christussen blijven.

Altoos komt dus, v/at dit punt betreft, de zaak van de Mis op dit dilemma neder. Of wel, ge moet het »vere, essentiaiiter et realiter" i) van het Concilie van Trente terugnemen, en dus niet langer belijden, dat Christus naar ziel en lichaam en Godheid waarlijk, wezenlijk en werkelijk in elk deelke van brood en wijn schuilt; óf ge moet toestemmen, dat er dan ook metterdaad niet langer één Christus bestaat, maar zoo vele Christussen als er Missen worden opgedragen. Kiest ge nu het eerste, dan komt het neer op de Calvinistische belijdenis, dat Christus in den hemel is en blijft, maar door zijn genade, almacht en Geest op aarde tegelijk op duizend plaatsen werkt. Maar kiest ge het laatste, dan is en blijft de Mis een in volstrekten zin onbestaanbaar iets, overmits de mensch Jezus Christus niet bestaat uit honderdduizenden Christussen, maar slechts uit éénen mensch, met ééne zielen één lichaam, en alzoo slechts op ééne plaats tegelijk kan zijn, niet wat zijn waarneming of werking, maar wel wat zijn wezen betreft.

Doch niet alleen het besef van ons menschelijk bewustzijn, maar ook de Heilige Schrift verbiedt ons de Mis te aanvaarden.

Duidelijk toch vinden we in de Heilige Schrifc onderscheiden tusschen twee bedeelingen, die der Schaduwen en der Vervulling, In de bedeeling der Schaduwen nu ontbreekt de waarheid en de wezenlijkheid ea gaat alles toe in zinbeeldigen vorm. Wat vergoten wordt is geen menschenbloed, maar het bloed van stieren en bokken. Wat tot zalving dient is niet de Heilige Geest, maar olie. Wie als voorbidder optreedt is niet de ware Hoogepriester, maar een afbeeldsel van den Christus, gekleed in ten symbolisch gewaad. Kortom heel deze bedeeling schaduwt wel het ware en wezenlijke af, maar is het ware en wezenlijke zelf niet. Dat ware en wezenlijke komt eerst in Christus, die daarom „de waarheid' d. i. het »ware en wezenlijke" heet. „De wet is door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid (dezer dingen) is verschenen in het vleesch geworden Woord".

Zoodra de Vervulling intreedt valt dan pok de bediening der Schaduwen weg. Het voorhangsel des tempels scheurt in twee. Van den tempel zal geen steen op den anderen worden gelaten. Heel Jeruzalem wordt verwoest. En wel zal de tempel in die dagen weer worden opgebouwd, doch die tempel zal niet meer een symbolische tempel zijn, maar jfezus' eigen lichaam, waarin de Godheid lichamelijk woont.

Wie dan ook nadat de Vervulling inging pen dienst der Schaduwen blijft handhaven, Reageert daardoor tegen de Vervulling die gekomen is. Zoo deden het vele Joodsche Christenen in de dagen van Paulus, en het is uit dien hoofde, dat Paulus hen zoo ontzettend ernstig en scherp terecht zet, en hun betuigt, dat ze op die wijs niets minder doen, dan den Christus verloochenen. Iets wat in nog erger mate geldt van elke poging der Roomsche kerk, om den symbolischen eeredienst ook thans nog te handhaven, overmits deze Joodsche Christenen .dan tenminste nog den dienst der Schaduwen •in stand wilden houden op de manier, waarop die in de wet van Mozes was voorgeschreven, terwijl de symbolische eeredienst, die bij Rome in zwang kwam, geheel eigen paden koos.

Dit nu ware uit de Heilige Schrift op elk punt aan te toonen, maar op geen punt zoo gemakkelijk, als juist op bet punt van de offerande voor de zonde. Want wel erkent en belijdt ook de Schrift, dat geen zondaar voor God, zonder een offer voor de zonde bestaan kan, en dat dit offer geen ander zijn kan, dan het offer van den mensch zelf; maar óf dit leidt tot het verzinken in den eeuwigen dood van eiken zondaar, óf wel het moet leiden tot een plaatsbek leedend offer voor zondaren, van één die den dood verslinden kon tot overwinning, en in kon treden voor allen tegelijk. Daartoe nu is het Woord vleesch geworden, opdat de Zone Gods, door de menschelijke natuur aan te nemen, met ons allen in gemeenschap zou treden; en alzoo voor ons allen zou kunnen opkomen; en tegelijk door de kracht zijner Godheid én het offer zou kunnen brengen én toch leven in eeuwigheid. Vandaar dat de Heilige Schrift er zoo omstandig op wijst, dat met deze ééne oj^erande het al volbracht is. Juist deswege toch stelt de Schrift Christus als den waren Melchizedek tegenover het priesterdom van Aaron. Aaron was de priester van den dienst der onwezenlijke Schaduwen, In zijn bediening was alles schijn, geen waarheid. En zoo moest Aaron altoos weer hetzelfde zinnebeeld herhalen, hetzelfde symbool vertoonen, dezelfde schaduwen vernieuwen. Maar zoo is Christus de ware Hoo gepriester niet. In hem is niets schijn, maar alles wezen en waarheid. Vandaar dat hij, eenmaal priester zijnde, niet als Aaron weer als priester aftreedt, maar priester blijft in eeuwigheid. En wel zulk een priester, dien het niet alle dagen van noode was, gelijk den Aaronietischen hoogepriester, „eerst voor zijn eigen zonde slachtoffers op te offeren en daarna voor de zonden des volks; want dat heeft hij eenmaal gedaan, als hij zichzelven opgeoff-erd heef f' (Hebr, 7 : 27). „Noch; ook opdat hij zichzelven dikmaals zou opofferen, gelijk de hoogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; anders had hij dikmaals moeten lijden van de grondlegging der wereld af; maar nu is hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door zijn zelfsofferande; alzoo dat Christus eenmaal geofferd is, om veler zonden weg te nemen" (Hebr. 9 : 25 en 27). AUes hing dus aan deze ééne wilsdaad van. den Christus, „in welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Christus, eenmaal geschied; en een iegelijk priester (Aaron) stond wel alle dag dienende en dezelfde slachtoffers dikmaals offerende, die de zonde nimmermeer kunnen wegnemen; maar deze één slachtoffer voor de zonde geoff'erd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods" (Hebr. 10 : 10, 11),

De uitspraken der Heilige Schrift zijn dus juist op dit punt zoo omstandig en duidelijk mogelijk. Van den val in het paradijs af tot op Golgotha, is er geen enkel wezenlijk zoenoffer geschied. Op Golgotha; eerst is het offer voor de zonde gebracht; en dit offer eenmaal geschied zijnde wordt niet herhaald; en kan niet herhaald worden; omdat het eeuwige geldigheid heeft, zoowel voor de geloovigen van het Oud Verbond als voor de geloovigen des Nieuwen Testament? .

Ook hierop dient gelet. Immers de Roomsche kerkleer houdt staande, dat de geldigheid van Jezus' oiïerande slechts verkregen wordt door een gestadige herhaling van zijn offerande op onbloedige wijze; waar, dit zoo zijnde, dus ook uit volgt, dat er Voor de geloovigen van het paradijs af tot Golgotha geen verzoening derrkbaar was. Immers de Schrift zegt duidelijk, dat de dierlijke offeranden geen verzoening konden te weegbrengen. En is het nu waar, dat ook de offerande van Christus geen nut doet, tenzij ze op onbloedige wijze door ons wordt herhaald, dan zou er of door Adam, Abel, Seth enz. reeds óf een Mis moeten bediend zijn, óf wei de vrucht van Jezus' zoenoffer gaat voor hen teloor. Zegt Rome daarentegen, dat de oudvaders de vergeving hebben verworven uit Christus' offerande zonder onbloedige herhaling of verzinbeelding er van, welnu dan volgt hieruit, dat dit veel meer nog ook thans mogelijk is, en zinkt alzoo onder de Mis zelfs heel de bodem der noodzakelijkheid weg.

En wat Rome nu zegt dat toch de offerande van Christus moet worden toegepast op den enkelen zondaar, dit ontkent geen enkel Calvinist. Veeleer wordt dit ook onzerzijds volstandig beleden, en zijn we gekant tegen elke ongeestelijke voorstelling alsof Golgotha zonder meer op zichzelf de ziel zaligen zou. Maar wat is toepassing.? Wanneer er om edel drinkwater naar een stad te leiden, op de duinen of in de rotsen een waterleiding of bron van zuiver water geopend wordt, dan zal mij in mijn huis dit water natuurlijk niet baten, tenzij ik dat water op mijn huis toepas, en mijn woning met die bron of die waterleiding in verbinding stel. Maar die toepassing en in verbinding stelling bestaat dan niet daarin, dat ik in mijn eigen huis de bron kopieer of naboots, maar uitsluitend hierin, dat ik de werking & a 6e kracht en èc vrucht van die bron naar mijn huis toeleid. Is nu zoo, naar luid van den profeet Zacharis, in den Christus een „fontein geopend tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid, " dan moet natuuriijk voor mijn ziel, zal ze aan de fontein deel hebben, de vrucht van die fontein, haar kracht en haar werking naar mijn ziel worden toegeleid. Doch daartoe moet dan niet, gelijk de Mis wil, voor

1) Waarlijk, wezenlijk en werkelijk.

een ieder een aparte fontein in nabootsing van die ééne ware fontein geopend, maar moet het water uit die fontein mij toestroomen. Diensvolgens belijden wij dan ook van ganscher harte, dat de vrucht van het zoenoffer van Christus ons door den Heiligen Geest moet worden toegepast en door ons alleen kan genoten door het geloof.

Rome daarentegen stelt in de Mis, dat Christus, de wezenlijke Christus, gedurig weer en weer geofferd wordt. Elke Mis f is dus een nieuwe wezenlijke ofiferande. Zij verklaart de Mis, niet een schijnofïer, maar een wezenlijk offer te zijn. Het is de ware, wezenlijke, werkelijke Christus die op het altaar ligt, die door de separatie gedood wordt, en dus nogmaals sterft, en alsnu als gedoode Christus Gode wordt opgeofferd. Er geschiedt bij de Mis dus waarlijk, wezenlijk en werkelijk wat op Golgotha geschied is, alleen op andere wijze. Daar bloedig, in de Mis onbloedig. Een onderscheiding, die volgens de Schrift alle kracht aan de Mis ontneemt, daar toch de Schrift betuigt, dat er zonder bloedstorting geen vergeving geschiedt. Doch hierbij blijft de tegenspraak met de Heilige Schrift niet. Is op Golgotha het offer voor onze zonden volbracht, dan natuurlijk blijft er geen zonde meer te delgen over. Daar nu de Mis stelt, dat ook haar onbloedige offerande schulddelgende kracht heeft, zoo volgt er uit, dat de Mis rechtstreeks ontkent, dat het offer van Golgotha alle zonden volkomenlijk verzosnd heeft. En al weten we nu zeer goed, dat de Roomsche kerk het Misoffer geen oogenblik losmaakt van het offer op Golgotha, en er slechts een aanvulling en herhaling van dat ééne offer in ziet, zoo blijft toch het feit staan, dat het Misoffer in waardij geheel gelijk komt te staan aan het offer op Golgotha. Immers én op Golgotha én op het Misaltaar is het beide malen de ware, wezenlijke, werkelijke Middelaar, die zich naar lichaam en ziel in den dood geeft en sterft. Er is dus niet langer ééne offerande van den Christus, maar sinds Golgotha heeft hij zich reeds millioenen en billioenen maal in elk jaar geofferd. En doordien nu dit Misoffer alle hoedanigheid mist om den aanschouwer eenigen indruk van het wezenlijke lijden van den Christus in den kruisdood te geven, kan het niet anders of de indruk van 's Heeren kruisdood gaat al meer teloor, en de aandacht wordt al meer afgeleid naar de Sacramenteele kracht van den priester, om uit brood en wijn door zijn machtspreuk een wezenlijke Christus present op het altaar te maken.

Van de belijdenis onzer vaderen, dat de Mis niet slechts tot afgoderij leidt in de aanbidding van de Hostie, maar ook een „verloochening is van de eenige ofterande van Christus aan het kruis volbracht", kunnen we alzoo niets terugnemen. Met de Heilige Schrift voor ons, kunnen we niet anders betuigen, dan dat de Mis alzoo is, en dat deswege door geen onzer aan de Mis mag worden deelgenomen.

Zoolang het nog oirbaar was in de Roomsche kerk te leeren, dat Christus, die aan de rechterhand zijns Vaders in den hemel gezeten is en blijft, in en door brood en wijn zijn heilige tegenwoordigheid, als vleesch geworden en gekruiste Middelaar, gevoelen deed in hen die gelooven, kon de Mis nog als mystieke pcëiie verontschuldigd. Maar van het oogenblik af dat paus Innocentius III in 1214, en, op zijn voetspoor, het Concilie van Trente den vloek heeft uitgesproken over een iegelijk die niet belijdt, dat hetgeen, na de consecratie op het altaar ligt, waarlijk, wezenlijk en werkelijk de volle Christus, zoo naar zijn vleesch en bloed als naar zijn zielen Godheid is, wierd feitelijk elke poëtische of mystieke opvatting onmogelijk, en kon de Reformatie niet anders doen, dan zich zoo principieel mogelijk, en in de eerste plaats, juist tegen de Mis verzetten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Alis

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1891

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken