Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Nu Prof. Gunning te Leiden zijn rekenschap in het licht zond en de redenen opgaf, waarom hij oordeelt, dat de «Wijsbegeerte van den Godsdienst" een onmogelijk theologisch vak is, en we een volgende week op dit geschrift de aandacht wenschen te vestigen, is vooraf noodig onzen lezers te herinneren op welk een wijze Prof. Gunning voor ruim anderhalf jaar (21 Sept. 1889) sprak.

In zijn voorafspraak liet hij zich toen aldus uit:

»Elk mensch ziet ten slotte eigenlijk slechts wat hij wil zien" Onder de vele ware en oprechte woorden die mijn betreurde Voorganger (de moderne hoogleeraar Rauwenhoff) sprak, is dit korte woord zeker een der inhoudrijkste. Het xlrukt uit dat ten slotte ieder uit zijn geloof spreekt en handelt, want het geloof behoort tot den wil of, nog juister, de wil behoort tot het geloof, tot de grondkracht des levens. Daarom is ook wat op dit oogenblik hier geschiedt, iets zeer gewoons. Iemand treedt voor U - op die, afgezien van zijn persoonlijke zwakheid, niets anders doet dan wat bij een gelegenheid als deze iedereen , evenzeer als hij doet, namelijk dat hij uit zijn geloof handelt. En dit heeft voor hem deze beteekenis dat hij nu eenmaal deze roeping niet door hem kon afgeslagen worden, ook in dit Staatsambt de Gemeente wil dienen, wier belijdenis van den Christus der Heilige Schriften hij als de zijne erkent.

Toch beseft hij' hier, de toestanden genomen zoo als zij staan een verantwoording schuldig te zijn, die hij daarom bescheidenlijk wenscht te geven. Namelijk: de leerstoel dien hij aanvaardt, die van de wijsbegeerte van den godsdienst en van de Encyclopedie der god geleerdheid, is een wetenschappelijke leerstoel. Men mog onze Wet op het hooger onderwijs goedkeuren of niet, een feit is dat zij de faculteit der godgeleerdheid tot een algemeen-wetenschappelijke, aan geen kerkelijke belijdenis gebondene, heeft willen maken. Nu kan de zedelijke bevoegdheid om eenig lichaam, ook den Staat, te dienen, alleen rusten op het besef van eerlijk met het besturend beginsel, als het ware met de Confessie, van dat lichaam in te stemmen. Zedelijke be voegdheid tot het aannemen van den hier genoemden leerstoel kan dus een belijder van het geloot der Gemeente alleen dan hebben, wanneer hij overtuigd is van het wetenschappelijk karakter eener wijsbegeerte

i) Ten bewijze sta hier de zinsnede, waaruit Ds. Ten Hoor onze woorden uitkipie, in haar geheel. Er was sprake van hetgeen onze Overheid, met het oog op de wet van iSjs doen moest

«Maar ook nog om een andere reden vragen we erkenning bij de Wet.

De Christelijke kerk in haar veelvormige inrichting behoort tot het leven der natie. Het is niet een tijde lijke combinatie die in de Christelijke kerk zich aan dient, en die deswege evenals een vereeniging na 30 jaar weer vervalt. Ze is integendeel een deel van het leven der natie. Ze hoort er toe. Het nationale leven is zonder de Christelijke kerk ondenkbaar. En omge keerd is het ook voor een kerk noodzalcelijk dat ze duurzaamheid in de geslachten bezitte, en dus sta op vaste basis.

Ook uit dien hoofde zou erkenning bij de Wet ons het veiligst en raadzaamst voorkomen, " van den godsdienst die van dat geloof «itgaat. Daar nu col; il£ die overtuiging koester, verzoel^ ik tot U te mogen spreken over. de wijsbegeerte van den godsdien uit het beginsel van het geloof der gemeente. De aard eeaer Nederlandsche Staatsuniversiteit laat zulk èen wijsbegeerte toe. Want die universiteit is naar haren aard noch goddeloos, noch ongeloovig, noch neutraal, maar zij is het directe tcgeödeel van dat alles, namelijk vrij. Doch hier is het de vraag of ook de wetenschap, naar haren aard, zulk een wijsbegeerte van .den godsdienst toelaat. Het wetenschappelijk recht van zulk een wijsbe geerte wensch ik derhalve te bepleiten omdat ik, haar voordragende, eerlijk naar de bedoeling der wet den Staat begeer te dienen.

De positie van dit vak in de Theologische faculteit wierd alzoo zoo stellig mogelijk gefiatteerd.

Doch hierbij bleef de redenaar niet staan.

Even stellig toch beweerde hij, dat het standpunt des geloofs het wetenschappelijk karakter van dit vak waarborgt.

Dat nu het geloof der Gemeente, het geloof in den Christus der H. Schriften, voor de wijsbegeerte van den godsdienst de hier beschreven vrijheid niet alleen eischt maar ook waarborgt, . meen ik te kunnen bewijzen. Dat namelijk eenig onderzoek er - werkelijk in geslaagd zij, zich aan het leven van zijn "voorwerp te houden, moet daaruit blijken, dat dit onderzoek den maatstaf en toetssteen dien het noodig heeft werke-^ lijk aan het wezen des voorwerps ontleene, en dit voorwerp dus kunne meten aan zijn eigen idee. Om het hoofdkenmerk van den godsdienst toe te lichten, moet men de godsdiensten der wereld historisch onderzoeken ze ondervragen of er ook een gemeenschaplijk beginsel in spreeïif dat, bedekt of duidelijk, onderdrukt of vrijwerkend, terstond zichtbaar of eerst bij hooger ontwikkeling te voorschijn tredende, als zulk een levenskenmerk mag gelden. £n nu leert het geloof der Gemeente, bij dit historisch onderzoek als eigenlijk wezen van allen godsdienst te voelen de overgave des levens, de zelfverloochening, de verloochening van het lager om het hooger leven, het Offer, het Kruis. Ik meen dat het hiermede de ware levenseenheid van den godsdienst aanraakt. Ook in de ruwste, meest zelfzuchtige, aanvangen van den godsdienst ^iet het de verborgen werking van een beginsel dat zijn volle openbaring heeft gevonden aan het kruis van Golgotha. De daad der zelfverloochening; de daad, niet het feit. Als daad Gods in ons laat dit beginsel ïich in de wetenschap slechts als hypothese gelden, totdat het door verificatie aan de werkelijkheid zijn recht bewezen heeft. De goddelijke achtergrond is hier slechts een hypothese; maar dit neemt de wetenschap lijkheid van zulk een onderzoek niet weg; immers van zulk een geloof als hypothese gaat noodzakelijk ook elk ander wijsgeerig onderzoek van-den godsdienst uit, hoe streng wetenschaplijk het zich ook noeme. Elk onderzoeker, van welke richting of denkwijze ook, heeft iets in zich dat hem het hoogste is, d. i een geloof, waaraan hij het hoogste, den godsdienst, meet. Dat geloof is zijn geloof. Zou hij staande het onderzoek, de onjuistheid van dien maatstaf inzien, dan ware hij verplicht den betere te kiezen, d. i. van geloof te veranderen; maar dan bleef toch dit nieuwe geloof, dus altijd zijn persoonlijk geloof, de maatstaf. Daaraan is niet te ontkomen. Slechts blijke uit de verificatie aan de werkelijkheid, dat onze hypothese de ware zij. De sleutel die het slot opent, is de ware.

Men ziet dus hoe Prof. Gunning nog geen anderhalf jaar geleden bij zijn eerste optreden te Leiden niet aarzelend, maar met groote beslistheid, als deugdelijk een standpunt verdedigde, dat wij destijds beslist afkeurden, en dat hij nu zelf als onhoudbaar verlaat.

Over het standpunt, waarop hij thans staat, een volgend maal.

KUYPER,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1891

De Heraut | 4 Pagina's