Onlangs is door schrijver dezes medege
deeld, dat hij in Tirol een Roomsche kerk was binnengetreden, waarin zich links een altaar voor Maria en rechts een altaar voor Christus bevond, en dat nu bij het altaar voor Maria de wand letterlijk met votiefplankjes bedekt was, terwijl er bij het andere altaar niet één hing.
Naar aanleiding hiervan ontzag de Tijd zich niet onlangs in haar redactioneel gedeelte het volgende te schrijven: ^^
Toevallig?
Naar aanleiding van de ervaring, die Dr.
Kuyper bij zijn reis in Tirol »onlangs" zegt te hebben opgedaan (zie ons Hoofdartikel van •1. Maandag), schrijft ons een onzer vrienden u. a.:
»Het geval van die twee altaren is reeds vóór een jaar ongeveer in de Germania behandeld. Een Pruisische predikant schreef er over geheel in den trant, waarin de heer Kuyper er zijn »christelijk medelijden" over uitspreekt. Eén van beiden dus: of de bewuste kerk in Tirol oefent een bijzondere aantrekkingskracht uit op »christelijk-medelijdende" predikanten, óf.... (ik durf het haast niet zeggen !) Dr. Kuyper heeft het verhaaltje van zijn pruisischen collega eenvoudig nageschreven!
xlt Grappigste echter van de geheele historie is nog wel het volgende: de Germania sommeerde indertijd den pruissischen predikant om de plaats, waar hij zijn ervaring zeide te hebben opgedaan, te noemen. En... tot nog toe geen antwoord! ^
»Zoudt gij die sommatie soms ook met vrucht tot den heer Kuyper kunnen richten ? ..."
Dit stukje heeft onze verontwaardiging opgewekt.
We dachten dusver, dat de redactie van de Tijd nog te veel eerbied voor zichzelve had, om liaar politieke tegenstanders door zoo grove personaliteit te verguizen.
Ze dicht hier toch aan haar tegenstander niet minder toe, dan dat hij, bovenstaand verhaal in een Duitsch blad gelezen hebbende, brutaalweg met zijn naam er onder loog, dat hij zelf met eigen oogen dit feit zou geconstateerd hebben.
En nu poge de redactie zich niet te redden met de uitvlucht, dat ze dit niet ze^t, en het maar vraagt; want de Tijd weet zeer goed dat het na dit stukje bij haar lezers een uitgemaakte zaak is, hoe ons zeggen op een verzinsel berustte.
En dit nu gaat te ver.
Dit mag niet.
Over en weder hebben we, om der wille van onze beginselen, toch vaak reeds scherp genoeg tegenover elkander te staan.
Maar waar blijft onze journalistische eere, wanneer, we zeggen niet een orgaan als de Maasbode, maar een redactie als van de Tij'd, zich een zoo verregaande onhebbelijkheid en onkieschheid ten laste laat komen?
Natuurlijk denken we er niet aan, om op zulk een sommatie de plaats waar dezekerk staat, te noemen.
Als het iemand van honorabele positie ust, om op fatsoenlijke wijze, dit te vraen, zullen 'we hem terstond den uit vier
Maar onze eere is ons te lief, om door zulk een smadelijke insinuatie ons te latendwingen.
Slechts dit voegen we er nog aan toe, dat het bedoelde dorp door de Alpinisten zeer druk bezocht is, en dat het dus niet de minste verwondering kan baren, ^ zoo ook een der vele Duitsche Alpinisten reeds vroeger dezelfde opmerking gemaaktheeft; al was ze ons onbekend.
Het is zoo in het oog loopend, zoodramen de kleine kerk binnentreedt
En dat te meer, omdat er op vele van die votiefplankjes stond: Maria kat §e-holfen.
Een uitdrukking die zoo onwillekeurig toont, hoe de eenvoudige lieden in hun bidpractijk, voorbede en goddelijke hulpe door-eenmengen.
Rekent men nu met het feit, dat de oude Tirolers door hun Bildtstöckli, waarmee het land bezaaid is, het toenmalig nog zeer Christolatrisch karakter van hun religie verrieden, dan is hier o. i. wel zeer zeker een bewijs van feitelijken achteruit gang.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1892
De Heraut | 4 Pagina's