Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Met Spurgeon daalde in de afgeloopene

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met Spurgeon daalde in de afgeloopene

14 minuten leestijd

Amsterdam, 5 Febr. 1892.

Met Spurgeon daalde in de afgeloopene week een prediker des Woords ten grave, die ook in ons land duizenden ten zegen werd.

Een man van studie was hij niet. Veeleer was hij, wat wij zouden noemen, een man van Art. VIII; maar zoo ooit dan werd het in dezen man duidelijk, wat ge te verstaan hebt onder singuliere gaven.

Geen kerkelijke vierschaar, waar ter wereld ook saamgeroepen, is denkbaar, of op de vraag, of aan dezen man singuliere gaven voor den Dienst des Woords waren verleend, zou aller antwoord eenparig en toestemmend hebben weerklonken, zondereen zweem van aarzeling.

Nauwelijks is er, om nog sterker te spreken, één gestudeerd predikant denkbaar, die niet gevoelde hoe zijn eigen predikgaven bij die van Spurgeon achterstonden.

stonden. Want bij Spurgeon bestonden deze singuliere gaven niet uitsluitend in een grqote gemakkeiijkheid van spreken, in zekere boeiende voordracht en levendigheid van voorstelling, maar veel meer nog in een kennis van het menschenhart en in een kennis van den rijkdom der Schrift, die ook zijne in druk uitgegeven leerredenen tot degelijke zielespijs maakten, bijna in alle landen der wereld.

Hij was zoo in den vollen zin des woords een gave van God aan zijn kerk, en zijn optreden toont zoo beschamend, en toch ook hoopgevend, wat onze Heiland voor zijn kerken doen kan, als hij zulk een leeraar haar toebeschikt.

Men zou zoo zeggen, met een honderd mannen als Spurgeon, ware de wereld te veroveren geweest.

Want al stonden er naast hem in het groote Londen, in tal van kerken, mannen van hooge welsprekendheid, van dege geleerdheid, en van sociaal machtigen invloed, toch spande Spurgeon de kroon, omdat hij dieper dan die allen in de waarheid van Gods Woord was doorgedrongen, en minder dan die allen met den geest dezer eeuw was besmet.

Spurgeon geloofde.

Hij geloofde als een kind.

Vol en krachtig, zonder aarzeling en zonder overmoed.

En omdat hij geloofde daarom sprak hij. Zoo sprekende heeft hij dan ook overmocht. Heel Londen kende zijn naam. Schier elke vreemdeling zocht zijn Tabernakel op. Londen kon niet buiten hem.

En nu hij eindelijk te Mentone stierf, om tot de zaligheid zijns Heeren in te gaan, gevoelt heel Londen een gemis en is men in heel Engeland in rouwe.

Men gevoelt het zoo: Zulk een man is niet te vervangen.

Onder ons zal zijn sterven daarentegen nauwelijks gevoeld worden, want wat hij voor ons was, dat zal hij voor ons blijven, de beminde schrijver, de boeiende leesprediker, de toelichter onzer Psalmen, de man die ons in het hart grijpt.

Want immers God de Heere heeft dezen rijkbegaafden, dezen met zeldzaam singuliere talenten versierden man, niet alleen aan Londen voor een tijd, maar aan al zijn kerken voor eeuwen geschonken.

Ook als wij er niet meer zijn zullen, zal Spurgeon nog gelezen worden, en zal God nog dank en eere ontvangen voor wat Hij in Spurgeon aan zijn kerke schonk.

Te Leiden ontsliep deze week de oude eneritus-predikant Beman Brouwer.

Hij was een dier weinigen, die in den bangen tijd voor nu veertig jaren, den strijd tegen het ongeloof streden en den moed hadden de banier onzes Heeren op te heffen.

Vooral zijn komst te Leiden was destijds een eveneme.it; en ook in de ontwikkeling en opbloeiing van het Gereformeerde leven, die daarna is gekomen, heeft hij zich hartelijk verheugd.

Natuurlijk bleef hij ten einde toe gebonden door de onware theorie, waarin toenmaals de Synodale predikanten zich tegenover de actie van 1834 hadden vastgezet.

Veelszins brak dit zijn kracht, en heeft dit de warme sympathie van zijn hart getemperd.

Maar toch, zoo ge den hoogen moed, waarmee Brouwer, na de actie van 1834, tegen de Synodale organisatie getuigde, vergelijkt met de slaafsche volgzaamheid, waarmee thans vele orthodoxe predikanten, na de actie van 1886, zich voor de Synodale organisatie buigen, dan gevoelt ge toch een sterksprekend onderscheid.

In hem bleef altoos bitterheid tegen de Synode dooreengemengd met waardeering van de broederen, die hij niet volgen kon.

Thans helaas, is het zoo veelszins bitterheid tegen de broederen, die zich dooreenmengt met sympathie voor de Synode, die hen uitwierp.

In Ds. Kleinendorst van Scheveningen is een dier stille gezanten van Christuswege ten grave gedaald, van wier eenvoudige werking zoo ongemeene invloed uitging op de omgeving waarin ze geplaatst waren.

Er was in zijn prediking dat geestelijk volle en overvloeiende, waaraan men gevoelde, dat hij dicht leefde bij de Bron.

Vooral door zijn verblijf te Arnhem is hij in wijder kring bekend geworden, en ontving men steeds den indruk, dat deze niet geleerde, niet hoog mikkende, maar toch geestelijk zoo krachtige leeraar, een instrument in 's Heeren hand was, om veler geloof te sterken en menigen ontruste van hart duurzame vertroostingte doen smaken.

Zou dan de nauwere vereeniging waarin we met onze Christ. Gereformeerde broederen geraken, ook hierin niet mogen uitkomen, dat het heengaan van zulk een man uit hun kring, ook door ons mede door­ leefd wordt, als wierd ons een onzer eigen leeraars ontnomen?

Dat saamleven ook in leed en vreugd moet nog zooveel sterker worden.

Kunstmatig gaat dat wel niet. Het is nu eenmaal zoo, dat de namen van hun meer bekende mannen in onze kringen nog op verre na niet dat gevoel van dankbaarheid en verplichting wekken, als in hun eigen kring.

Dit is over en weer zoo. Niet alsof het aan waardeering ontbreken zou, maar eenvoudig, omdat, waar de kringen zoo uiteen leefden, dat gevoel van gemeenschap niet kon gewekt worden.

Zoo heeft de Christelijke Gereformeerde kerk dezer dagen weer zoo diep gevoeld, wat haar veertig jaren lang in den Docent De Cock, eerst als prediker en toen als docent geschonken is, en deswege was er in die kringen vreugde en blijdschap, ' al wierd ook die feestvreugde door de droeve herinnering aan pas geleder» rouw getemperd.

Ware het nu tien jaren verder geweest, zoo zou dat jubilaeum onder ons gelijke sympathie hebben ontmoet, en zou het ook onzerzijds zijn medegevierd.

Maar zoover zijn we nog niet. Dat komt; maar alleen als vrucht van samenleven.

Doch al werkt die gemeenschap van lijden en verblijden nog niet in alle onze kerken, toch mag daarom de Heraut, gelijk ze in weemoed het afsterven van Ds. Kleinendorst gedacht, harerzijds ook wel een woord van dankbare vreugde uiten over hetgeen aan het Gereformeerde Nederland ook in Docent De Cock geschonken werd.

Want al weten we, dat hij niet zelden de pen tegen ons opvatte, en al vleien we ons in het minst niet met de hoop, dat alle verschil van inzicht tusschen hem en ons verdwijnen zal, toch hebben we in hem den man van overtuiging steeds liefgehad, en staan we ondanks onze afwijkende meeningen, toch op één zelfden Gereformeerden bodem.

Wie zich opsluit binnen zijn eigen kring maakt zich arm.

Wie ook over de grenzen van dien kring een oog vol warme sympathie op anderer lief en leed weet te slaan, maakt zijn eigen hart rijk.

En juist dit zal zeer zeker niet een der minst begeerlijke vruchten van de komende vereeniging zijn, dat de reeks van personen, die den rijkdom onzer kerken vormt, er zooveel breeder door zal dijen.

Indien onze strijd geen geloofsstrijd ware, en het Calvinisme niet de rijkste en rijpste opvatting van de geopenbaarde religie, zou metterdaad de poging, om aan het Calvinisme een nieuwe toekomstige ontwikkeling te helpen bereiden, het werk van een onzinnige zijn geweest.

Waar toch vond men voor het Calvinisme nu twintig jaren geleden nog sympathie, om nu van geestdrift niet eens te spreken ?

En dan luidt het droeve antwoord:

Dat in Frankrijk en in Zwitserland, in het land der Hugenoten en van Calvijn, niet alleen de gehechtheid aan, maar zelfs de kennis van het Calvinisme geheel was uitgestorven. Nog eenige geleerden mochten zich met historische nasporingen bezighouden, de Straatsburger theologen mochten eene nieuwe uitgave van Calvijns werken ter perse leggen, en het Bulletin menige belangrijke bijzonderheid uit het verleden der Hugenoten aan de vergetelheid ontrukken, maar van een dorst der ziele, om den gloed van het oorspronkelijk Calvinisme te doen herleven, kondt ge spoor noch zweem ontdekken.

Ongetwijfeld stond het in Engeland en Schotland iets beter.

In Engeland waren er onder de Baptisten en Independenten nog allerwegen predikers van invloed, die het voor Calvijn opnamen, en „the Calvinistic chapel" is in Engeland nog lang geen ongewoon verschijnsel.

Spurgeon zelf bedoelde steeds Calvinistisch te zijn. Doch hoe hoog we dit ook waardeeren, toch m^ daarom niet voorbijgezien, dat dit Calvinisme in Engeland meest Baptistisch, en dus welbezien, niet Calvinistisch is; dat het zich bijna uitsluitend met dien naam siert, omdat het de predestinatie belijdt; en dat het, hoe vruchtbaar ook soms in de prediking, toch elk hooger wetenschappelijk karakter mist; en zoodoende drijfc op de personen. Spurgeon deed dan ook zelf al te wreed de bittere ervaring op, hoe zelfs de meeste leerlingen van zijn eigen Seminarie allengs afvielen.

En wat hij later in zijn Sword and Trowel als kloek getuigenis tegenover hen stelde, was wel goed en toonde wel zijn ernst, maar op de beginselen kwam hij niet, en van een herzien der fundamenten was geen sprake,

En toch, voorts is het Calvinisme in Engeland bijna geheel verloochend. In de Church of England wordt er niet meer aan gedacht. En de Presbyteriaansche kerken, die pas eenigermate herleven, zijn er nog lang niet aan toe, om zich weer rekenschap tegeven van haar uitgangspunt.

En wat Schotland aangaat, moet zeker toegestemd, dat in de Hooglanden, evenals in Wales, nog tamelijk sterke gehechtheid aan de beginselen van John Knox voortleeft; en zoolang Dr. Beggs leefde, gelukte het dezen vaardigen platform-debater nog altoos, de General Assembly van het toegeven aan de Ethische half heden en mystieke zwakheden terug te houden; maar na den dood van Dr. Beggs was ook alles op eenmaal uit.

Dit was de schuld van Dr, Beggs zelf, die wel een kloek en handig debater, maar geen kundig theoloog was, en zich nooit eenige moeite heeft gegeven, om de kennis van en de liefde voor de Calvinistische beginselen onder het volk te bevorderen. Veeleer was hij zelf, evenals de Calvinisten in Wales, half in het Methodisme verdronken. En daar de Low\a.w& & de groote sommen voor het Sustentation-fund opbrengen, waaruit ook de predikanteh in de Highlands hun traktement trekken, lag het voor de hand, dat, bij ontstentenis van eiken principieelen strijd, het verzet van de Calvinistische Highlands al spoedig gesmoord moest worden, toen in Beggs hun laatste pleitbezorger viel.

Want al telt Schotland nog enkele principieele Calvinisten onder de predikanten; zoo zelfs dat er zijn, die HoUandsch geleerd hebben, enkel om Comrie en het Tractaat van Tolerantie te lezen; toch is het ook bij deze mannen meer een liefhebberen en een zorgeloos individualisme. Ze hebben geen invloed, ze staan niet naar invloed, en het resultaat is, dat de Ethische richting met haar stoute ontkenningen, nu reeds in de General Assembly verreweg de meerderheid heeft.

Het eenige land buiten Nederland, waar men dan ook zeggen kan, dat zich weer een gezond levensteeken vertoonde, is Amerika.

Het schijnt dat juist de poging der Irenischen, om het Calvinistische beginsel uit de Westminster Confessie uit te lichten, de geesten geprikkeld heeft.

Al was Hodge niet als Calvinist, maar meer als Augustiniaan, opgetreden, toch had hij althans een ernstige poging in zijn dogmatiek gewaagd, om aan het Methodisme en Universalisme weerstand te bieden.

Zoo leefde er in Amerika althans besef., dat er, zou het Calvinisme stand houden, ook op wetenschappelijk gebied door moest gestreden worden; en wat we onlangs van Prof. Warfield meedeelden toont, dat er zekere actie gaande is.

Het is ons een oorzaak van vreugde, dat in dezen strijd voor het Calvinisme, ook uit de afstammelingen van HoUandsche familiën, in Prof. Steffens en Prof. Vos, twee kundige geleerden, op den voorgrond staan.

Want wel heeft Prof. Steffens lange jaren niet dan met ijzeren taaie wilskracht den strijd kunnen volhouden, maar thans mag men toch zeggen, dat hij grond onder de voeten kreeg, en veel minder dan vroeger van bedekten en openlijken tegenstand te lijden heeft.

En wel is Dr. Vos nog pas eenige jaren te Grand Rapids aan het Tiieologisch Seminarie als hoogleeraar opgetreden, maar de schoone verwachtingen, die zijn studiën hier te lande en in Duitschland opwekten, zijn allerminst teleurgesteld.

Nieuwe proeve hiervan is de rectorale redevoering, waarmee hij op 2 September jl. het rectoraat van het Seminarie overdroeg, en die ten titel heeft: De Verbondsleer in de Gereformeerde Theologie (Grand Rapids bij J. B, Hulst); een lijvig stuk van 60 blz, , dat onder het beste behoort, dat in de laatste jaren over de Verbondsleer verscheen.

Niet natuurlijk alsof Dr, Vos in deze redevoering geheel de Verbondsleer poogde uiteen te zetten; maar in dien zin, dat hij de hooge en principieele beteekenis van de Verbondsleer voor de Gereformeerde Theologie als zoodanig, logisch, helder en puntig uiteen heeft gezet.

De Verbondsleer is voor hem niet iets wat eerst later zoo bij de Gereformeerde Theologie bijkwam, en er dus zonder schade weer kan uitgelicht; maar omgekeerd is juist die Verbondsleer, naar luid van zijn schoon betoog, een schakel, en zelfs een hoofdschakel in het Gereformeerde systeem, dien ge er niet uit kunt lichten, of heel de keten valt ontwee..

Dit schoone stuk nu heeft onsongeirieen verblijd.

Het gaf ons het gevoel, dat we niet langer in Nederland alleen dezen schoonen strijd voeren, maar dat eindelijk de vuurseinen aan den horizont ons hun stralen gaan toezenden, op wier verschijning we zoo lang hebben gehoopt.

Hier toch is niet maar een geestelijk beuzelen over het Calvinisme, maar dege kennis van de Gereformeerde Theologie; ernstige zucht om haar ook wetenschappelijk te vindiceeren; en bovenal de welbewuste toeleg, om het ziekelijk Calvinistische caricatuur, dat in tal van gemeenten rondwaart, weer door het echte, historische en levenskrachtige Calvinisme onzer vaderen te vervangen.

Uit een stedeke aan de Lek schrijft men ons heusch, dat men niet wel begrijpt, hoe we in onze voorlaatste meditatie spreken konden van iemand die wel wedergeboren was, maar zich nog niet bekeerd had.

Nu is het bijna om den moed te verliezen, als men tien jaren bezig is geweest, om, onder allerlei vorm, op dit principieele onderscheid tusschen de altoos voorafgaande wedergeboorte en de altoos eerst daarna volgende bekeering te wijzen, en men legt u dan zulk een vraag voor.

Toch zullen we ons niet laten ontmoedigen, en liever de wedervraag stellen, of iemand die nog niet wedergeboren is, zich dan ooit zou kunnen bekeeren. Wie niet wedergeboren is, is toch immers geestelijk nog dood, en hoe zou een doode zich bekeeren kunnen.^

Wie zich bekeeren zal tot het Koninkrijk Gods, moet het Koninkrijk Gods toch kunnen zien. En Jezus heeft immers zoo duidelijk gezegd: „Tenzij iemand wedergeboren wordt uit water en Geest, die kan het Koninkrijk van God niet zien"

We verdedigen ons zeggen dus niet. Maar vragen op onze beurt, hoe iemand zich ooit een bekeering zou kunnen denken, zonder dat er wedergeboorte vooraf ware gegaan.

Want wel kan men „wedergeboorte" ook zóó nemen, dat er de bekeering en de heiligmaking, ja, zelfs de verheerlijking, in besloten zijn, maar dat het zóó niet in onze Meditatie kon bedoeld zijn, spreekt vanzelf, daar we juist tusschen beide onr. derscheid maakten.

Mag^een ouderling, die in den Dienst des Wo'ords eenë predicatie leest, op den kansel gSan staanrf^f is zijn plaats op het voorlezersbarikje ? ''

Zoo vraagt men.

Natuurlijk doet de plaats waar óf de predikant óf de voorlezer of de lezende ouderling staat, er niets toe. De eene plaats is niets heiliger dan de andere en rangstrijd mag er injeaus' kerk, en met name onder de Opzieners nooit bestaan.

Wie aller dienaar zijn wil, is aller meester. Wie met de geringste plaats tevreden is, staat het hoogste. De vooraanzittingen iij de Synagoge hoorden bij de Pharizeën en niet bij de discipelen van Jezus thuis.

Mie regeling dienaangaande bedoelt dan ook niets dan zekere orde.

De iets hoogere preekstoel is er dan ook uitsluitend, omdat wie iets hooger staat, gemakkelijker met zijn stem heel de schare bestrijken kan, en beter door allen kan worden gezien en verstaan.

Om die reden is een platform dan ook even goed als een predikstoel, en is er voor een klankbord dan alleen reden van bestaan, zoo dit voor het gehoor noodig is en het gezicht op de gaanderij niet te zeer belemmert.

Gaat dus een ouderling op den predikstoel zich ' inbeelden dat hij daardoor een „halve dominee" wordt, zoo zondigt hij en heeft zijn loon weg.

Is het daarentegen, dat hij merkte: „anders verstaan de saamvergaderden mij niet, en zoo verstaan zij mij beter", dan zou het dwaas zijn, de betere spreekplaats ongebruikt te laten, en het gehoor er onder te laten lijden.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Met Spurgeon daalde in de afgeloopene

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1892

De Heraut | 4 Pagina's