Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De punten van Synodale

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De punten van Synodale

18 minuten leestijd

Amsterdam., 18 Maart 1892.

De punten van Synodale beraadslaging die door de Deputaten voor de Vereenigina in hun Memorie aan de kerken beiderzijds zijn aangeboden, zullen door beide groepen van Deputaten, of door het intermediair van de roepende kerk, ook aan de kerkeraden worden toegezonden. Ten deele zijn ze dit zelfs reeds.

Het ligt dus op den weg der kerkeraden, om zich nu reeds met deae onderwerpen gemeenzaam te maken, en er hun gedachten over te laten gaan. Uit de kerkeraden komt de zaak dan op de classis. En uit de classis gaat het dan, of rechtstreeks, of door de Provinciale vergaderingen, naar de Synode.

Het is daarom goed, dat de Deputaten aan deze punten een korte toelichting htbben toegevoegd, om te doen uitkomen, wat ze met hun punten voor het Synodaal agendum bedoelen, en waarom dit een en ander b. i. door de beide Synoden moet afgedaan, eer de Vereeniging in het leven kan treden.

Wel zijn deze toelichtingen wat heel sober gesteld, en misschien ware het raadzaam geweest er iets meer van te zeggen; maar van den anderen kant verdient het toch ook waardeering, dat Deputaten zoo stiptelijk het recht der kerken geëerbiedigd, zich scrupuleuselijk aan hun last gehouden, en daarom aan alle advies zich gespeend hebben.

Hieruit volgt echter niet, dat over alle deze punten behoorlijk gestelde en deugdelijk toegelichte adviezen van de kerken en classes te wachten zijn.

Bij sommige punten is dit zelfs onmogelijk en ondenkbaar.

Neem b. v. het lastige en ingewikkelde punt over de beiderzijds gemaakte huishoudelijke bepalingen.

Hiermee is blijkens de toelichting bedoeld, dat én de Christelijke Gereformeerde kerk sind^ 1869 én onze kerken sinds 1887 een reeks van bepalingen gemaakt en besluiten genomen hebben over examens, over attestation, over zaken van tucht, over saamroeping van dassen en synoden en zooveel meer.

Had men nu beiderzijds altoos hetzelfde bepaald, zoo ware dit niets. Maar meestal loopen deze bepalingen uiteen. Men leefde anders, en had zich op andere manier ingericht.

Toch moet dit nu één worden.

Vormt men voortaan saam één groep van kerken, dan moet men ook eenzelfden levensregel volgen.

Maar hoe ter wereld wil nu een kerkeraad alle deze bepalingen beiderzijds verzamelen, vergelijken, schiften, en alzoo tot een voorstel komen?

Dit gaat eenvoudig niet.

Daartoe omvang. is de zaak veel te groot van

En evenzoo staat het met de groepeering in dassen en synodale saamkomsten.

Bijna over heel het land loopen de grenzen der dassen van de ééne groep anders dan voor de andere, soms zelfs de grenzen der provinciale groepeering.

Ojk dit kan natuurlijk zoo niet b!ij\{, en. De eerste dassen, die na de Vereeniging samenkomen moeten uiteraard vast aangewezen grenzen hebben.

Maar hoe wil nu de kerkeraad vanVlissingen b. v. dienaangaande een uitgewerkt advies aan de Synode indienen.''

Immers het komt daartoe op kennis van. alle bijzonderheden aan, en zulk een plan moet tot in kleinigheden toe doordacht zijn.

Zelfs kan men niet zeggen, dat alle nu nog separate dassen dan toch met goed gevolg adviseeren kunnen, over wat haar e'gen grenzen betreft. Want wel mag er op gerekend, dat elke c'assis een poging zal wagen, om voor eigen grenzen een voorstel te doen. Maar zoodoende komen er dan reeds voor elke classis twee adviezen. Eén advies van de Christelijke Gereformeerde classis, en één advies van de Nederduitsch Gereformeerde classis.

Doch dit is nog het ergste niet.

Maar, als een classis haar grenzen wijzigen moet, wijzigt ze daardoor tevens, of ze wil of niet, het terrein van de om haar heen liggende classes, en zoo kan bij de regeling der grenzen van ééne classis, soms de regeling van vier classes gemoeid zijn.

Er zit dus niet anders op, dan dat deze zaak voor heel het land opeens in plan of schets kome. Daarvoor nu zou htt te laat zijn als de Synode zat. En uit dien hoüfde is het aanbod van Deputaten om zulk een plan in gereedheid te brengen, uitmuntend.

In zulk een plan heeft men dan een vast uitgangspunt voor de discussie. De kerken in Synode vertegenwoordigd, kunnen op dat plan dan wijziging voorstellen. En is het besluit eenmaal gevallen, dan moet de zaak zóó als ^Q vastgesteld wierd, loopen, althans voor één jaar.

Daarna toch is elke Classis dan weer vrij, om een nieuwe wijziging in de grensregeling voor te slaan, en, zoo die profijtelijk blijkt, waarom zou men dan niet toeslaan.'

Zeer ware het echter te wenschen, dat op een of andere wijze ook zulk een gereed voorttel kon worden ingediend voor de voorloopige regeling der huishoudelijke bepalingen.

Men kan met den besten wil den oogst van een dozijn Synoden niet in één enkele Synodale zitting monsteren en schiften. Thans vooral niet, nu beide Synoden saim zitten, en het wenschelïjk is, dat de ééne de andere zoo weinig mogelijk ophoude.

Al spraken Deputaten zich hierover nog niet uit, toch zouden ze stellig den goeden gang der zaken in niet geringe mate bevorderen, zoo ze niet alleen voor de groepeering der kerken in dassen, maar ook voor de schifting der huishoudelijke bepalingen, alvast een weldoordacht plan in gereedheid brachten.

Een zware arbeid, dat geven we toe, want al de Acta der onderscheiden Synoden van beide kanten gehouden, moeten daartoe doorgep'ozen en geëxcerpeerd; die excerpten. onder rubrieken gebracht; dan wat bij één rubriek hoort beiderzijds vergeleken; daarna geschift wat beiderzijds gelijk en ongelijk is, wat tijdelijk rusten kan, en dadelijk voorziening vereischt; en voor hetgeen voorziening eischt een gemeenschappelijke formuleering gezocht.

Maar toch zullen Deputaten zich o.i. niet

aan deze zaak kunnen onttrekken.

Deze arbeid moet verricht.

Ter Synode heeft men voor zulk treuzelwerk geen tijd.

Dat zou wekenlang ophouden.

En ook, te midden van de agitatie die elke Synodale vergadering geeft, zou de rust ontbreken, om zoo omvangrijk werk tot een goed einde te brengen.

Het denkbeeld om de Proceskosten vóór 7 Juni e. k. af te doen vindt niet alleen sympathie, maar nam zelfs een gebiedenden vorm aan,

Deputaten voor de Vereeniging hebben toch, na correspondentie beiderzijds verklaard, dat afdoening van de proceskosten alvorens de Vereeniging gesloten wordt^ een stilzwijgend beding zal moeten zijn.

Niet natuurlijk alsof Deputaten iets te bevelen hadden. Een Depuiaat kan niets meer doen dan zijn last inhoudt, en last om in deze zaak regelend op te treden hadden ze niet.

Maar nu hun correspondentie met algemeene stemmen tot de conclusie heeft geleid, dat er moeilijk een andere weg ter afdoening van deze proceskosten zal te vinden zijn, spreekt het toch bijna vanzelf, dat de eere onzer kerken er mede gemoeid is, om op dit punt geen moeilijkheden in den weg te leggen.

De vraag is nu maar, hoe de ƒ 20, 000 er komen.

Ons denkbeeld, aan dat van den Haagschen kerkeraad verwant, was, dat men het veiligst ging met de grootere kerken de helft voor haar rekening te laten nemen, en het dan restende te verdeden in twee rubrieken, het ééne deel voor de minder groote kerken, en het andere voor de nog zeer hulpbehoevende kerken.

Dr. Franssen te Winterswijk ziet hierin nog al bezwaar, en zond ons dit schrijven toe:

Zeer geachte Redacteur!

Met groote instemming las ik uw schrijven in de laatste Heraut., in zake de proceskosten. Dat die ƒ 20, 000, welke nog te betalen zijn, vóór de ineensmelting moeten zijn afgedaan, is buiten quaestie.

Maar het wil mij voorkomen, dat de gedachte, ! welke 's-Gravenhage geopperd heeft, iets te wijzigen zou zijn.

De classificatie der kerken zou nl. zeer groote moeilijkheden medebrengen. Bv. zou het onoverkomelijke bezwaren veroorzaken, wanneer men van Arnhem ƒ 1500 vroeg. Ik meen, volgens ervaringen op de dassikale vergaderingen opgedaan, veilig te kunnen zeggen, dat Arnhem dit bedrag niet zou kunnen of mogen aanvaarden. Arnhem staat niet gelijk met Den Haag en Utrecht

Ik dacht daarom aan iets anders, om nl. voor iedere kcik tot grondslag te nemen het aantal leden, dat zich bij den Ned. Geref kerkeraad aansloot.

Volgens de opgave naar de 7de tienjaarlijksche volkstelling in Van Alphens Nieuïv Kerkelijk Handboek krijgt men een totaal van-pi. ra. 143000 personen (het eindbedrag der opgaven bij iedere kerk). Voor ieder persoon zou dan 14 cent te rekenen zijn.

Het bedrag, dat iedere kerk op te brengen heeft, kan zij nu spoedig uitrekenen.

Hoe iedere kerk haar quotum wil bijeenbrengen, kan zij zelve bepalen

Volgens dezen maatstaf zou Amsterdam pi. m. ƒ3900, Rotterdam pi. m. ƒ 1500, 's-Hage pi. m. ƒ300, Utrecht pi. m. ƒ600, Arnhem pi, m, ƒ 200 moeten vergaderen, en de andere kerken naar evenredigheid van haar zielental. Komt er te veel in (wat te verwachten is, daar de volkstelling reeds twee jaar geleden plaats had), dan zou het meerdere kunnen besteed worden voor noodlijdende kerken.

Te meer zou ik op zulk een regeling willen aandringen, omdat er kerken zijn, welke tot dusverre óf nog in het geheel niet óf niet naar vermogen en plicht hebben gegeven. Wie tot hiertoe zich flink hielden, zouden nu weer zich moeten en willen inspannen. En de tragen en nalatigen zouden den door mij aangegeven billijken prikkel missen om ten minste eindelijk eens naar evenredigheid bij te dragen.

Met dankzegging voor de opname dezer regelen, onder toebidding van 's Heeren zegen op uw persoon en arbeid.

Uw dw. broeder in Christtis,

H. FRANSSEN.

Het eigenlijk argument van dit schrijven ligt in Arnhem.

Arnhem was door ons met 's-Gravenhage en Utrecht op één lijn gesteld en dit acht Dr. Franssen minder billijk.

Nu zij hiertegen al aanstonds opgemerkt, dat wie ter toelichting van zijn denkbeeld eenige namen noemt, daarmee nog geen definitieve regeling ontwerpt, en dat op de details nog allerlei kan worden afgedongen. Maar toch ook ten andere, dat Arnhem o. i. in nog veel gunstiger conditie verkeert dan bijna eenige andere kerk.

Zijn we toch wel ingelicht, dan is het kerkgebouw te Arnhem reeds afbetaald. Zoo niet geheel, dan toch voor verreweg het grootste deel. Er zou dus door Arnhem niet geleend zijn, en Arnhem niet gebogen gaan onder den last van de kerken te Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, 's-Gravenhage en elders; waar voor aflossing en rente jaarlijks zeer groote sommen moeten worden opgebracht. Ook had Arnhem geen proces kosten.

En is dit nu zoo, wat bezwaar ter wereld zou er dan voor Arnhem in gelegen zijn, dat de kerkelijke kas er b. v. ƒ 2000 opnam, en hiervan 'sjaars f 200 afloste en / 90 aan afloopenden interest betaalde? En dan rekenden wij voor Arnhem nog maar op / 1500.

We twijfelen dan ook geen oogenblik, of de kerk van Arnhem zou er geen het minste bezwaar in zien om voor haar aandeel te helpen aan de afdoening van deze eereschuld.

Wat nu den nieuwen voorslag van Dr. Franssen betreft, om de f 20, 000 over het zielental om te slaan, zoo merken we op, dat het aantal Doleerenden bij de volkstelling is opgegeven op ruim 180, 000, en niet 140, 000, en dat, naar de juiste opmerking dat deze volkstelling reeds bijna twee jaren oud is, het cijfer thans reeds nog geklommen moet zijn, en niet ver meer van de 200, 000 kan af zijn. Globaal zou dus per hoofd de bijdrage op / o.io komen; een bijdrage die zeker niemands kracht te boven gaat.

Maar, en hierop dient, dunkt ons, gelet, zulk een hoofdgeld wordt in beschaafde landen nergens meer geheven; wel in Aziatische Oostersche staten.

Ten onzent daarentegen doorzag men reeds lang, dat men niet per hoofd, maar bij hoofdelijken omslag per gezin moet rekenen, en dat ook dan nog de geldelijke draagkracht in het land zeer verschilt.

's-Gravenhage b. v, is een stad van weelde, in Fïiesland is menige kerk zetr arm, en in het algemeen mag gezegd, dat de steden in onzen tijd veel meer kunnen doen dan de dorpen.

Zoo zijn er dus tegen dezen voorslag bezwaren van gewicht, en blijven wij aan zekere glohale classificatie vooralsnog de voorkeur geven; al geven we toe, dat het misschien beter zal zijn, met exceptie van de steden van naam, voor het overige niet de plaatselijke verdeeling, maar die van de classis te volgen, en voorts elke classis zelve te laten beslissen, op welke wijze deze som over de kerken in haar ressort zal worden omgeslagen. Op de classis toch is elke kerk zelve tegenwoordig en is men veel beter In staat met de gelegenheid van elke kerk te rekenen.

Tevens zal er ook op kunnen gelet worden, dat lang niet elke kerk dusver meecollecteerde.

Er zijn kerken, gelijk die in Amsterdam die eerst zelve haar eigen proceskosten geheel uit eigen middelen betaald hebben, en voorts jaar In jaar uit goede sommen gecollecteerd hebben om andere kerken te helpen.

Er zijn in de tweede plaats kerken, die wel zelf haar eigen kosten droegen, maar weinig collecteerden.

En eindelijk zijn er kerken, die noch iets betaalden aan eigen proceskosten noch Iets noemenswaard collecteerden.

Het zou daarom wel goed zijn, Indien er voor onze 300 kerken een tabel wierd opgemaakt, onderscheidenlijk aanv/ijzende, wat door elke kerk aan eigen proceskosten betaald^ en voorts sinds 1887 vooranderer proceskosten gecollecteerd was.

Had men dan die totalen voor zich, dan kon terstond blijken, welke kerken dusver haar schuldigen plicht deden, en welke andere kerken nog achterstallig bleven. En dan ware het billijk bij den omslag van deze ƒ 20, 000 met dezen stand van zaken rekening te houden.

We zeggen dit niet, om Amsterdam goedkoop te laten uitgaan. Want al heeft Amsterdam alles zelf betaald, en voorts geregeld goede collecten opgebracht om andere kerken te hulp te komen, toch zal Amsterdam ongetwijfeld ook nu bereid worden bevonden, om haar volle portie bij te passen.

Maar wel maken we deze opmerking, ! om er de aandacht op te vestigen dat er geen onrecht mag geschieden. )

Wie dusver zijn plicht verzaakte, mag daarvoor geen premie ontvangen.

Of liever nog, wie dusver zijn aandeel , nog niet in deze eereschuld bijdroeg, mag niet beroofd van het genot, om thans daarin zijn aandeel te storten.

Doch ook al wordt men het hierover eens, ook dan nog blijft de vraag over, hoe de regeling van de^e zaak tot stand moet komen.

Deputaten voor de Proceskosten zijn er niet op gelast.

Als de Synode saamkomt is het te Iaat; want zij komt dan niet meer saam, en de Deputaten die zij mocht willen aanwijzen kunnen niet gedechargeerd worden.

Er zal hier dus een soort uitweg moeten worden ingeslagen.

Doch daarover een volgend maal.

De indruk van onprofijtelijkheid, dien we aanstonds van de polemiek tusschen de heeren Van Vuren en Gunning ontvingen, is door al wat sinds voorviel, bevestigd.

De heer Van Vuren gaf verslag van een lezing door Dr, Gunning gehouden. Dr. Gunning vond dat verslag onjuist en onbillijk. In plaats echter van er zich toe te bepalen, om den heer Van Vuren zijn onjuistheden en onbillijkheden onder het oog te brengen, liet Dr. Gunning zich verlokken tot een meer algemeene polemiek tegen Rome. Dit kwam de eer van Rome te na, en al spoedig daagde in den heer Wilde een vaardig polemicus op, die nu op zijn beurt Dr. Gunning op eenige onnauwkeurigheden betrapte. En toen deze, halverwege hiermee gereed, door influenza ontwapend werd, schoot ijlings Dr. Schaepman uit den hoek om door een zwaardslag van hoogen stijl Dr. Gunning opnieuw te treffen, en tevens de aandacht af te leiden door een psychologische beschouwing over Luther. Om den heer Van Vuren en zijn onhoudbaar verslag denkt, in v/eerwil van zijn » Veriveer tegen verweer"., niemand meer. Van beide kanten gevoelt men, dat hier de eer van de wederzijdsche positie in het gedrang kwam, en men waagt beiderzijds een poging om dit prikkelend pleidooi zoo te doen afloopen, dat zijn eigen kerk er niet bij lijde, maar bij winne.

De heer Dr. Gunning merkende dat op die manier de stand der quaestie een geheel andere is geworden, staat nu reeds verlegen wat hij doen zal

Hij heeft natuurlijk spijt als haren op zijn hoofd, dat hij niet concreet en pertinent is gebleven, door zich stipt tot critiek op Van Vurens verslag te bepalen.

Vlugjes weg, gelijk hij nu zelf bekent, had hij met den Franschen slag in nog geen veertien dagen zijn opstel geschreven; natuurlijk zonder helder in te ? ien, waartoe zulk een opstel leiden zou.

Nobel en eerlijk erkent hij dan ook, dat hij nu reeds inziet vergissingen te hebben begaan, op fouten betrapt te zijn, en dat hij zich voorzichtiger had kunnen uitdrukken. Wat zal hij nu doen.'

Het zoo laten zitten, gaat natuurlijk niet aan, want dan wordt door zijn min voorvoorzichtigen aanval zeer stellig schade berokkend aan den Gereformeerden naam. En toch, antwoord is zeer moeilijk; er zal veel arbeids toe vereischt worden; hij gist een boek van 300 bladzijden.

Ons dunkt dit niet zoo.

In boeken van 300 blz. voert men geen polemiek van dien aard. Met zoo zware artillerie vordert men niet.

Noodig is niets dan een vlugschrift van hoogstens 3 Ji 4 vel, ? óó geschreven dat ieder het leest, en zóó aangelegd, dat er geen woord in sta of het kan verantwoord worden, en zóó gestoffeerd, dat met terzijlating van alle bijzaak, aller aandacht op de enkele hoofdpunten worde geconcentreerd.

Het komt hier volstrekt niet op allerlei details, maar op polemistische vaardigheid aan.

Dat hebben én de heer Wilde én Dr. Schaepman uitnemend begrepen, en het zou een tweede misslag zijn, zoo Dr. Gunning nu met een dik boek kwam.

Zelf ziet Dr. Gunning het moeilijke der positie en het onprofijtelijke van al zulk geschrijf dan ook duidelijk in.

Hij schreef toch in Pniël,

»AIs het bepaald moet, zal ik een tweeden druk ter perse leggen, maar duizendmaal liever iaat ik mij voor de voeten werpen: »gij zwijgt, omdat gij niet antwoorden kun/, " dan een langdurigen strijd geopend, waarvan m'ef het einde, maar wè/ de slotsom te voorzien is: verbittering aan weerskanten, en geen van beiden overtuigd. Laat mij dus volstaan met dit ééne te zeggen: »Wie in mijn boekske slechts een uiting van »Papenhaat" hebben gezien, en zich verkneukelden, wanneer den Roomschen iets hards werd gezegd, zonder éénig besef, dat het bier de eere van ons gesmaad en hoogheilig beginsel gold, die toonen het motief van mijn schrijven geheel en al te hebben misverstaan. Ondanks alles wat ons scheidt voel ik mij duizendmaal dichter bij den Katholiek, die zijn heil verwacht van Christus' bloed en Christus' kruis, dan bij die «Protestanten", wier éénige belijdenis is, dat zij de sdwaasheden" van Rome verwerpen, en »veel te verlicht zijn om aan al dien onzin te gelooven."

»Het beginsel van ons Protestantsch geloof: onvoorwaardelijke en onbelemmerde onderwerping aan den Christus der H. Schriften, heeft eeuwige vastheid in zichzelf, en is niet afhankelijk van mijne of anderer geschiktheid om het te verdedigen. Heeft iemand bij zoodanige verdediging in bizonderheden gefaald, dan wordt aanwijzing daarvan door Roomsche geleerden met dankbaarheid door ons aangenomen, omdat wij geen anderen wensch, geen ander belang ook hebben, dan dat de waarheid zoo zuiver mogelijk te voorschijn trede. Niemand sterkt ons meer dan hij, die, door te wijzen 0-9 onjuistheden en dwalingen ons er dichter bij brengt om niets dan de waarheid over te houden.

»Het pubHek heeft'; mijn arbeid en dien mijner geëerde bestrijders in handen, en kan dus zelf oordeelen of ik al dan niet naar waarheid beweer, in de hoofdzaak niet wederlegd te zijn." f

Een verklaring waaraan Dr. Schaepman in het Centrum dadelijk eere gaf door te schrijven:

Ieder, die een polemiek gewoon is, zal moeten erkennen dat in deze mededeeling een zekere nobele toon niet ontbreekt. Men kon van den heer Dr. Gunning gsen eenvoudige belijdenis van onrecht verwachten; hij houdt aan zijn beginsel vast en dat verklaart alles.

Wat zijn besluit zal zijn kan ik niet vermoeden en dat besluit zelf is een zaak, die buiten mijn bevoegdheid ligt. Ongelijk heeft de heer Gunning niet, wanneer hij meent dat een voortgezette strijd weinig zegen brengt. Althans niet aan de strijders. Polemiek wordt ook dikwijls een jacht naar het laatste woord en zulk een jacht is maar te' vaak een jacht van ijdelheid. In deze mededeeling toont de heer Gunning zich boven deze zwakheid verheven.

Juist daarom echter hopen we dat Dr. Gunning wel zal antwoorden. Want even natuurlijk als het is, dat Dr. Schaepman niet ongaarne den strijd staakt gelijk hij nu staat, even natuurlijk is het dat wij Gereformeerden, tegenover drie stukken hunnerzijds van Van Vuren, Wilde en Schaepman, onzerzijds er gaarne minstens twee bezitten, en de dupliek niet gaarne zouden missen.

Slechts zij ons nu reeds de opmerking geoorloofd, dat het beginsel van ons Protestantsch geloof in de omschrijving die de heer Gunning er van geeft, niet op polemiek met Rome berekend is. Want al ontkennen we niet, dat ook Luther en Calvijn niet zelden de tegenstelling tusschen Christus en den Paus bezigden, toch namen ze de tegenstelling nooit in dien vorm, als ze op hun beginsel kwamen. Dan kozen ze altoos den vorm van: Onderwerping aan het Woord van God of de Heilige Schrift.

Door nu hiervoor een dusgenaamd Christocentrische formule in de plaats te stellen, gaat men een weg op, aan welks einde de mindere juistheid van deze formuleering onverbiddelijk geboet wordt.

Zelfs is het voor ons zeer de vraag, of het spreken van een Protestantsch beginsel wel gelukkig is.

In de machtige polemiek door onze vaderen met Rome gevoerd, vindt men die uitdrukking hoogst zelden. Ze is meer Duitsch dan Nederlandsch. Ze hoort meer bij de Lutherschen dan bij ons thuis. En wel bezien, nog meer bij de later afgewekene theologen, dan bij de echte geesteskinderen van Luther.

En denk nu niet, dat zulk' een formuleering of zulk een naam een bijzaak is. In polemiek hangt alles af van de positie die ge kiest. ~

En als ge die positie noodeloos zwak kiest, komt altoos het berouw te laat.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1892

De Heraut | 4 Pagina's

De punten van Synodale

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1892

De Heraut | 4 Pagina's