Uit de Pers
In de Hervorming bespreekt de heer J. Hooykaas. Doctorandus te Leiden, de quaestie van het geheel-onthouden.
Een geheel-onthouder had er op aangedrongen, dat alle ernstige Modernen dien weg meê op moesten.
De heer Hooykaas nu anUsroordt hierop: Zij, namelyk de ernstige Modernen,
Zij zijn wel overtuigd, dat er een ten hemel schreiend drankmisbruik bestaat en de vele ernstige menschen vrienden onder hen zijn ook overtuigd, dat zij dit als bron van veel ellende en zonde bestrijden moeten, maar welke middelen zij ook aanwendden, de raeesten kwamen niet tot dat, wat u als noodwendig uitvloeisel van beide praemissen zoudt willen aanmerken n 1. dat zij geheelonthouders moeten worden en in hun omgeving de geheelonthouding aanprijzen.
Zij kwamen niet hier toe, omdat huns inziens een schakel der keten in dezen gedachtengang ontbreekt.
Want I. velen erkennen geheel-onthouding niet als aangewezen middel, zij meenen. dat zij het kwade (in casu: drankmisbruik) beter kunnen bestrijden door het goede: n.l door een streven naar verwezenlijking van godsdienstig-zedelijke gedachten in te planten in 't gemoed. Hun overtuiging, ook de mijne, is dat, als er van dit laatste maar recht veel aanwezig is, het verlangen naar meer steeds sterker wordt, zoodat er voor drankzucht geen plaats tneer over blijft; dat het uitbannen van den demon «drankzucht" zonder meer gevaarlijk is (zie het stukje «Genezing" in diezelfde Rervorming No. 11)
2 Anderen erkennen misschien wel geheel-onthouding als een krachtig middel tegen drankmisbruik, maar willen het toch niet aangrijpen, omdat er huns inziens nog meer kwaad tegenover staat b.v. gevaar voor al de zonden, die ascese dikwijls als gevolg medebrengt; zie hierover en hiertegen Dr W. Martius, Handbuch der deutschen Trinker-und Trinksuchtsfrage bl. 303 vvg.
Weer anderen gevoelen beide en meerdere bezwaren.
Wanneer gij dus doel wilt treffen met uw stukje in B.erv, No. 11, waar duidelijk in doorstraalt, hoe gaarne gij zoudt zien, dat de N. P, B. of een Ned. kerkgenootschap geheel onthouding in zijn banier schreef, tracht dan argumenten aan te voeren óf dat geheelonthouding een onmisbaar wapen is in dezen strijd óf dat het vóór ervan het tegen verre overtreft
Mag ik hieraan nog éèn raad toevoegen n.l. dat gij er u voor wacht van andersdenkenden een valsche voorstelling te geven, want al weet ik dat u het niet zoo bedoelt, anderen, die u niet kennen, weten dat niet en wenden zich dan mee verontwaardiging van u af.
Hiermede heb ik het oog op wat u zegt van de staatskerk van Schotland, n.l de volgende woorden: «Of het is om zijn politieke eensgezindheid met de conservatieve partij waarvan men zegt, dat zij hoofdzakelijk steunt op bier en bijbel of op staatskerk en kroeg, of wel omdat zij de verschrikkelijke gevolgen van den drankverkoop niet wil zien, hoe het zij, zij heeft hare plaats als kerk in den geheel onthoudings strijd niet ingenomen, ofschoon meer dan 300 van hare 800 predikanten onthouders zijn.”
Gij weet dat er ook onder moeten zijn brave edele christenen die uit principe zijn tegen geheel onthouding, welnu dan niet alleen het kwade opgesomd van andersdenkenden, alsof er ook niets goeds onder hen was; bedenk, dat het wapen der verdachtmaking, dat gij hier waarschijnlijk onwillens gebruikt, tweesnijdend is en het nieest verwondt dengene, die het hanteert.
Deze gedachtenwisseling onder Modernen boezemt ons belang in, omdat de heer Hooykaas van zijn standpunt dezelfde bedenking oppert, die ook van Calvinistische zijde moet worden ingebracht.
Naar aanleiding van een vermaanschrijven door den Bisschop der Roomsch-Catholieken te Haarlem aan patroons en werklieden gericht, merkt Ds. Sikkel in de ZuidhoUandsche Kerkbode op:
Al heett de kerk meer te doen dan dergelijke vermaningen te geven, toch verdienen woorden als de bovengenoemde waardeering.
Vooral ook omdat daarin de minderen niet worden bestraft, omdat ze naar iehoorlijkt verdienstin staan en hun ook niet slechts de raad gegeven wordt, om toch maar dankbaar en tevreden te zijn. Hoe goed ook bedoeld is dczt wijze om bevrediging te zoeken in de tegenwoordige omstandigheden niet allereerst aan de orde. Onderdanigheid en trouw moet van d minderen worden geëischt, maar de meerderen moeten thans vooral ook op hun plicht worden gewezen om zich rekenschap te geven van hunne verplichting, om zorg te hebben voor hun ondergeschikten; om hen van behoorlijk levensonderhoud te voorzien; hun ü voor huis en hart te laten en in ruimere mate ie weldadigheid te oefenen.
De kerken kunnen iijna niets doen tegenover schreiende armoede. Allerlei vereenigingen moeten te hulp worden geroepen, en farticuliere hulp moet worden gevraagd, omdat de kerkelijke offers voor de armen zoo schraal zijn.
In deze kommervolle tijden moest de diakonale inkomst ernstig klimmen, maar het jjlijft meestal bij een sleurgave, — en dan kan de predikatie zoo moeielijk op tevredenheid bij de nooddruftigen aandringen. O, kome er toch reformatie!
Waar is de liefde van Christus in de collecten? Of is die liefde zoo arm?
Rome toont ook te weten, welk woord op dit ge bied thans moet worden gesproken.
Waar de gereformeerde kerken geen herderlijk schrijven behoeven, maar den dienst des Woords hebben, daar wordt de stem des Woords ook op dit gebied door haar uitgebracht-
Maar dan ook ontbreke de ernstige vermaning van de ondergeschikten niet.
B.et volk is niet slechts één stand, maar alle standen saam. Zij hebben allen gezondigd, en moeten allen geroepen tot bekeering.
Tot deze opmerking bestond aanleiding. Immers zeer schoon en waar had deze bisschop tot de rijken en tot de patroons gezegd:
«Behalve de plicht van strenge rechtvaardigheid rust op u nog een andere plicht, die der christelijke liefde. Zij, die in uw dienst zijn of voor u arbeiden, staan nader met u en zijn meer verbonden dan andere personen: voor hen moet gij bijgevolg ook bijzondere liefde hebben. Die liefde moet gij toonen vooral in dezen tijd, waarin door alle nieuwe uitvindingen het lot van den werkman zooveel reden tot klachten geeft, door bijvoorbeeld, wanneer gij twijfelt of hun loon wel voldoende is, te hunnen voordeele te beslissen; door hen te helpen als zij hulp noodig hebben; door de goede vereenigingen, die zij onderling tot hunne lotsverbeteringen oprichten, te ondersteunen door uwe raadgevingen zoowel als door stoffelijke middelen: en zulks te doen, niet uit eigenbelang, maar met het oog alleen op het belang uwer onderhoorigen.
Ten laatste zijt gij verplicht — en bij de tegenwoordig heerschende groote armoede moogt gij hieraan bijzonder herinnerd worden, —.jialmoezen te geven en van datgene wat u overblijft nadat gij voorzien hebt in uw eigen behoorlijk onderhoud, de armen te ondersteunen. Wel kunnen de armen dit niet van u vorderen als een recht dat hun toekomt; maar God vordert dit van u, en tot hen, die hierin tekort schie ten, zal Hij zeggen op den jonasten dag: »Ik had honger en gif hebt Mij niet gespijzigd; dorst, en gij hebt Mij niet gelaafd; want wat gij den minste der Mijnen niet gedaan hebt, hebt gij Mij niet gedaan."
Nauwlijks treedt men op sociaal terrein over, of meer dan ooit komt de gemeenschappelijke belijdenis uit, die, ook bij alle verschil van confessie, alle Christenen nog saambindt.
KUVPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 maart 1892
De Heraut | 4 Pagina's