Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

De aandacht verdient eene opmerking van onzen geachten m.edewerkerDs. De Gaay Fortman, in het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie van Maart. Hij schrijft daarin:

Onlangs had er in de Tweede Kamer onzer Staten-Generaal eene woordenwisseling plaats tusschen den Minister van Justitie, belast met de zaken derProtestantsche eerediensten, en een Kamerlid over de verhouding van den Staat tot de Kerk en van de Kerk tot den Staat. Natuurlijk lïwam hierbij de vraag ter sprake, wat de Kerk moest doen, om als zoodanig recht te hebben op bescherming ea erkenning van den Staat, zoo diljwijls zij met het burgelijk en staatkundig leven in aanraking kwam. De Minister zag de Kerk het liefst als een burgerlijke vereeniging opS-reden, die den Staat om resfti-ipej-soonlijkheid ver zocht. Maar zijn tegenstander kwam hem tegemoet met de bewering, dat de Kerk eene stichting was niet van raenschen, maar van den Heere God, en wel directelijk. Immers lang voordat-er van Staten sprake kon zijn, bestond de Kerk. En toen er Staten kwamen, openbaarde de Kerk zich daarin steeds als onafhankelijk van den Staat, zoowel wat haar grondbeginselen, als wat haar leer en haar leven betrof Zoo was het vóór de geboorte van den Christus in Israel en daarna in een groot gedeelte der wereld Wel toonden zich die Staten en Overheden, welke den godsdienst der Kerk beleden, hare voedsterheeren en vrouwen; wel was hiervan-meestal het gevolg, dat de politieke macht beproefde zeker gezag over de Kerk te krijgen, waarvoor zij hare gunsten verkocht; maar de Kerk heeft altijd getracht hare onafhankelijkheid te handhaven als gevolg van haren oorsprong, die wijst op een Stichter, welke tevens haar Heere en Wetgever is.

Vóór de Fransche Revolutie is dan ook deze waarheid niet ernstig of tenminste niet van velen weer sproken. Maar daarna wel; zelfs onder de leuze van scheiding van Kerk en Staat. Daarom is hetgeen wonder, dat de voorstanders van de Revolutie-beginselen zich genoemde scheiding niet anders kunnen denken, dan als feitelijke oplossing der Kerk in eene burgelijke vereeniging, die haar rechtspositie van den Staat ontvangt op door dezen gekeurde en geapprobeerde grondslagen.

Hiertegenover staat de Kerk met de verklaring, dat zij zichzelve niet mag oplossen en vernietigen, omdat zij zichzelve niet heeft gesticht.

Daar echter niet van den Staat kan gevorderd worden, vooral nu er sinds de Reformatie der i6de eeuw zoovele openbaringen van Christus' Kerk zijn gekomen, die van elka; ir onderscheiden zijn door hare zuivere en min zuivere belijdenis der waarheid Gods, hoe de kerk zich openbaart, mag hij eischen, dat elke openbaring der Kerk hem bekend make, waaraan zij te herkennen is. Dit hebben de Nederd. Geref. kerken in de laatste jaren gedaan, hare belijdenis en hare kerkenordening aan de Regeering opzendende. Strikt genomen zou dit niet noodig geweest zijn; want genoemde kerken mochten geacht worden sinds drie eeuwen bij de Overheid dezer landen bekend te zijn Daar echter door Koning Willem I en zijne Regeering in 1816 om die kerken een getimmerte was gebouwd en dat laatste voor de Kerk werd aangezien, werd het noodig geacht, de Overheid te herinneren, dat doorhet wegvallen van het getimmerte, waarover feitelijk niemand r''-^ers te oordeelea haddan de kerken — de Kerk weer tevoorschijn gekomen was, die sinds eeuwen aan de belijdenis en de kerkenordening van 1586 en 1618 — 19 te herkennen was. De Minister bovenbedoeld scheen zich bij' gelegenheid van genoemd debat in deze eenvoudige redeneering niet te kunnen indenken, bleef bij zijn revolutionair beginsel, maar sprak toch zijn bevreemding er over uit, dat in de ingezonden kerkenordening verscheidene woorden, uitdrukkingen, zinnen waren uitgelaten. Deze bevreemding moet in een Minister, die met de zaken van eeredienst belast is, wonderlijk genoemd worden. De geschiedenis der kerken van deze landen in 179s zou het hem hebben kunnen leeren. Want de woorden, die uitgelaten zijn en de bemoeiingen raken van de Overheid met de beroeping van predikanten, ouderlingen en diakenen de onderhouding van Theol. studenten, het bijwonen van vergaderingen, van kerkeraden, classes, synoden, en het delibereeren daarin, het uitschrijven van vast en bededagen, zijn er niet willekeurig uitgelaten. Zelfs is het niet ten volle juist, te zeggen, dat die bepalingen door de veranderde wetten van den Staat vanzelf vervallen zijn. Neen, de Staten zelven, die 1586 en 1619 hadden gewenscht, dat ze opgenomen werden, hebbeu in 1795 uitdrukkelijk verklaard, dat de Kerk moest doen, alsof ze er niet in stonden.

Dit zullen we met een enkel voorbeeld ophelderen. Kort nadat de verandering van 1795 in deze landen tot stand gekomen was, moesten er in de stad Vlissingen een predikant beroepen en kerkeraadsleden benoemd worden. Nu konden beide deze handelingen niet anders plaats hebben dan in een collegium qualificatum. Tot zulk een vergadering behoorden niet alleen ouderlingen en diakenen, maar ook represen tanten der stedelijke Overheid, welke daartoe uitgenoodigd werden door den kerkeraad. In bovengenoemd jaar togen als gewoonlijk de gedeputeerden des kerkeraads naar het raadhuis. Zij stonden binnen bij den Magistraat en vroegen representanten, om een collegium qualificatum te vormen. De heeren waren met deze vraag heel - wat verlegen; zij konden niet gaan, want de Staatskerk was opgeheven. Maar aan den anderen kant moest eene verklaring gegeven worden, die der kerk van Vlissingen recht gaf buiten de politieke macht te handelen en het werk der beroeping zonder vrees voor onwettige handelingen af te doen. En die verklaring is uitdrukkelijk gegeven door den Vlissing schen Magistraat, na de hoogere autoriteiten geraad pleegd te hebben Hierna werd aan al de kerken van Zeeland vrijheid gegeven om alles als ongeschreven te beschouwen, wat op last der Overheid in hare kerkenordening van de politieke inmenging in kerkelijke zaken geschreven stond. En wat in Zeeland is geschied, is in de andere provinciën, mutatis mutandis, eveneens gekeurd. En wel is de politieke macht later teruggekomen op haar besluit om de Kerk geheel vrij te laten, maar nooit heeft zij meer geëischt, dat de met beider goedvinden gesupprimeerde voorschriften omtrent staatkundige bemoeiingen in kerkelijke zaken zouden hersteld worden. Dat deed zelfs Koning Willem I niet, toen hij in 1815 de quaestie der kerkelijke salarissen, uit de Staatskas te betalen, regelde.

Nog eens dan, vreemd is het, dat een Minister als vertegenwoordiger der politieke macht vraagde naar een daad, waartoe niet de Kerk, maar de Staat het initiatief genomen heeft. Het geeft opnieuw grond om te raden, de kerkhistorie van deze landen te onderzoeken, teneinde bewaard te blijven voor onjuiste beoordeeling van wel overdachte handelingen der Kerk.

Op staatsrechtelijk terrein is deze opmerking niet zonder gewicht.

KuypER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1892

De Heraut | 4 Pagina's