Uit de Pers.
Het deed ons genoegen in de Hervorming uit het referaat van Dr. Granpé Molière over de Indische kerken, en het daarop gevolgd debat, een kort summier te vinden, dat ons geheel bcve& tigt in onze overtuiging aangaande de volstrekte noodzakelijkheid, om de Indische kerken geheel vrij en weer confessioneel te maken.
Het resumée luidt aldus;
I. De Indische kerk. Deze bezit een organisatie die alle behalve Protestantsch is. Zij heet een eigen bestuur te. hebben te Batavia. Maar reeds de wijze, waarop dat bestuur wordt samengesteld, brengt het geheel m afhankelijkheid van den Gouverneur-Generaal. Deze benoemd zijne leden en van hen zijn de vier predikanten van Batavia verplicht, de benoeming aan te nemen. Daarbij treedt de G.-G. dikwerf geheel < iutokratisch op. Nu eens plaatst en verplaatst hij de predikanten, buiten de voordracht van het kerkbestuur om; dan weder stelt hij, zonder met dat bestuur in overleg te treden, de catechisatieuren vast, en even willekeurig handelt hij met de gelden, die noodigzijn voor het godsdienst onderwijs op plaatsen, waar geen predikant ol hulpprediker vast verblijf houden.
In óén voornaam opzicht —^ het uitzenden v.-m pre dikanten, is de G.-G. afhankelijk van eene commissie te 's Gravenhage en deze weder van den Minister van Koloniën. Ten slotte is dus het opperhoofd der Indi sche Kerk, deze Minister. Zeer tot haar nadeel ondervond die kerk dat onder den heer Keuchenius, die weigerde de voor het godsdienstonderwijs toegestane gelden uittebetalen en, tegen den zin van deHaagsche Commissie, alleen op eigen gezag een predikant der Afgescheidenen tot Indisch predikant aanstelde. II. De Indische fredikant. Geheel onbekend met land, volk, taal, zeden, werk en .werkkring wordt de predikant uit Nederland naar Indië gezonden. Maar daardoor duurt het ook een paar jaren voordat hij eenigszins voor zijn dienstwerk bekwaam is.
Een niet minder groot nadeel achtte spreker daarin gelegen, dat de predikant in Indië ambtenaar is. Want. in de eerste plaats is hij daardoor dienaar van het Gouvernement en pas in de tweede plaats van zijne gemeente. Die gemeente heeft over zijn komen en gaan niets te zeggen. Zij krijgt hem en verliest hem weer, juist op dezelfde wijze als al hare andere ambtenaren. Ja, eens weigerde zelfs een G.-G. te voldoen aan het verzoek van een gemeente om haar geliefden leeraar te mogen behouden, en dat, niettegenstaande alle leden eenparig dat verzoek tot hem hadden gericht.
Evenals alle ambtenaren maakt ook de Indische predikant slechts promotie naar het stelsel van an cienniteit. Daardoor gebeurt het vaak, dat op de groote plaatsen geheel door ouderdom verzwakte predikanten worden aangesteld, terwijl aan jonge en krachtige mannen gemeenten blijven aangewezen, waar zij slechts een werkkring vinden geheel beneden hun ijver en talenten. Slechts in één opzicht is de predikant van de andere ambtenaren onderscheiden, nl. in zake tucht. Deze bestaat in de Indische Kerk zelfs in ! 't geheel niet. Maar daardoor missen ook het werk en de ijver der predikanten den vodr alle measchen zoo noodigen prikkel
III. De propaganda der Jezuïten. Een 40 jaar geleden waren er nog geen R K. geestelijken in N, - Indië; en in 1885 hadden zij in aantal het corps der Ind, predikanten overvleugeld. Daarbij is de positie der pastoors, die, op een enkele uitzondering na, tot de orde der-Jezuïien behooren, zoowel finan tieet als maatschappelijk beter dan die der predikanten, ja, wel tweemaal zooveel beter. Verder ondervindt de R. K. geestelijkheid meer hulp en bescherming der Regeering Slechts de bisschop plaatst en' verplaatst de pastoors. Duizenden ontvangt hij jaarlijks, om zijne gemeenten te inspecteeren De pastoors op Banka mogen voor hunne reizen zes koelies meer declareeren dan de predikanten. Daarbij ontvangen de laatsten slechts een aanstelling als herders en leeraars van een _ Europeesche gemeente, terwijl de eersten tevens missionarissen zijn. Te Atjeh stelde de Regee ring een vasten pastoor aan, toen de veldprediker nog maar dienstreizen mocht ondernemen en er voor een iimboneeschen hulpprediker geen geld scheen te zijn. Den pastoor te Atjeh en dien te Djokdja decoreerde zij met den Nederlandschen Leeuw, terwijl zij den predikant Knottnerus niet eens een openlijke dankbetuiging gaf voor de gewichtige diensten door hem bewezen.
Ten slotte vraagt M., wat de Nederlaiuische Protestanten doen kunnen in het belang der Ind Kerk? Daartoe wijst hij op twee middelen.
1. Men geve ondersteuning aan den heer Van Diik te Doetichera, die ziju energiek plan, om honderd zendelingen speciaal voor Indië op te leiden, heeft moeten prijsgeven, wijl hem nog niet eens '/lo gedeelte van het daartoe benoodigde kapitaal werd verstrekt.
2. — en voor dit middel heeft Spr. meer sympathie — een Protest, kerkgenootschap of een prediltaateuvereeniging wende zich per request tot den Minister van Koloniën. Daarvoor meent hii. is het nu de geschikte tijd daar zoowel de tegenwoordige Minister als de G. G. personen zijn, tot v, - ier s& aiiaiaasdeugden ooit ernst en eerlijkheid behooren. Bovendien heeft de Minister, door twee Ind. predikanten te decoreeren. een bewijs van welwillendheid gegeven, dat allen grond geeft voor do hoop, dat wij bij hem gehoor zullen vinden voor elk redelijk verzoek, dat v/i) hem in het belang der Indische kerk doen.
Omtrent het debat, dat ter vergadering na het woord van inleiding volgde, werd ons het volgende mee gedeeld:
«Aan het debat kon alleen met plaatselijke lieunis van personen en toestanden worden deelgenomen door den heer f. De Jong van Heerhugowaard, wijl-deze en de inleider de eenig aanwezige oud Indische predikanten waren.
M Mocht derhalve voldoening van zijn verhandeling smaken en de vergadering daarin vertrouwen stellen, toen d. J. verklaarde, in lioofdzaken het met hem eens te zijn. Zoo hij met M van meening verschilde, dan was het in diens minder gunstig oordeel over de houding, welke hoofden van Bestuur in Indië tegenover de predikanten in hun werk aannamen. Erv.iringen als M. in dat opzicht scheen te hebben {ipgedaan, had hij ten minste nooit ondervonden. Slechts eens werd een declaratie voor zijn dienstreis door een controleur ge weigerd te onderteekenen; doch tot diens verontschuldiging kon zijne jonkheid in het controleurschap worden aangevoerd. Met genoegen had d. J. evenals M. de Indische kerk gediend en wenschte haar van harte eene reorganisatie ot liever organisatie toe, waarond voor haar en het Protestantisme in Indië betere tijden zouden aanbreken.
Tot Molière werden voorts eenige vragen gericht, waarvan de voornaamste de volgende waren:
I, Hoe komt het toch, dat de Ind. predikanten zo< i weinig medewerking ondervinden van de Ind Regeering en zooveel tegenwerking van de Ind. pastoors? Zou daaraan de lauwheid der protestanten zelven geen schuld hebben? Hielden zij, als de Roomschen hun pastoors, den predikanten • de handen boven 't hoofd, dan zouden deze aan dergelijke bejegeningen stellig niet behoeven bloot te staan. M. antwoordt: «Juist dat was het ergste van de toenmalige Regeering. Deze hield den Katholieken geestelijken de handen boven 't hoofd, niet de katholieke leeken, om de doodeenvoudige reden, dat er op de meeste plaatsen geene aanwezig zijn."
3. M. beweert, dat predikanten die voor de eerste maal naar Indië uitgezonden worden met devereischten voor hun werkkring aldaar volstrekt niet op de hoogte zijn, ja, er eerst na een paar jaren op kunnen komen: zou hij het daarom n-'et zeer wenschelijk achten, dat benoemde predikanten vóór hun vertrek verplicht werden minstens een jaar zich voldoende voor te bereiden ?
M. stemt dat toe; doch voegt er bij, dat, gaat de Regeering tot eene reorganisatie van de Ind kerk over het getal der in Indië dienstdoende predikanten wel kleiner worden zal en dat ook gerust kan daar werkelijk slechts op enkele plaatsen predikanten noodig zijn en de overige met hulppredikers of rondreizende predikanten toe kunnen. Aan een speciale opleiding mag het dezen allen dan natuurlijk niet ontbreken.
Zoo spreken thans zelfs de Modernen.
Wij riepen in gelijken zin reeds sinds '69. Maar in de regeeringskringen blijft men doof aan het kerkelijk Indisch oor.
Men durft de hand niet steken in dit xvespennesf.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 januari 1893
De Heraut | 4 Pagina's