Uit de Pers.
Het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie begorj onder redactie van Ds. de Gaay Fortman, Ds. Westerbeek van Eerten en Dr. Schot zijn tweeden jaargang; en zeer hopen we, dat dit niet de laatste zal zijn.
Toch raag ons publiek deze uitgave wel een ruggesteuntje - geven, want juist zulke Tijdschriften hebben het in den regel hard te verantwoorden.
antwoorden. Als proeve zij het ons vergund iets over te nemen van het eerste stuk ovtr Wedergeboorte en Doop van Ds. Westerbeek van Eerten.
Wanneer men in onze dagen over het verband tus schen wedergeboorte en Doop spreken wil, heeft men het niet te miskennen voorrecht, van eene zaak aan te roeren, die actueel is
Vervlogen zijn de dagen, dat men het zoo dor en vervelend vond om over den H Doop te spreken.
En toch, de ' tijden liggen nog niet zoo ver achter ons, dat het geen zeldzaam verschijasel was, wanneer men in den dienst des Woor^s: enmct name bij de behandeling van den Heidelbergschen Catechismus er aan toegekomen was om het Sacrament van den H. Doop te bespreken, e.r getuige van te wezen, dat in eene enkele godsdienstoefening de leer van den Doop geheel werd afgehandeld.
Blijkbaar stond menige prediker verlegen met het Sacrament Van den Doop. Het ontbrak niet zelden aan een klare en juiste voorstelling, en insteê van bij de vaderen uit den bloeitijd der Gereformeerde kerken op onze erve ter schole te gaan, maakte men zich er met algemeenheden af.
Dan, door 's Heeren gunst, zijn deze tijden schier voorbij. De belangstelling in de bondszegelen der genade is weer gewekt. Nu de lijnen naar Gereformeerd bedoelen weer aangegeven worden en de zoolang verwaarloosde verbondsleer weer als een kostelijk goed beschouwd wordt, nu vindt ge voor de waarheid, zoo kloek en klaar door onze vaderen beleden, een luisterend oor.
Wel zijn we nog niet waar we wezen moeten Wel vindt de verbondsleer nog in vele kringen tegenstand; tegenstand allermeest daar, waar óf het methodisrae öf de mystiek heerscht. Maar toch er is een kentering gekomen. Velen beginnen de mogelijkheid te onder stellen, dat ze hun eigen gevoelen, rakende de beteekenis van het verbond, hebben prijs te geven en in te ruilen voor dat, wat naar den Woorde Gods door de Gereformeerden is geleerd.
En dan heet het verder:
Onderstel - -; -'t geen natuurlijk niet geschieden kan — dat van een kindeke, dat ten Doop wordt aangeboden, kon uitgemaakt worden dat het niet is wedergeboren en eo ipso niet tot Christus behoorde, dan zou de Raad der Kerke, die toch den Doop van zulk een kind toe stond daardoor in strijd handelen met de uitdrukke lijke leer der Gereformeerde kerken.
In artikel 34 onzer Confessie luidt het: »Zoo heeft Hij, Christus, dan bevolen te doopen al degenen die de Zijnen zijn."
Uitdrukkelijk wordt hier dus geconstateerd, dat alleen het eigendom des Heeren van Zijn merk en veldteeken moet voorzien worden.
Doopen moogt ge, neen, moet ge; maar steeds in de onderstelling, dat wie ge doopt rechtens het merkteeken des Heeren toekomen.
Dat deze leer door onze vaderen in den bloeitijd der Gereformeerde kerken werd beleden is reeds in den laatsten tijd dikwerf herhaald maar mag nog wel eens opzettelijk worden uitgesproken.
Het was het oude gevoelen der Gereformeerde kerken. Reeds vóór het eerste convent te Wezel in 1568 gehouden werd vindt men deze klare uitspraken.
In het formulier van den Heiligen Doop uit den jare 1566 '), 't welk door »de Duijdsche Ghemeente" te Londen gebruikt werd, komt na de uiteenzetting van de beteekenis van den Heiligen Doop, onder de vragen aan den vader en de getuigen, als eerste vraag voor: «Nademael B. de doipe na huerer insettinge (als nu gehoirt isj een kraftige versegelinge is der genadiger ende saligher wedergeborte, die den gheloivighen ende huerer sade, na luydt des Euangelii. door Christijesu, des eenigen ende eeuwigen Heilandes voidoeninge, vermiddelinge, heijlichmakinge ende verdienste, to wege gebracht is, so vrage ick uth name der gemeinte, of gij dit kindt, dat gij hier bringet, achtet een geloiuigh saadt te sijne, ende dat den selvigen de Doipe in rechter bedieninge toekome ? "
Onomwonde werd dus toen reeds door de Gereformeerde kerken beleden dat de Doop een krachtige verzegeling is der wedergeboorte en dat het kind, d men doopen liet geacht werd een geloovig zaad te wezen, 't welk daarom gedoopt worden moest.
Dit het »in Christus geheiligd", rakende de kleine kinderen, in het Doopformulier der Gereformeerde kerken ook in dien zin moet worden opgevat, blijkt zonneklaar uit een aandachtige lezing van dit formulier, Hoe toch kan de Gemeente in oprechtheid in het dankgebed den Heere bidden, dat die gedoopte kinderen in Christus mogen wassen en toenemen, bijaldien ze niet geacht worden in Christus te zijn ? En op wat andere wijze kunnen die kleine kinderen geacht worden in Christus te zijn. tenzij dan, dat ze door een oprecht geloof Hem zijn ingelijfd? En dat ingeli'fd zijn, dat bezitten van het geloofsvermogen, wat is het anders dan het deelachtig zijn der wedergeboorte?
Dat de Gereformeerde kerken hier te lande zich dan ook, wat deze zaak aanbelangt, onomwonden hebben uitgesproken, blijkt wel zonneklaar uit de Dordtsche Leerregels. In Hoofdstuk I dat van de Goddelijke verkiezing en verwerping handelt, staat toch in art. XVII klaarlijk de belijdenis: »Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met huhne ouders begrepen zijn, zoo moeten de godzalige ouders nie: twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt."
Deze uitspraak, deze kerkelijke uitspraak, laat geen twijfel over, op wat wijze de kinderen beschouwd moesten worden, die men den toegang tot den Heiligen Doop verleende. Hoe toch zouden godzalige ouders zich verheugen mogen over de verkiezing en zaligheid hunner jonge kinderen, indien ze niet moesten achten, dat ze geloovig waren?
Niet onbelangrijk is ook dit getuigenis dat hij van Prof. Walaeus aanhaalt.
Walaeus, leerling van Junius, die zijn professoraat aan de Hoogeschool te Leiden 21 Oct. 1619 aanvaardde met eene «Oratio de recta institutionestudiitheologiae, " en aan wien de Synode van Dordt mede de bewerking der vertaling des N. Testaments opdroeg, Walaeus laat zich, rakende het verband tusschen wedergeboorte en Doop. in gelijken zin uit.
In de «Synopsis Purioris Theologiae" laat hij in «Disputatio XHV de Sacramento Baptismi" zich aldus uit: «De werking van den Doop beperken wij niet tot het oogenblik, wanneer het uiterlijke water met het lichaam in aanraking komt; maar bij allen, die gedoopt worden, vragen wij, met de Schrift, vooraf naar geloof en wedergeboorte, ahijd naar het oordeel der liefde, en dit zoowil in de kinderen, die als bondelingen moeten beschouwd worden waarin wij beweren, dat krachtens de 'Goddelijke zegening en het verbond des Evangelies, het zaad en de geest des geloofs en der wedergeboorte moet gesteld worden, als in de volwassenen in wie de belijdenis van het^dadelijke geloof en der bekeering
noodzakelijk zijn moet. Voorts gelijk het in de aarde geworpen zaad niet altijd op hetzelfde oogenblik wasdom vertoont maar slechts dan, wanneer er regenen warmte des hemels over komt, alzoo vertoont noch het Woord, noch het teeken der Sacraments, op het eerste oogenblik zijne werking, maar eerst dan, wanneer de zegen des Heiligen Geestes het vergezelt." h v v d
Uit deze aanhalingen is het onbetwistbaar, dat deze theologen althans niet geaarzeld hebben, om met kracht en klem zich te dezer zake uit te spreken; wel ten bewijze, dat men toentertijd niet in nevelen rondtastte, maar zich terdege, op grond van Gods Woord, op grond der verbondsleer, rekenschap had gegeven van het verband tusschen wedergeboorte en Doop. l d M D
Over deze materie thans geen woord meer. Met opzet zwijgen we over deze zaak, wijl wij het ongeoorloofd achten^ dat men in de kerke Gods iets drijve. v s s n
AVij hebben, toen het onderwerp er ons toe riep, de zaak duidelijk en met de noodige bewijzen blootgelegd.
Thans laten wij het aan den Heere over, om dit uitgestrooide zaad te laten ontkiemen. V
KüYFER,
1) Bovengenoemd formulier komt voor in »De Psalmen Dauidis. in Nederlandischer sangsrijme door Jan Vvtenhove van Ghentt. Londen bij Jan Daye 1566"; welk boek mij door den Heer H. D C. Dibbets bereidvaafdig uit de Utrechtsche Universiteits-Bibliotheek werd verschaft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 januari 1893
De Heraut | 4 Pagina's