Uit de Pers.
Uit de studie over de rechtspositie der kerken onlangs in het Rechtsgeleerd Magazijn geleverd, en waar we reeds de aandacht onzer lezers op vestigden, wenschen we nog drie zinsneden over te nemen.
Ten eerste die over de gevolgen van uitdrukkelijke toelating.
Gevolgen vau uitdrukkelijke toelating.
Wat zal het gevolg zijn van de uitdrukkelijke verklaring dat tegen de to Jating geen bezwaar is? Alle ; n dit, dat de toegelaten Kerk voortaan op haar naam goederen kan verkrijgen contracieercn, enz., dat hare diaconie zich vrijelijk kunne wi; den aan de behartiging van volksbelangen; dal de Regeering met kerkeraden en diaconiën waar noodig m aanraking kan koraej. Ten aanzien van de pretensiën der toegelaten Kerk op de goederen, die op naam staan of in het bezit zi]u van andere Kerken, wordt door eene daad van uitdrukktli]ke erkenning niets gepraejudiciëerd of, zoo iets dan ten nadeele van den nuuwen titularis, de bezitters toch zullen kunnen aanvoeren dat het aan nemen van een anderen naam dan dien van den tegenwoordigen bezitter bewijst, dat men iets anders is. De Gereformeerde Kerken die sinds 1886 gebroken hebben met het haar in 1816 opgelegde verband en onder haar eigen organisaiie wenschen op te treden, hebben bij hare kennisgeving daarvan aan de Regeering uit drukkeli]k bew, erd, recht te hebben op zekere reeds bestaande kcrkcli|ke goederen. Zij moesten dit doen op haar standpunt; evenals de R. K. kerk ditzelfde steeds op haar standpunt terecht gedaan heeft en nog doet ten opzichte van de goederen, óór de Refor matie in kerkelijk bezit (Zij zal, zoodra eenmaal het beginsel ingang gevonden heeft, dat de Kerken, na de Reformatie als zelfstandige lichamen opijetreden, eigen li]k niets dan verecnigiugen ot godsdieusiige genoot schappen zijn, haar reclit op de goederen van het instituut wel doen gelden —) Doch alleen de rechter heeft in die quaestie te beslissen, en eene Kerk, gesteld dat hare bewering onjuist is. kan toch niet alleen op grond van eene onjuiste rechtsaanspraak het recht verliezen om evenals alle andere Kerken zelfstandig op te treden.
Ten tweede schetst de geachte schrijver de gevolgen van het tegenovergestelde.
Gevolgen van niet-uitdrukkelijke toelating.
Wat zal het gevolg zijn van het gemis van even bedoelde duidelijke verklaring? Een groot decides volks, en daaronder jvrist zij die bijzonder belang stellen in de geestelijke belangen des volks, bijk.tns 400000 ingezetenen in getal, zal zich diep gegriefd achten, omdat het niet dezelfde bescherming zal genieten als de leden van alle overige Kerken of Kerkgenootschap pen; want aan die, welke vóór de wet van 1855 feite li)k toegelaten waren, wordt zoowel door de Regee ring als door elk rechtscollege rechtspersoonliikheid toegekend; zelfs bij de erkenning van de Christ Geref Kerk is de wet van 1855 niet toegepast, doch aan allen die voortaan onder een eigen naam willen op treden wordt eene, althans voor Gereformeerden, onmigslijke voorwaarde opgelegd. Ondanks die onbillijke bejegening zal zich onder de oogen der Overheid eene groote corporatie in den Staat organiseeren waarmee ieder, ook zijns ondanks, wel zal moeten rekenen doch waarmede 's lands Overheid op geene wijze in officiëele aanraking zal kunnen komen Hierbij zij her innerd aan de betrekkingen met de armbesturen en aan de controle van de kiezerslijsten. Eindelijk worde nog opgemerkt, dat de thans door de Regeering ge stelde eisch — optreding als vereeniging — elke reformatie der Christelijke Kerk (hetzij men deze opvat in den zin der R K , hetzij in dien der Gerefor meerden enz.) in hooge mate belemmert.
En ten derde zijn slotopmerking.
Slotopmerkingen.
De toelating van Kerken ot Kerkgenootschappen kan nooit verbonden worden aan de voorwaarde, dat die Kerken gezamenlijk met andere Kerken vereenigd moeten zijn. Art 168 G W., dat geïijk recht voor alle kerkgenootschappen wil. heeft onder dit woord niet verstaan, en kon daaronder in 1815 ook niet uit sluitend verstaan een als eeu genooischap samenhangend com^ilex van Kerken. Waartoe zou het ook dienen te eischen dat eene Kerk of Kerkgenootschap, om op rechtsbescherming aanspraak te hebben, ook met andere gelijkgezinde Kerken verbonden moet zijn; een toestand die ook thans niet in alle Kerken bestaai; met name niet bij de Doopsgezinde gemeenten. Werd die eisch gesteld dan zou de Regeering hier te lande de ontwikkeling van den zoogeuaamden presbyterialen kerkvorm beletten of belemmeren, hetgeen wederom in strijd zou zijn met de bij de G-VV gewaarborgde vrijheid van godsdienst en gelijke bescherming van elk kerkgenootschap Het kan toch niet worden geloochend, dat in veler oog de kerkvorm innig samenhangt met het geloof der gemeente Zoowel in den strijd tusschen de R. Kathol. en Protestanten, als in dien tusschen Gereformeerden en Arminianen, ging het niet het minst om den kerkvorm. Evenzeer als de Roomsche de Anglicaan de Lutheraan zich beroept op een hem bin dend gezag ter verdediging van zijn kerkvorm of kerk regeering, doet zulks de «Gereformeerde", die daar zooveel aan hecht, dat hij herhaaldelijk, o.a. vóór 1618 Uijdens den strijd met de Remonstranten), in 1834 in 1886, alles heeft prijs gegeven waarop hij meende recht te hebben, alleen om de Kerk naar zijn beginiel te kunnen organiseeren; en evenzeer als het geloofsvervolging zou zijn zoodra men den Roomsche of den Anglicaan wilde dwingen zich te onderwerpen aan de regelen van het »vcreenigingsrecht", zou het zulks zijn ten aanzien der Gereformeerde Kerken, die zich in 1834 en later aan de reglementen der N'-der landsche Hervormde Kerk en de daarop berustende besturen hebben onttrokken.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat deze Nota uitgaat van eene beschouwing der Kerk, die. ofschoon in over eenstemming met de vroegere geschiedenis der Kerk, thans door vele harer leden niet meer aanvaard wordt, hetgeen intusschen van geen invloed op de conclusie behoeft te zijn, vermits ieder, die in eene Kerk niets anders ziet dan eene vereeniging van geliikgezinden, volkomen vrij blijft, zich als zoodanig te gedragen en vereenigingen op te richten overeenkomstig de voor schriften van de wet van 1855. k
Overmits het Rechtsgeleerd Magazijn in onze kringen bijna niet bekend is, zal deze ruime overneming in ons blad wel-verontschuldigd worden.
Al wat over dit netelig punt licht spreidt, is vooral voor de belang .icbbende kerken van zoo hoog gewicht.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 april 1893
De Heraut | 4 Pagina's