Uit de Pers.
In het tijdschrift De Theologische Studiën heeft Prof. Dr. Woltjer een recensie geplaatst van Van der Wijcks Herinneringswoord aan Opzoomer, waarvan het veelzeggende slot aldus luidt:
Over de waardeering der groote gaven van Opzoomer en zijne veelzijdige werkzaamheid kan geen verschil bestaan. Zeer zelden worden zulke mannen geboren, reuzen in het rijk der wetenschap. Dat hij zijne groote geestesgaven kende en het niet zelden toonde, dat hij wist, wie hij was, moet, indien men er een grief van wil maken, meer aan zijne mentors dan aan hem geweten worden. Goed geweest is het zeker met, dat hij reeds op 21 of 22 jarigen leeftijd tegen da Costa optrad, goed allerminst voor hem zelven. Dit vroege optreden en de lof, dien hi] daarbij oogstte, stuwden hem voort in eene richting, die voor den philosophisch denkenden jongen man, niet anders dan verderfelijk werken kon. Op da Costa volgt van Oosterzee, m wien het Christendom, onder het handgeklap der liberalen, moest worden afgebroken. Let op dit woord: »Wij laten alle bijzondere punten daar en letten alleen op de groote hoofdzaak des Christendoms: de mensch met God verzoend door het bloed van Christus, dat van alle zonden reinigt. Is er ééne leer, waartegen zedelijk en godsdienstig gevoel zich met kracht laat hooren, dan is het deze". En op dit andere: «Het Evangelie is een wespennest van fabelen". Toch meent Dr, A. Pierson: «Van zijn geschriften oorvoed, zou men zonder veel moeite Opzoomers' geloofsbelijdenis, — óók zij Bekenntniss einer schonen Seele, — kunnen nederschrijven, aanvangende met iets m den geest van die overschoone Confession de péchés". Zoo lang de woorden nog een zin hebben, blijft deze meening voor mij een onoplosbaar raadsel.
Twee stroomingen in het intellectueele leven van zijn tijd, sleurden Opzoomer mede: de empirische methode der natuurwetenschappen en de zoogenaamde kritische methode op het gebied der letteren en der geschiedenis. Zóó hoog stond hij niet, zóó verdrong zijn blik niet door, dat hij hier het schijnbare van het wezenlijke onderscheidde en de bron bespeurde, waaruit beide stroomen voortkwamen. .Ook hij was een kind van zijn tijd.
Toch was hij te scherpzinnig philosooph om niet in te zien, dat het empirisme in den gewonen zin des woords de vraagstukken betreffende het wezen onzer kennis niet oplost. Zonder geloof doet ook hij het niet, maar zijn geloof heeft tot grondslag een gevoel, een schoonheidsgevoel, een zedelijk gevoel, een gods dienstig gevoel. Hoe weinig echter op dat drijfzand te bouwen viel, heeft de ervaring hem geleerd en leert zij ons nog dagelijks.
Toch hield Opzoomer zijn leven lang vast aan het bestaan van God als Schepperen Bestuurder van alle dingen. Ware slechts dat geloof voor hem geweest niet «reen geloof zonder bewijs", maar een geloof dat, naar de Schrift, zelf een bewijs, een 'éXiyy^a: , is, en had hij van dat geloof uit, dat eerst den grondslag uitmaakt van alle wezenlijke kennis, den weg gezocht ter verklaring der raadselen des levens, den weg der wetenschap nagespsurd, zijn arbeid ware vruchtbaar geworden.
Nu doet hij • denken aan Anaxagoras. 't Zij mij vergund de bekende plaats uit den Phaedo van Plato in herinnering te brengen. Toen Socrates gehoord had, dat Anaxagoras den geest de oorzaak noemde van alle dingen, was hij daarover verblijd en in de hoop de oplossing te zullen vinden van het raadsel, dat hem steeds bezig hield, nam hij de boeken van Anaxagoras ter hand en zette zich met allen ijver aan het lezen. »Maar van de hoogte van deze wónderzoete hoop, mijn vriend, stortte ik snel naar beneden, toen ik voortging met lezen en zag, dat de man van den redelijken geest volstrekt, geen gebruik maakte en ook volstrekt geene gronden bijbracht, die betrekking hebben op het regelmatig ordenen en besturen der dingen, maar wel lucht en aether en water en vele andere wonderlijke dingen als oorzaken aanvoerde. En mij kwam het voor, dat het hem evenzoo ging, als wanneer iemand eerst zeide, dat Socrates alles wat hij doet, met redelijk overleg doet, , maar vervolgens, wanneer hij trachtte de oojzaken te noemen van alles wat ik doe, dan xeide in de eerste plaats, dat ik daarom |nu hief in de gevangenis zit, omdat mijn lichaam uit beenderen en spieren bestaat en de beenderen vast en stevig zijn en door gewrichten van elkander gescheiden; dat de spieren in staat zijn zich te spannen en te ontspannen, terwijl zij met het vleesch en de huid, die ze samen houden, de beenderen omgeven. Daar nu de beenderen in hunne gewrichtsverbindingen bewegelijk zijn, dat daardoor de spieren, zich ontspannende en spannende, maken, dat ik nu in staat ben mijne leden te bewegen en dat ik daarom nu hier met gebogen knieën zit."
t t Mutatis mutandis, zou ik zeggen, geldt hetzelfde van Opzoomer. Ware hij niet als jongeling reeds door den rationalistischen stroom meegevoerd, had hij, vasthoudend aan de Calvinistische beginselen, met de groote gaven, door God hem geschonken, getracht de ranselen des levens, voor zoover ze voor het schepsel opgelost kunnen worden, te ontsluieren, zijne talenten en zijn arbeid zouden heerlijke vruchten gedragen hebben. Hij zou bewaard gebleven zijn voor het bij hem valsche dualisme van God en wereld, daar hij de eenheid had gevonden, voor het kennen, in het geschapen zijn van den mensch naar het beeld Gods; voor de onjuiste tegenstelling tusschen gevoelen en weten, ofschoon hij. daarom nog niet de lijn van van Oosterzee's gevoelsleer behoefde te volgen; hij zou het emddoel van alle wetenschap hooger gesteld hebben, dan in »de kennis van den band tusschen den mensch en het geheel der dingen"; hij had in beteren zin kunnen toonen, dat godsdienst vereenigbaar is met wijsbegeerte, beter, — of eigenlijk hij had het kunnen toonen, want nu heeft hij uit den godsdienst het wezen weggenomen.
Nu heet het, dat hij de boeien van vele geesten ge slaakt heeft, dan had hij de ware vrijheid gekend, die in het «wespennest van fabelen" aldus omschreven wordt: «Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, zult gij waarlijk vrij zijn".
Metterdaad zoo is het.
, - Opzoomer, en vele zijner tijdgenooten, hadden ongetwijfeld een heel anderen koers genomen, indien toentertijd het Calvinisme zich nog in een anderen vorm dan die der strjle rechtzinnigheid had vertoond.
Nu zijn ze afgedreven. Steeds verder. Tot ten slotte nog alleen zekere natuurlijke Godgeleerdheid als nagalm van een vroeger verleden bij hen overbleef.
. En, helaas, zelfs die nagalm is door hun leerlingen en epigonen niet meer vernomen.
Z^ hebben de kust vai. waar Opzoomer afvoer, toen hij in zee stak, zelfs nooit gezien.
Het is hun ganschelijk een onbekend land, een ierra incognita geworden.
Een land dat door hen eerst weer moet worden ontdekt.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1893
De Heraut | 4 Pagina's