Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Synodale Predikantenvereeniging.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Synodale Predikantenvereeniging.

20 minuten leestijd

Amsterdanty 5 Mei 1893.

De vergadering van de Nederduïtsche Hervormde Predikantenvereeniging, de vorige week te Utrecht gehouden, heeft ditmaal zeer de aandacht getrokken.

De GereJormeerden waren er niet.

Of althans had geen hunner een referaat, en is door geen hunner aan de discussie op eenjgsains beteekenende wijze deelgenomen.

Het Was al Ethisch-Irenisch.

Niet Modern, en niet Gereformeerd, maar zwevende tusschen beide polen in. Vandaar het zser gemengd karakter van het gezelschap.

Eenerzij ds een linkervleugel met Prof, De la Saussaye en Prof. Kvuifï aan het hoofd; daartegenover een rechtervleugel die conservatiever getint v/as, en als wier v/oordvoerder vooral Ds. Fijnvandraat vanBeesd optrad; en dan in het centrum Prof. Gunning en Dr. Bronsveld, met hun respectieve volgelingen.

Natuurlijk waren deze groepen sa4m vereenigd in kerkelijken weerzin tegen de vrije Gereformeerde kerken. Aan Prof. Doedes' „geestige" bespotting van een Heraut artikel haalde men zijn hart op, en Prof. Van Leeuwen betwistte ons bij hoog en laag alle recht op den titel van Gereformserde kerken.

Nu dit zij den heererv vergeven, In zulk een gemengd gezelschap is elk point de ralliement goud waard; en als men nu niets beters heeft, is weerzin tegen deDoleaatie een wél wat versleten, maar toch nog altoos bruikbaar koord, om de zeven pijlen £aam te snoeren.

Vooral de geestigheden over onze artikelen in zake piar.o en spel waren hartverheffend, en verhoogden den stijl van de vergadering.

Eendracht maakt macht.

En ongetwijield op dit punt waren de heeren eendrachtig.

Maar vee! verder ging ook niet. hun eendracht

Immers, hoe vernuftig Prof. Doedes het ook voor het wereldcongres te Chicag; o en tegen de Heraut opnam, toch bedankte de vergaderjrsg voor de eer, om er deel aan te nemen.

Prof. Doedes had dan ook sterker gestaatf, zoo hij niet in een besloten vergadering een afwezige had geridiculiseerd, maar openlijk met naam en toenaam in hst krijt ware verschenen, en publiek onze crïtiek op dit Godsdiensten-congre.? weerlegd had.

Dan hadden v/e hem te woord kunnen staan, en is het zeer de vraag, wie dan'aan het kortste eind had getrokken.

Blijkbaar stond het lidaiaatschap van het Adviseerend Comité voor dit congres in zijn schatting zóó hoog, dat hij ook aan de Predikantenvergadering de eer had toegedacht, om, als vereeniging, lid van dit comité te worden.

Dit adviseerend comité is natuurlijk niets dan een echê A^erik3ansche schijnvettooning.

Het is een comité, dat nooit ééne zitting zal houden, en waarvan de leden niets te doen hebben, dan, zoo ze willen, wenken mede te deelen. Ze gaan dan ook niet naar Chicago. Geen reiskosten worden hun aangeboden. Al wat ze erlangen is, zoo ze op eigen gelegenheid komen een geprivilegieerde zitplaats, es recht om aan de discussie deel te nemen.

Zoo heeft men dan honderden van theologen uit de heele wereld leden van dat comité gemaakt, ea hun verzocht op te geven, of ze ook nog andere theologen wilden noemen, die als leden konden optreden.

Zond nu iemand eenigen naam in, dan v/erd ook aan dezen een gedrukte benoeming, slechts met zijn naam ingevuld, thuis gezonden.

Partijdig ging men in het minst niette werk. Men nam Modernen, Ethischen, Calvinisten, Lutherschen, Roomschen, Joden, Turken, Heidenen.

Vogels van zeer diverse pluimage.

Ook uit onzen kring werd Dr. Rutgers benoemd, en schrijver dezes ontving zelfs een uitnoodiging (waarvoor hij natuurlijk op , staanden voet bedankte), om een referaat te houden.

Nu verstaan we best, dat Dr. Doedes deze zaak bij den eersten oogopslag niet doorzien heeft, er zich een heel andere voorstelling van vormde, en waarlijk meende dat men er aan deel kon nemen.

Maar toen allengs uitlekte wat dit Godsdienstencongres eigenlijk was, had hij toch beter gedaan met flinkweg zijn aanneming van het lidmaatschap weer in te trekken, en voor dezen humbug te passen.

Doch heiaas, dat v/ilde hij niet. Hij moest nu doorzetten. Es vandaar zijn voorstel dat ook de geheele Predikantenvergadering er zich voor zou spannen.

Beleefdelijk schijnt men tosïB dit voorstel begraven te hebben. Althans uit de eenigszins verwarde verslagen ii? . de bladen, kan moeilijk een andere conclusie getrokken worden.

Tot eere van de Gereformeerde kerken in Amerika luoet gezegd, dat ? ij ook in Amerika de eenigen waren, die nog ia tijds lont rooken, en dat de Gereformeerde Synode elke gemeenschap meteen Congres, waarop het Christeïidcm op voet van gelijkheid met den Isiam en het Buddbisme zou komen te staan, beslist heeft afgesneden.

Niet minder interessant was te Utrecht het debat over de Synodale voorstellen, om moderne en orthodoxe secties in de t Synodale kerken te gaan stichten.

De inleider vond dit plan nog soo kwaad niet, maar de vergaderden pasten er voor, en vooral Prof. Gunning, die zijn oppositie ook in een vlugschrift toelichtte, ontried zeer elk meegaan op dien weg. Het recht van het Modernisme in de kerk mocht nimmer erkend worden.

De oude illusie der pretendenten.

Zoo heerschten eens de Bourbons in Frankrijk. Maar sinds menschen-heugenis is hun macht er onder den voet gehaald. Doch zie, de erfgenaam van Bourbon, hoewel als balling ronddolende, erkent het recht der nieuwe machthebbers niet, en voorts... legt hij zich bij den toestand neder.

Zoo nu is het ook in de Synodale kerk.

De belijdenis van Guido de Brés heerschte er eenmaal. Maar sinds is de macht dezer belijdenis er onder den voet gehaald. Een Moderne, Ds. Perk, is zelfs voorzitter van de Synode. Maar dit doet er niet toe. De Ethische heeren erkennen het recht van de Modernen niet. En dit redt de zaak in hun oog, ook al blijven de Modernen er met macht heerschen.

Toch gaf dit verzet ons vreugde.

Bij zooveel lafheid is elk teeken van veerkracht weer moedgevend.

Er spreekt in zulk een oppositie toch altoos nog een nawerking der confessioneele conscientie, en dit bewijst altoos opnieuw de onverecnigbaarheid van ijzer en leem.

Prof. Van Leeuwen was vooral tuk op den eerenaam van de Gereformeerde kerk.

Hij wilde zelfs dat pogingen zouden werden aangewend, om langs officieelen weg ons dien naam te betwisten.

Nu, onzentwege v/age hij dit pleidooi.

De naam van „Gereformeerde kerkEN" is heel iets anders dan de naam van Gereformeerde kerk.

Den laatsten naam verwerpen wij met alle macht, en den eersten, dien wij voeren, wil hij niet.

Hoe zou er dan een geding kunnen komen.

Want komt hij plaatselijk, en zegt hij: Daar noemt ge u toch „Gereformeerde kerk" in het enkelvoud, zoo zij geantwoord, dat naar orss beste weten, de heeren plaatselijk juist niets van den naam van kerk willen weten en altoos vaa gemeente gewagen.

Ook bier dus geen verschil.

Ers dan eerst zai er een ernstig geding kunnen rijzen, zoo de heeren plaatselijk van „Gereformeerde kerk" en voor het land van „Gereformeerde kerken" gaan spreken.

Doch zoover zijn we nog niet.

Dan toch gaven de heeren het geheele genootschapsstandpunt prijs.

Toch was o. i. het merkwaardigste van alle.'i het optreden van Prof. De la Saussaye met zijn referaat over het Agnosticisme.

Deze hoogleeraar is gelijk men weet ook wel op de Moderne theologen-vergadering gewee.tt, en nu ziet ge hem weer ep de Syn: ? dile Predikantenvergadering. Geen biijk van groote vastheid!

Ea wat was nu het resultaat, dat de vergadering van zijn lippen met zooveel bijval begroette?

Dit, dat er niet enkel mystieke geVaarwordingen van religïeu.sea aard zijn, maar dat er heusch ook eenige kennisse van God moet en kan zijn, en hiervoor werd dsn vooral veïwesen, naar de natuurlijke odgeleerdheid.

Poverder kon het toch al niet!

En toch zóó gedrukt is de stemming der geesten in deze atmosfeer, dat zelfs zulk een pover resultaat de saamgekomenen enthousiast maakte.

Neen niet Doedes, veelcrieer was De la Saussaye, toen de vergadering uiteenging, hun man.

Bedenk nu dat hier een driehonderd predikanten saam ware», die in de Ethisch-Irenische kringen voor de leidslieden des volks gelden, en vraag u dan af, wat er van zulk een leiding der geesten onder het volk wolden meet.

In zake den Doop.

In zake den Doop hecht de goed Gereformeerde nog altoos beteekenis aan de opinie van Calvijn, voor ons onder de ^«if^^i ecclesiae, d.z. „de vaders der kerk", de eerste, gelijk Voetius de eerste is onder de doctores ecclesiae, d. z. de doctoren der kerk.

Niet natuurlijk alsof we op het zeggen van deze twee machtigste onder de Gereformeerde geesten bhndeUngs af konden gaan. Nooit wijkt of zwicht iemand onder or.s dan voor den Woorde Gods. Maar omdat het historisch en kerkelijk van het hoogste belang is, te weten, hoe zulk een „vader der kerk" den zin van Gods Woord heeft verstaan.

Met het oog nu op de Doopsquaestie, die ook thans weer, en hier verheugen v/e ons in, meer de aandacht begint te trekken, is het interessant, eens te wijzen op hetgeen er met Calvijns critiek op het Interim gebeurd is.

De zaak is, met het oog op wat thans door sommigen ook in ons midden beweerd wordt, bijna curieus.

Na da gevoelige nederlaag, die de legers der Protestantsche vorsten en steden in 1546 en 1547 in Duitschland geleden hadden, en het krasse optreden van het Concilie van Tfente met den Paus In laatstgenoemd jaar, achtte de keiser van Duitschland zich sterk genoeg, om aan de Protestanten het zoogenaamde Interim van Augsburg op te leggen.

Dit Interim was een kort stuk, inhoudende een summiere regeling van wat men voortaan In Duitschland over de geloofsmysleiiën keren, en hoe men bij de bediening van het Woorden de Sacramenten, en bij de regeering der kerk, te werk zou gaan.

Het stuk was schijnbaar verzoenend, maar gaf op bijnii alle hoofdpunten het echt reformatorisch beginsel prijs; en zoo de Paus maar had willen toegeven, zou dit Interim het Protestantisme in Duitschland metterdaad genekt hebben.

Calvijn zag dit gevaar zeer goed in, en haastte zich dan cok nog hetzelfde jaar (1549) een scherpe en degelijke critiek op dit Interim in de wereld te zenden, die ook onder ons bekend en in het Nederlandsch vertaald is. Ze droeg ten titel: Vera ecclesiae reformandae ratio.

Deze duchtige critiek was dan ook voor de Duitsche Protestanten een wezenlijke verademing, en geen wonder dat ook een Duitsch boekdrukker het Latijnsche werk ter perse legde.

Maar wat is nu het curieuse?

Dit, dat deze DuitEche boekverkooper schrok van Calvijns gevoelen over den Doop, en het niet aaadorslr, om in Duitschland dat gevoelen van Calvijn bekend te maken.

Geheel eigsnmatig veroorloofde hij zich dan ook de passage, waarin Calvijn zijn gevoelen over den Doop had uiteengezet, kort en goed te schrappen, en Calvijns critiek zonder zijn verklaring vaa den Doop uit te geven.

En hij deed dit niet stillekens, maar schreef er een voorrede voor, waarin hij Calvijns gevoelen over den Daop als in hooge mate • kettersch veroordeelde, het gevoelen namelijk alsof de kinderen der geloovigen, zelfst reeds eer ze geboren waren, in het verbond des eeuwigen levens v/aren opgenomen en te beschouwen waren als erfgenamen-des eeuwigen levens. Scilicet a Udelibtis parentibus sanctam generari progeniem et, foetum nondum in lucem editum in foedtis aeternae vitae coöptaium esse.

Dit nu kwam Calvijn ter oore, en hij was er rechtmatig vertoornd over, dat men zijn werk niet ongeschonden had uitgegeven, maar er een zoo gewichtig stuk, als dat over den Doop, uit had weggelaten.

Reden waarom hij zich gedror.gen gevoelde, een jaar later, aan een nieuwe editie van zijn v/erk een bijvoegsel of appendix toe te voegen, v/aarin bij met nadruk tegen deze wjlkeur en deze schending van zijn auteursrecht opkwam, en alsr.u nader zijn opinie over den Doop handhaafde.

Dit is dus zoo kra.'s mogelijk.

En wat was nu het gevoelen van Calvijn over den Doop, dat aanstoot had gegeven, en dat men 'm Duitschland uit zijn werk geschrapt had.'

Hij drukte htt in dezer voege uit: „De kinderen der geioc-vigen zijn reeds vóór hun geboorte opgenomen in het verbond des eeuwigen levens. Zs worden immers op geen andeten grond in de kerk door & zx\. Doop ingelijfd, dan overmits ze reeds tot het Lichaam van Christus behoorden, vóór ze het levenslicht zagen. Wie toch andere kinderen tot den Doop toelaat, ontiitiiigt het Sacrament.. . Hoe toch zou het ooit Gods wil kunnen zijn, dat we kinderen, die aan Christus vreemd zijn, met het merkteeken van Christus zouden teekenen? Zoo is het dan noodsjakeüjk, dat de genade der aanneming tot kinderen aan den Doop voorafga, een genade die niet slechts de helft van het eeuwige heil bewerkt, maar volkomenlijk dat eeuwig heil aanbrengt, dat da^iïna door den Daop bezegeld wordt. {Battismo ergo praecedat adoptionis gratia, necesse est, quae non dimidiae tantum salutis causa est, sed earn ipsam salutem in solidum afiert, quae deinde Baptismo sancitur.)

Calvijns uitspraak is dus zoo klaar ea duidelijk, als het slechts kan. Zelfs zouden we zeggen, iets te ver gewaagd, in zooverre hij deze genade der aanneming, die het eeuwig heil volkomenlijk aanbrengt, reeds vóór de geboorte als regel stelt.

Maar in elk geval spreekt hij 200 duidelijk mogelijk uit, dat wij geen enkel kind doopen mogen, waarvan we geen grond hebben te onderstellen, dat het reeds vóór den Doop zulk een genade ontvangen heeft, die volkomenlijk de zaligheid aanbrengt.

Van dit zijn gevoelen is nu Calvijn in 2ijn appendix in het minst niet teruggekomen, maar hij heeft het zoo kras mogelijk tegen zijn betweter gehandhaafd.

Calvijn wist zeer goed, dat er ook destijds velen waren, die over den Doop een ander gevoelen koesterden.

Zoo zei hij in zijn Antidotum op de Acta van Trente, in zijn aanteekening op de óa^sessie, can. 5. „Het is zoo, de raeesten stellen zich de zaak van den Doop anders voor, maar het is onrecht, de waarheid Gods te laten verdonkeren door menschelijke dwaling, hoe diep die ook zij doorgedrongen". En ook toen vroeg hij: „Met welk recht zullen wij de kinderkens der geloovigen van het koninkrijk Gods weren, die nog, eer ze door ons ten Doop kunnen worden aangeboden, uit dit leven warden weggenomen, ... en met welk recht zullen we hen tot den Doop toelaten, anders dan op grond van de belijdenis, dat ook zij erfgenamen der belofte zijn? "

Die velerlei tegenspraak hield hem dan ook iu het minst niet op, en in zijn appendix verzekerde hij nogmaals ten stelligste: „De kinderkens der geloovigen aijn reeds eer zij geboren worden door den Heere aangenomen tot zijn kinderen (adoptati sunt)." „De kinderkens worden gedoopt als zijnde buisgeucoten des geloofs". »Ze worden gedoopt op grond daarvan dat God ze reeds te voren oAs de zijnen bekend heeft, " „Zeker zijn ook de kinderen der geloovigen in zonde ontvcngen ea geboren en daarom der verdoemenis zelve onderworpen, maar de genade der belofte komt als een redmiddel tusschen in (quo superveniente deletur naturae msledictïo). Zekerlijk moeten dus ook de kinderkens wedergeboren worden, maar deze komt hun toe uit diezelfde genade der belofte." „Een volwassen persoon moet natuurlijk de zake des Verbonds eerst leeren, eer hij gedoopt kan worden, maar niet het straks uit hem geboren kind, dat naar erfrecht reeds in zijns moeders schoot in het verbond begrepen is".

En als men au Calvijn vraagt, wat hem vooral naar deze zienswijze drong, dan spreekt hij het openlijk uit, dat hij vooral het oog had op de eeuwige zaligheid der vroeg stervende kinderen.

Hij ziet geen enkelen grond, waarom deze allen van het eeuwige leven zouden zijn uitgesloten. Toch zijn ze va» nature verloren en der verdoemenis onderworpen. Ook zij kunnen dus alleen door het heil in Christus gered worden. Dat heil moet hun dus zija toegebracht reeds voor, in oi na de geboorte, het moet hun deel geweest zijn toen ze in de wieg lagen, en uit óifi wieg naar het graf werden gedragen.

Dit deas bijzonderheid blijkt alzoo, dat Calvijn in zijn tijd leerde en beleed, dat God aan de kinderkens der gsloovigen (natuurlijk alleen aan ds uitverkorenen ois.der hen) de genade des levens reeds toebracht in hun eerste kindschheid. Dat ze alzoo erfgenamen des eeuwigen levens en lidmaten van het lichaam van Christus waren. En dat ze alleen op dien grond mochten gedoopt worden.

Ook destijds was dit volstrekt niet de gangbare meening. Calvijn wist dit, en bestreed daarom de meening, die algemeen heerschte.

Dit nam men hem kwalijk.

Zelfs dorst men uit een boek, dat men tegen Rome en ^t< a. keizer noodig had, zija passage over den Doop wegschrappen.

En wel verre van deswege te deinzen of terug te wijken, heeft Calvijn toen nogmaals zijn boek, waarin dit stond, niet slechts onveranderd uitgegeven, maar er zslfs een appendix bijgevoegd, waarin hij nogmaals opsetteiijk zijn gevoelen, dat de kinderkens alleen als signde reeds lidmaten van het Lichaam van Christus en erfgena' men des eeuwigen levens, moesten gedoopt worden, nader bepleit.

Wie nu met ons belijdt, dat niemand zonder wedergeboorte een lidmaat van het Lichaam van Christus kan zijn, weet dus waataan hij met Calvijn toe is.

Kerkelijke statistiek uit Zuid-Afrika

Er kan niet luide genoeg over geklaagd, dat ook in Zuid-Afrika het Synodalisme zoo diepe wortelen schoot.

Blijkens den Almanak voor 1893 telt de Nederduitsche Gereformeerde (of ook Hervormde) kerk in Zuid-Afrika 200.000 zielen in da Kaapkolonie, 64.000 in den Oranje-Vrijstaat, S3-000 in de Transvaal, 4000 in Natal, 2500 in Bechuanenland, en 23000 in de Zendingskerken. Saam 350.000 zielen.

In de Kaap en elders heet de Synode „de Hoogeerwaarde Synode." De plaatselijke kerken heeten gemeenten. Over groepen en gemeenten staan „riagèesturen". Er is een algemeene Synodale Cjmmissie. De Synode aan de Kaap vergadert zelfs altoos in één plaats, op een vasten datum. De scriba van de Algemeene Synodale Commissie roept saam.

Men heeft er „zielen" en „leden". 350.000 „zielen" en 150.000 „leden".

Bijna in elk punt is men dus kerkrechtelijk op een doolweg. Ook de proponenten worden door een Synodale Commissie geëxamineerd. Letterlijk geen spoor is er van de Gereformeerde kerkregsering meer te vinden.

Zelfs hesft men een Zendingskerk, bestaande uit 17 gemeenten, b. v. ook in de Kaapstad, die geen gemeenschap met de andere kerk hebben, en niet afvaardigen ter Synode, msar in Kimberley een eigen samenkomst houden.

Zelfs in Transvaal is het lang niet op orde.

Gelukkig heet de Synode daar niet „Hoogeerwaard". Maar toch ook zij heelt een vaste vergaderplaats. En ook zij heeft een Kerkelijke G^mmissie. Plaatselijk heeft men geen kerken maar gemeenten. Het geheel veor het land heet kerk.

„Zielen" telt ze S3)000. „Leden" 25, 000.

Hier is het dus iets beter, maar toch ook verre van in den haak.

Ook hier overwoekert het Synodalisme den Gereformeerden wortel.

Dan is , jde Gereformeerde kerk" in Zuid-Afrika er altoos veel beter aan toe.

Zij heeft geen vaste plaats van Synodale samenkomst. Ze stelt qeen Synodale Commissie aan. Ze heeft qeen weidschen titel.

Toch is ook hier niet alles zuiver.

Reeds de naam van kerk voor het geheel en van gemeenten voor deelen van dat geheel is collegiaal.

In het verslag staat, dat de Synode „«(? f geen vaste plaats van samenkomst heeft." Alsof dat zoo hoorde.

De praeses der voorgaande Synode opent, althans in den Oranje-Vrijstaat, de volgende.

Altemaal inkruipsels die bedenkelijk zijn.

Toch is het onsen broeder Ds. Postma, wiens invloed ver reikt, wel toevertrouwd, tegen deze inkruipsels te waken, en ze 900 mogelijk uit te bannen.

Kerkelijk oordeel.

Steeds is er van Gereformeerde zijde prijs op gesteld, en o, i. terecht, dat de kerken, en niet de geleerde heeren, in kerkelijke aangelegenheden den toon aangeven en beslissen zouden.

Zoo moet het dan ook zijn.

De vrijheid van het woord mag daarom niet gesmoord worden.

Een ieder kan critiseeren, corrigeeren, amendeeren, mits het bet0og blijve, en ruste op gronden.

Maar, en dit is van gewicht, het kerkelijk debat is en blijft het eigenlijke. Een motief in vroeger jaren vooral door Prof. Lindeboom van Kampen aangedrongen.

Is het nu hiermee in overeenstemming, als een hoogieeraar den raad geeft, om een kerkelijk advies, dat op last der' kerken is opgesteld, door mannen die de kerken hiervoor aanwezen, eenvoudig op zij te leggen.'

En toch, dit advies is gegeven.

De kerken benoemden Deputaten, om haar te dienen van advies in zake de regeling der opleiding tot den Dienst des Woords.

Deze Deputaten kweten zich van de hun opgedragen taak, en dienden hun rapport in.

Dit is dus een kerkelijk rapport. Een akteatuk uit de /l^rMjc'/è^ gedachtenwisseling, waarover de Synode Generaal zal te oordeelen hebben.

En nu gat eeii hcogleeraar den raad, om heel dit stuk als j'vnpertinent eenvoudig ter zijde te leggen.

En aan wie gaf hij dien raad.?

Aan de kerkeraden, die voor het grooter deel bestaan uit mannen, die in zulk een aangelegenheid als het hier geldt, niet dan met de grootste omzichtigheid oordeelen kusnen en mogen; omdat het immers een onderwerp geldt, dat hun vreemd is, dat beheerscht wordt door overwegingen, waarvan ze zich niet daa met veel moeite en inspanning op de hoogte kunnen stellen, om hun oordeel te doen rijpen; en waarover niemand o. i. een oordeel geven mag dan met dien ernst, die voortspruit uit het gebed.

En gaat het dan aan, om zulke kerkeradsn als het ware te adviseeren: „Och, lees maar niet, maak u er maar niet druk mee. Zeg rnaar kortaf, dat ge er niets van weten wilt, en dat er over dit kerkelijk rapport niet eens moet gediscussieerd!" ?

Spreekt hier ernst in?

Getuigt het van kerkdijken zin?

Of er iets zit ?

In de Roeper wordt de vraag gedaatJ, of er tusschen den heer Ds, Van Lingen en schtijver dezes iets zit.

Dit zal dan moeten beduiden, of er iets persoonlijks zit, waaruit zekere verwijdering of veete kon ontstaan zijn.

Hierop diene ten antwoord, dat integendeel de persoonlijke verhoudingen steeds uitnemend waren en nog zijn.

Schrijver dezes zond twee zijner zoons naai' het Zettensch Gymnasium, en had nooit anders dan lof voor de uitmuntende wijze, waarop Ds. Van Lingen hen ontving en bejegende. Bij elke voorkomende gelegenheid zijn nooit anders dan woorden van hartelijke genegenheid gewisseld. En ook nu nog zou schrijver dezes, één punt uitgezonderd, van verre zelfs niet weten aan te duiden, wat tot verwijdering aanleiding gaf of zou kunnen geven.

Het eenige punt, dat misschien een spaak in het welloopend wiel stak, is de oprichting van het Amsterdamsche Gymnasium geweest.

We zeggen misschien, want ook daarover heeft Ds. Van Lingen tegenover schrijver dezes niet één woord van klacht doen hoorea.

Uit het jongste vlugschrift van Ds. Van Lingen kan intusschen worden afgeleid, dat vooral de oprichting van dit gymnasium voor Ds. Van Lingen een doorn in het oog is, en dat hij schrijver dezes beschouwt als den boozen man, uit wiens brein dit concurrente gymnasium is uitgebroed.

Of het zoo is, zou alleen Ds. Van Lingen zelf pertinent verklaren kunnen.

Doch mocht hat zoo zijn, dan zij hier toch opgemerkt, dat ook dit nimmer eenige reden hoegenaamd voor verwijdering geven kan, daar schrijver dezes juist de eenige was, die, met name ook uit consideratie voor het Zettensch Gymnasium, in den Amsterdamschen kring ernstige bedenkingen geopperd, en zich aanvankelijk eer tegen de zaak gesteld heeft.

Er zit dus niets.

Of ook, als er wat we noemden bij Ds. Van Lingen mocht zitten, zit het er tegen reden en recht, overmits juist het omqewaar is.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Synodale Predikantenvereeniging.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's