Uit de Pers.
In de Fricsche Kerkbode ijvert Ds. Ploos van Amstel met ons voor algeheele ineensmelting van ons kerkelijk leven, en lot ónze blijdschap heeft ook hij een oog voor wat wij het kwaad van het kerkelijk conservatisme noemden.
Hij schreef toch:
De ervaring leert ons, dat er nauw verband bestaat tusschen verschijnselen en oorzaken. Menigeen is krank. Maar om de eigenlijke oorzaak dier (krankheid te weten, daar is het om te doen, ten einde de lirank-Iieid, in haar grondoorzaak, zoo mogelijk te kunnen genezen. Zoo gaat het ook niet, samen te voegen, wat niet waarlijk vereenigd is. Men ziet het menigmaal, dat als twee anders saamvoegbare voorwerpen niet op deugdelijke wijze samengevoegd worden, ; zij ook bij samenvoeging gedurig breken.
Nu moeten wij vooreerst wel bedenken, dat er een groot nadeel in gelegen is, dat men te voren gewoon was, elk op zich zelf te leven. Aan zulk een gescheiden leven gewent men zich o zoo gemakkelijk. Men heeft zich iu zijnen toestand geschikt. Men is gewoon aan zijn eigen huishouding. Vooral, waar die eene zekere richting heeft aangenomen wil men er niet gaarne verandering in gemaakt zien. Zulks worden wij gedurig gewaar.
Er bestaat in deze een groot gevaar om tot zeker conservatisme te vervallen, en liefst geheel te blijven, wat men was.
Nu spreekt het als van zelf, dat wat nieuw opkomt, de zaken vaak in sterke mate principieel wil behandeld zien, terwijl j die ouder van dagen zijn de zaken liefst, ja ook wel principieel, maar tevens dok zoo practisch mogelijk wenscht te behandelen. Door die verschillende beschouwingen kan zeer mogelijk eene verhou ding tegenover elkander ontstaan, die minder aangenaam is.
Nu is het in deze zeer geraden, dat men nooit positie inneemt tegen elkander; dat men elkander nooit met wantrouwen bejegent. De jeugdigen op kerkelijk gebied, d.w.z. zij die htt laatst van de synodale banden zijn vrijgemaakt, moeten vooral zoo nederig en bescheiden mogelijk optreden iö al hun doen-Die gedachte, dat wij zoo lang onder Synodaal verband verkeerd hebben, mag ons het bloed naar het aange zicht doen stijgen en leidt waarlijk wel tot een nederig optreden. 'Daarbij komt, dat er bij de oudere zuster een schat van practijk zit, waar wij veel van leeren kunnen. Treedt nu de jongere zuster zeer bescheiden op, dan wil de oudere zuster gaarne wel wat overnemen, wat zij ziet goed, deugdelijk en practisch te zijn Dan mag haar geen conservatisme parten spelen, om af te keuren, wat goed is.
Dat conservatisme kleeft ons heel ligt wat aan Zóó deed mijn vader en moeder, of grootvader of groot moeder het ook, dat zit er bij ons allen diep in. Die ouden wijn drinkt, wil dadelijk geen nieuwen, want hij zegt: de oude is beter. Vooral op kerkelijk gebied zijn wij erg conservatief, en zouden wij soms de beste dingen kunnen verwerpen, omdat zij niet behooren tot onze oude wijze van doen.
Wij hebben zoo noodig, elkander aan te nemen, maar niet tot kwistige samensprekingen. Wij moeten elkander kunnen dragen in elkanders verschillende opvattingen en beschouwingen. En komen wij daartegen op, dan (en dit is eene allergewichtigste zaak) zij het niet uit liefde tot ons 'idé'-, maar uit liefde tot de luaarheid.
De waarheid moet ónze leidsvrouw zijn. de eere Gods ons doel. EQ kunnen wij het met elkander niet eens worden, dan mogen wij nooit boos op elkander worden, maar wel mogen wij dan een ernstigen strijd voeren met wapenen, die genomen zijn uit het tuighuis des Heeren. Maar ons »ik" moet buiten spel.
Al wat wij doen, geschiede tot heil der gemeente en ter eere Gods.
En dan is zoo noodig, dat wij elkander aaniiemcn als behoorende tot het volk des llecren, als leden v.an " ly.-" III • " datzelfde lichaam, waartoe ook allen behooren, als medegekochten door hetzelfde bloed, als wedergebore nen door denzcifden Geest, als wandelaars op denzelfden weg. O, die gedachte, dat wij op reis zijn naar hetzelfde Zion, verbindt zoo aan elkander. Lees maar eens Ps. 122. Straks hopen wij saam in den hemel te wezen; zullen wij dan ook niet met elkander op aarde verkeeren, bij de uitoefening van onzen Gods dienst. Kan, mag die gedeeldheid nog langer bestaan? Kunnen wij zonder elkander leven ? Js zulks niet een rechtmatige oorzaak van droefheid? Moeten wij ons niet schamen voor het aangezicht des Heeren, dat dit zoo kan.
Wij vragen, als twee smeltbare voorwerpen maar niet samengevoegd kunnen worden, waar scheelt dat aan ? Is het niet, omdat zij niet zacht genoeg gemaakt zijn in het vuur? Neen, met geweld aan te dringen op ineensmelting, is niet voordeelig Wel is het plicht, maar het moet ook mogelijk zijn. De vraag is, hoe komt die treurige toestand?
En als \yij daarop een antwoord zullen geven, dan meenen wij, - dat zulks in de voornaamste plaats ligt in het lage peil van het geestelijke leven, dat er gevonden wordt bij de gemeente des Heeren. Er woVdt in den regel weinig geestelijk leven, weinig innige, hartelijke liefde in de gemeente.'gevonden. Wij spreken niet van de enkelen, maar van de gemeente in het algemeen. Als wij niet miszien, vinden wij weinig sporen van nauw gemeenschapsleven met Christus, en van verkleefdheid aan elkander. Vinden wij niet veelal eene ihagerheid der ziel, zoodat men weinig hoort spreken uit den overvloed der liefde Gods uitgestort in onze harten door den Heiligen Geest ?
Vindt men wel veel bewijzen van een putten uit de volheid Christi, van een wandelen in de vertroostingen des Heiligen JGeestes, van de inwoning Christi in het hart? Wat is er nog veel vleeschelijkheid in den wandel, zoodat men niet gedreven wordt door den Geest des levens in Christus, maar door allerlei op wellingen, die niet uit God zijn! Hoe weinig vertoo nen de geloovigen nog het beeld van Christus als ge volg. dat Christus geene alleenheerschappij voert in het hart! Hoe weinig wordt er gevonden van die heilige teederheid, die reinheid, die liefelijkheid die' het kenmerk is van godvruchtige zielen, die leven uit Christus en in Zijn gemeenschap !
_ En ziet, waar deze dingen alzoo zijn, daar verklaart zich dat verwijderd leven van elkander. Men gevoelt geene behoefte aan elkander, men kan 't zonder elkander stellen. En als wij gezond zijn in het geestelijke leven, waar de liefde in ons woont, daar kan zulks niet.
Daar kunnen wij niet buiten elkander. En is er verwijdering, buiten ons toedoen dan is er smart en een weenen voor het aangezicht des Heeren; dan is er een zwijgen in liefde, een zoeken naar vereeniging, een bidden en worstelen voor 't aangezicht des Heeren, dat Hij zelf de breuke herstelle.
Ia, dan komt er een vallen voor den Heere en voor Zijn Woord, om in alle opzichten en ook in dezen te wandelen in de geboden des Heeren. Dan komen deze twee drijfveeren samen: Het gebod des Heeren en de liefde tot elkander.
Laat ons vooral indalen in dezen verborgen toestand der gemeente, met oprechte schuldbelijdenis, met hartelijke wederkeering. Laat ons gaan in onze binnenkamer, een iegenlijk voor zich, en gij en ik, en wij allen. De breuke tusschen den Heere en onze ziel, moet hersteld, en dan zal die andere breuke, als ge volg daarvan, ook hersteld worden. Dan wordt zij gezien en bekend als eene zonde voor God, waarvoor vergeving noodig is en in welke wij geen uur langer mogen en kunnen leven, zoodra wij die zaak als zonde voor God beleden hebben.
Bewerke de Heeie genadig de persoonlijke en ge meentelijke reformatie in hart en nieren. Dat de Heere in ons midden kunne wonen. En dit kan niet, waar wij wandelen in een geest van verdeeldheid en partijschap. Waar broeders samenwonen, daar gebiedt de, Heere den zegen en het leven tot in eeuwigheid.
In dit woord spreekt teederheid en gloed. Er werkt iets in van den drang eener heilige liefde. Daarom greep het ook ons aan.
Ook wat hij zegt, dat sbescheidenheid" ons in deze worsteling moet sieiten, zeggen we hem van harte na. De liefde is «bescheiden." Ze is niet opgeblazen. Ze denkt geen kwaad.
Slechts ééne opmerking zij ons geoo'-loofd.
Is het niet waar, dat kerkelijk ineensmelten bij alles wat geestelijk is, nooit een loven en bieden mag worden, maar vrucht moet zijn van wederzijdsche onderwerping aan de beginselen die 7nen saam belijdt.
In de ZuidJioll. Kerkbode bespreekt Ds-. Sikkel hetzelfde thema op zijne wijze; ]onder de tegenstelling van Babel en Jeruzalem.
De goddelooze wereld zoekt eenheid, maar is door Gods oordeel tot verdeeldheid, verstrooiing, vet woes ting gedoemd en wordt er door zijne regeering toe gebracht.
Dat is Baiel.
Maar Gods volk, Gods kerk, is tot ééntteid, samenvloeiing, smnengroeiing bestemd en geroepen. Eén uit [oden en heidenen, één uit alle volken en geslachten; één ^ in mannen en vrouwen, rijken en armen, ouden en jongen; één uit alle eeuwen ondanks de duizendvoudige wisselingen en veelvormigheid der tijden Eén. Alles tot één. Allen één. Eén heilige tempel in den Heere. Eén stad, wier Kunstenaar en Bouwmeester God is. Dat is jferuzalem.
Of de Schrift de eenheid der kerk eischt? Heel de Schrift, heel het denkbeeld der gemeente Gods, alle lijnen der Heilige Schrift, heel het werk van Christus, heel de beteekenis der uitstorting van den Heiligen Geest is op die vraag het antwoord.
De verdeeldheid van Babel is een teeken der regeering Gods; de éénheid van Batel is een teeken van de heerschappij des Satans.
De éénheid der kerk is een teeken van de heerschappij der genade; de gedeeldheid der kerk is een teeken van de macht des Satans.
De gedeeldheid van Babel gunt ruimte en bloei aan 'sHeeren kerk; de éénheid zan Bai^f/is noodlottig voor Jerusalem.
De gedeeldheid der kerk is de bloei van Babel, de éénheid der kerk breekt Babels kracht.
Onderscheidt gij dan de teekenen der tijden niet?
Alle stem in de w.ereld roept om eenheid, om samen binding; de geesten naderen elkaer; men geeft over oceanen elkander de hand; één wereldgeest, eén wereldplan, één wereldleven, één wereldarbeid, één wereldmacht moet het worden. Babel schrapt de verdeeldheid des noods met het zwaard, en wil éénheid.
En in Ghristus' kerk staan mannen en vrouwen, die zeggen: »ik acht de eenheid niet noodig; hoe meer verdeeld, hoe rijker leven." Jerusalem kiest de altaren onder eiken groenen boom boven het ééne altaar des Heeren. Jerusalem wil] nu zelfs de éénJieid bestrij den en de gedeeldheid bevestigen door het Woord I
Waar gaan wij heen? Welke tijden gaan wij tegemoet ? De verwarring schijnt met den dag toe te ne men. De spraakverwarring schijnt te wonen op de erve Sions. in de wereld naderen de geesten elkaar; in de kerk gaan zij steeds verder uiteen.
O mijn lezer! bid om den vrede van Jerusalem. En zoek de éénheid der kerk van Christus, opdat de wereld zich niet verheffe, en Jerusalem niet door Babel vertreden worde naar het rechtvaardig oordeel onzes Gods.
Het kan zoo spoedig te laat zijn.
Ook dit is uitnemend.
We zijn geen groepjes, geen hoopjes of geen »klompjens" menschen, zooals ze in Transvaal zeggen.
We treden op in de kerk van Christus, en daariri hebben wij fiiets, e.n heeft Christus alles te zeggen.
KUYPER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1893
De Heraut | 4 Pagina's