Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Provinciale Universiteitsdag.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Provinciale Universiteitsdag.

19 minuten leestijd

Zuid-Holland volgt Frieslands spoor.

Te Leiden zal op 25 October een Provinciale Universiteitsdag voor Zuid-Holland worden gehouden, en geen minder dan Prof. De Savornin Lohman (de vader) zal er de hoofdrede^houden.

Ziehier het program:

Aanvang te 10 ure. Openingswoord door Ds. R. J. W. Rudolph te Leiden.

Punt I. »De Kerk en de Vrije Universiteit." In te leiden door Ds. J. C. Sikkel van 's-Gravenhage. Pauze.

Punt 2. Beteekenis van het Hooger onderwijs voor de volks-ontwikkeling. In te leiden door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman.

Punt 3. De Vrije Universiteit in het volksleven. In te leiden door Ds. P. Biesterveld.

Slotwoord door Ds. J. van der Linden, te 's-Gravenhage.

Des namiddags te 5 ure zal gelegenheid worden gegeven tot deelneming aan een broederlijken maaltijd, waarvan de prijs niet hooger zal zijn dan ƒ1.—.

Ook de medewerking van de heeren Ds. Biesterveld en Ds. Van der Linden blijve hierbij niet onopgemerkt. Het toont hoe ook deze broederen den eisch gevoelen, om de beginselen van het Hooger onderwijs tot hun rtcht te doen komen.

De medewerking in bet plaatselijk comité van Dr. Bakhui."! Roozeboom, hoewel verbonden aan Leidens universiteit, maakt ingelijks een uitmuntenden indruk.

Er spreekt overtuiging uit.

Zeer hopen we dan ook, dat deze Universiteitsdag in alle opzichten slagen moge.

Leiden is een uitnemend centrum.

Laat ons Gereformeerde volk uit Leidens omstreken toor.cn, dat het dit waardeert..

Nederlandsch-Indisclie kerken.

Iets is dan toch in Indiö gedaan, om aan de Frptestantsche Indische kerk eenige meerdere vrijheid te schenken.

Men leest dienaangaande in het Verslag dit: Koloniaal

Zooals het vorig verslag (blz. iio) te verwachten gaf, is de Indische Regeering in December 1892 met het Kerkbestuur te Batavia in overleg getreden omtrent de volgende punten, op de inrichting der Protestantsche Kerk betrekking hebbende:

1". verandering der samenstelling van het Kerkbestuur in dien zin, dat het, buiten den door den Gouverneur-Generaal — na ontvangen aanbeveling van het Kerkbestuur — benoemden voorzitter, zal bestaan uit tien leden, namelijk de vier predikanten van Batavia, en zes leden uit de aldaar, te Mcester-Cornelis of te Buitenzorg gevestigde gemeenten, van welke leden er twee door elk der kerkeraden te Batavia, Samarang en Soerabaija worden gekozen;

2**. toepassing van bet denkbeeld, om bij de plaatsing van predikanten zooveel mogelijk rekening te houden met den wcnsrli der betrokken gemeente, kenbaar gemaakt door haren kerkeraad of desnoods door een voldoend aantal harer lidmaten; waarmede gepaard zou moeten gaan opheffing van het verschil tusschen de traktementen van de predikanten op de drie hoofdplaatsen van Java en die welke elders gevestigd zijn ;

3". wijziging van art. 40 van het reglement op de uitoefening van kerkelijk opzicht en ker kelijke tucht (Indisch Staatsblad 1854 no. 37) in dien zin, dat het onderzoek naar klachten over gedrag enz. van een predikant ook aan een predikant van elders kan worden opgedragen.

Door het Kerkbestuur is hierop een rapport uitgebracht, dat de Indische Regeering heeft genoopt de zaak op nieuw in overweging te nemen.

Nog altoos dus een volharden in de oude dwaling.

Een Oi/erheid die zelf een kerk maakt, in stand houdt, en geheel beheerscht.

Geen zwak, geen flauw ïdöj zelfs, dat een kerk een eigen zelfstandig verschijnsel SS.

Want natuurlijk, wat hier geboden wordt, verandert aan dezen droeven stand van zaken niet.s.

En het eind ss, d.at de Roomsche kerk vrij leeft en handelt. Zij, en aij alleen. En dat geheel het Protestantisme in onze Indiëü door ons Gouvernement bdet wordt, om als kerk op te treden.

Universiteit en kerk.

Op de Synode té Dordrecht is — hoe kon het anders? —•• óók het verband ter .sprake gekomen, dat behoort te beslaan tusschen de kerken en de Vrije Universiteit.

Twee redenen drongen hiertoe.

Vooseerst de zaak zelve ten principale, overmits de sfeer der werkzaamheid van een universiteit de sfeer der kerken parabolisch snijdt; en ten andere, omdat, concreet, genomen, de Gereformeerde kerken hier te lande in Juni 1893 met de feitelijk bestaande universiteit te Amsterdam in contact waren getreden.

Dit laatste is buiten kijf.

Immers de kerken namen zich voor, ten behoeve van de Vrije Universiteit in haar vergaderingen te collecteeren. Aan de studenten der Vrije Universiteit, die zich aan de theologie wijdden, werden privileges van kerkdijken aard toegekend. Een kerkelijk toezicht op de Theologische faculteit der Vrij 2 Universiteit werd goedgekeurd en voorloopig geregeld. En eindelijk werd aan de hoogleeraren der Theologische faculteit het recht verleend om op de Synode-Generaal als praeadviseuren te verschijnen.

Voeg nu beide saam: ten eerste dat er tusschen de Gereformeerde Universiteit en de Gereformeerde kerken principieel vfi^ds verwantschap bestaat; en ten andere dat in casti reeds op een eenigzins geformuleerd verband was aangestuurd, dan begrijpt men, hoe, nu de opleiding tot den Dienst des Woords aan de orde kwam, ook het verband tusschen universiteit en kerk ter sprake moest komen.

Dit had dan ook tengevolge, dat door de Synode-Generaal aan Deputaten in zake de opleiding onder meer in last werd gegeven, om te adviseeren over een nader en nauwer verband van de kerken met de Vrije Universiteit, [inzonderheid met haar Theologische faculteit.

Dit moet de pers nopen, om ook harerzijds dit gewichtig punt nader toe te lichten. En dan bepinnen we met aan onze lezers uit de Pest Acta der Synode Generaal van 1619 mede te deelen, in welk spoor onze vaderen deze zaak poogden te leiden.

Op 17 Mei 1619 is namelijk door de toen gehoudene Synode in haar 163 e sessie „gheresolveen" als volgt:

In die Provintien daar Universiteyten of hooge Scholen zyn, sullen de Heeren Staten van deselve Provintien versogt worden, datse in de bestellinge van deselve Scholen gelieven te letten op deze navolgende articulen.

I. Dat over de regeringe van de Academiën gestelt worden geleerde Mannen, Leden der Gereformeerde Kerke, waarvan men versckert is, datse de Lsere van 't begin der Reformatie by ons aangenomen, zijn toegedaan.

II. Dat de Curatoren der Academiën niet altijd blyven, maar alle drie of vier jaren veranderen, soo dat jaarlijks in de plaatse van eenige die afgaan, andere succederen.

III. Dat behalven de Polityke Personen, ook een Predikant of twee dese sorge en opsigt worden aanbevolen, om te nauwer toesigt te hebben op de Theologische Faculteyt

IV. Dat tot de professie der Theologie niemant beroepen worde, dan met toestemminge des Synodi, en desselfs Gedeputeerden ; welke het vrijstaan sal uit ieder Classis eenige Predikanten by een te roepen, om over dese beroepinge met malkanderen te beraatslaan, soo mogelyk deselve tot het naastkoniend Synodus niet en konde uytgesteld worden. En ware te wenschen dat desen voet ook gehouden wierde in de beroepinge van den Regent en onder-Regent van het Theologische Collegic.

V. Dat in de beroepinge der Professoren, niet alleen der Theologie, maar ook der andere l'^aculteyten, en wel meest der Hebreeuwsche en Griekse Talen, als ook der Philosophic, goede sorge worde gedragen, dat geene andere beroepen en worden, dan die uytmunten in geleertheyt en verstand, en die vermaart zyn: aan welker Godsaligheyd en vromigheyd des levens niet getwyffelt wordt. En die haar vast houden aan de van ouds gereformeerde Leere, en noyt regtveerdige reden tot suspicie van onsuyverheyd in de Leere gegeven hebben.

VI. Dat alle Professoren van yeder i'aculteyt en konst, tot ^)etuyginge van hare overeenstemminge in de regtsinnige Leere, in den aanvang van hare bedieninge de Formulieren van eenighe)'d, de belydenis en de Catechismus deser Kerken onderteekenen.

VII. Dat het den I'rofessoren der Philosophie en Talen niet toegelaten worde in hare Lessen ofte disputatlen, Theologische rnaterien of geschillen te verhandelen, voor datse de saak met de Theologische Faculteyt gecommuniceerl, en vtrlof daartoe verkregen hebben.

VIII. Dat den Professoren der 'J'heologie verboden worde nieuwe gevoelens voor te stellen, strydende tegens die in de Kerke aangenomen: en niet toegelaten problemalicé eenige scrupelen tegen de aangenomen Ijcere ligtveerdelyk te moveren.

IX. Of 'tniet geraden zy dat de Professoren der Theologie, en de Regenten der Theologische Collegien in de Synodus verschynen, en aldaar rekenschap geven van hare Leere, en het oordeels des Synodi zyn onderworpen.

X. Dat de alumni der kerken, soo die in de Collegien, als die elders wonen, dikmaal geëxamineert worden, en dat in 'tbywesen der Gedeputeerden des Synodi.

Gdijk men ziet, is dit alles zeer voorzichtig uitgedrukt, meer wenschenderwijs dan op bsslissenden toon uitgesproken, zoodat £e bijna den indruk ontvangt, dat de Synode er zelve tiet aan geloofde, dat ze dit alles ooit bereiken zou.

Dit lag aan de toenmalige verhoudingen.

Een vrije universiteit was er destijds nog niet. De O/er beid deed professie van de Gereformeerde religie, en zorgde diensvolgens ook voor Gereformeerd Ilooger onderv; ij? .

Hier stonden de kerlen dus geheel buiten. Hoogstens snet advies der kerken baslisten de Edelmogende heeren de Staten der provirciën van Holland, Utrecht, enz.

Zoo waren onze vaderen niet vrij.

En al vvat ze doen konden was, meer smeekend dan gebiedend, bij de Staten-Generaal optreden, om zoo mogelijk door hun tus.schenkomst, de Staten-Provinciaal tot inschikkelijkheid te bewegen.

Toch neemt dit niet weg, dat ge uit deze bepalingen van de Post Acta zeer goed zien kunt, op welk een wijs onze vaderen het verband tusschen kerk en univeisiteit gewenscht hadden, hoe het h. ». zijn moest, en hoe zij het zouden gelegd hebben, indien de Overheid hun ter wille was geweest.

Ditmaal bepalen we er ons dan ook toe, om hun plan of voorslag onder zulke bewoordingen te brengen, dat onze lezers weten kunnen, wat de kerken in 1619 eigenlijk hebben bedoeld.

En dan blijkt, zoo we ons niet vergis.5en, het navolgende:

In 1619 is door de Gereformeerde kerken de universitaire opleiding zonder eenige bedenking aanvaard, als normaal en gewenfcht.

2". In 1Ó19 hebben de kerken over de universiteit igeen natuurlijke rechten gepraetendeerd, maar erkend dat ook de universiteit souverein in eigen kring was, en dat derhalve het verband ttsschen beide slechts met wederzijdsch goedvinden kon worden gelegd.

3°. In 1619 hebben de kerken uitgesproken, dat, indien er zulk een verband gelegd wordt, en de kerken, krachtens dit verband, zekere verantwoordelijkheid voor het universitair onderwijs op zich nemen, uit het kerkelijk wezen zelf zekere bepalingen voortvloeien, die bij het leggen van zulk een verband gelden moeten.

4°. De aldus bedoelde bepalingen komen neer op deze tien punten:

Curatoren van de universiteit mogen niet' anders dan leden der Gereformeerde kerken zijn, van welke, in deze officie, nadere zekerheid moet worden verkregen, dat ze de belijdenis dezer kerken van hatte zijn toegedaan.

II.

Ten einde geen te groote macht uit dit curatorium geboren worde, zullen de Curatoren niet steeds herkiesbaar blijven, maar moet er nu en dan zekere afwisseling in hun college plaats grijpen.

III.

Met het oog op de Theologische faculteit is het noodzakelijk, .dat in dit Curatorium minstens één of twee predikanten zitting hebben.

IV.

In de Theologische faculteit benoemt, wie benoemingsrecht heeft, d. i. wie zeggenschap heeft over de universiteit; maar geen hoogleeraar moet in de Theologische faculteit kunnen benoemd worden, dan na vooraf verkregen fiat van de keiken.

De kerken, niet in Synode vergaderd, zullen in deze handelen door JDeputaten.

V.

Voor alle faculteiten zal niemand tct hoogleeraar worden benoemd, dan die getuigenis heeft van zuiver te staan in de Gereformeerde belijdenis en godzalig] van wandel te zijn.

VI.

De professoren van alle faculteiten zullen, ten genoegen der kerken, vóór zij bun ambt aanvaarden, de Formulieren van eenigheid ondertcekenen. k

VII.

De hoogleeraren van de andere faculteiten zullen in hunne lessen geen theologische onderwerpen of geschillen ter sprake mcgen brengen, zonder dat vooraf zekeiheid zij verkregen, dat dit tot geen conflict met de Theologische faculteit kan leiden.

VIII.

De Theologische professoren zullen zonder medeweten der kerken, op hunne lessen geen nieuwe gevoelens, die met de aangenomene leer strijden, mogen voordragen, en ook niet in den varm vaii mogelijke bedenkingen het gezag der aangenomere leer mogen ondermijnen.

IX,

De Theologische professoren zullen in de Synode der kerken des gevraagd, hua gevoelen aangaande de waarheid moeten blootleggen, en aan het oordeel der Synode ten deze onderworpen zijn.

X.

En eindelijk, de Theologische studenten, voor zoover zij door de kerken onderhouden worden, zullen gedurig onderzocht worden, en zulks in bijzijn van de Deputaten der kerken.

In elk dezer bepalingen nu schuilt een beginsel, en alleen in zoover kan ons het besluit van 1619 van dienst zijn.

Uitgewerkt toch is eigenlijk niet éénpunt.

Dit zouden de kerken wél gedaan hebben, indien de S: aten-Generaal de zaak gunstig hadden opgenomen, maar bij het eerste openen van de onderhandelingen, konden ze niet veel meer doen, dan de punten aangeven, waarop het h. i. aankwam.

Kort saatngevat nu kwamen deze beginselen hierop neer: i". dat heel het dirigeerend en doceerend personeel der universiteit leden der kerken zouden zijn, en als zoodanig aan haar tucht onderworpen; 2". dat van dit dirigeerend en doceerend personeel door onderteekening van de Formulieren blijken zou, dat zij metterdaad Gereformeerd waren; en 3". dat met het oog op de Theologische faculteit bijzondere maatregelen van voorzorg zouden worden genomen, hierin bestaande dat «, geen hcogkeraar zonder toestemming der kerken zou kunnen optreden, b. dat geen andere faculteit z'ch op theologisch gebied zou v/agen < ? , dat de theologische professoren de kerkleer niet door hun onderwijs «ouden ondermijnen, en d. dat de kerken gelegenheid zouden hebben om aich voortdurend omtrent het gevoelen der theolo-£»ische professoren te vergewissen.

Nog één punt zij hierbij echter opgemerkt.

Telkens en nadrukkelijk wezen de vaderen in 1619 er op, dat men toch vooral het wetenschappelijk gehalte van het onderwijs niet zou laten zinken.

Curatoren moeien zijn ^^geleerde mannen." Wie als hoogleeraar zal optreden, moet „uitmunten door geleerdheid en verstand" en als zoodanig „vermaard zijn."

Niet alken de talen, maar ook de philosophie moet in " degelijken zin onderwezen worden.

En eindelijk, als de kerken gelden bijeenbrengen om jonge mannen tot den Dienst des Woords op te leidenj moet door herhaald examen, in bijzijn van Deputaten, blijken, niet alleen dat ze goeden aanleg hebben, maar ook dat ze vorderen, en hun tijd goed besteden.

Hierbij nu laten we het voor ditmaal.

Historische zin gebiedt bij elk onderzoek steeds aan te vangen met een onderzoek, naar wat onze wijzer vaderen deden.

Zij zijn en blijven voor ons de mannen van grauwe haren voor wie ge zult opstaan.

Propaedeuse.

Bij de beoordeeling van onze Theologische School behoort altoos scherp onderscheid te worden gemaakt tusschen haar twee deelen.

Ze bestaat namelijk ten eerste uit de eigenlijke Theologische School, maar ook ten andere uit een niet-ihtologlsch. deel, dat men het best zou kunnen noemen een soort Latijnsche schooi of progymnasium.

En die soort Latijnsche school is zeïfs zoo weinig bijzaak, dat van de acht jaren, die de jongelui te Kampen doorbrengen, er niet minder dan z'y/sn die Latijnsche school worden doorgebracht, en slechts drie in de eigenlijke Theologische School.

De vraag, of er aanleiding bestaat, öm aan den driejarigen theologischen cursus zulk een vijfjarigen niet-theologischen cursus te laten voorafgaan, laten we thans rusten.

Er zijn omstandigheden waarin dit wenschelijk kan zijn; er sijn omstandigheden waardoor dit overtollig wordt; ook zijn er omstandigheden waaronder het beslist moet ontraden.

Nemen we echter, om de aandacht niet af te leiden, voor een oogenblJk aan, dat het in stand houden van zulk een Latijnsche ischool, als aanhangsel van de Theologische School, op dit oogenblik nog noodzakelijk SS, dan rijst toch vanzelf de vraag, of die Latijnsche school of, wil men, dat soort gymnasium, geeft wat voor behoorlijke voorbereiding eisch is.

Onder behoorlijke voorbereiding moet d hier verstaan, zoodanige ontwikkeling als l den jongen man in staat stelt, om niet slechts s de theologische colleges met vrucht te kun­ e nen volgen, maar ook straks in het leven j als man van kennis en rijper in zicht al dat­ d gene te bezitten wat noodig is, om den grooten invloed waarover een predikant be­ s schikt, niet te misbruiken, noch verkeerd te gebruiken, maar te doen werken tot heil g der kerken en tot de e& re Gods.

Over de vraag, welke mate van ontwikkeling hiervoor vereischl wordt, is dan ook eeuwen lang nagedacht, en heeft zich onder Gereformeerde paedagogen sinds lang een vrij vaste opinie gevormd, die nog stand houdt.

Een jongen van 12 of 13 jaar, die^ dezen v/eg op v/li, moet, naar dit paedagogisch inzicht, beginnen met minstens vijf jaar zich aan de voorbereidende universitaire studie te wijden; daarna twee jaren zich in de propaedeutische studiën oefenen; en eerst, zoo dan het examen gunstig uitvalt, zich begeven tot de studie der theologie.

Rekent men nu, dat zulk een jongen reeds vier of vijf jaren op een school voor meer uitgebreid lager onderwijs heeft doorgebracht, dan verkrijgt men alzoo vier stadiën voor de volledige opleiding: i". van 7—12 jaren op een lagere school met uitgebreid lager onderwijs; 2°, van 12—17 op het gymnasium; 3". van 17—19 de propaedeutische studie; en 4", van 19—23 de theologische studie.

Tweeërlei zij hierbij nog aangemerkt.

Vooreerst, dat de theologische cursus op vier jaren gestdd is, en niet op drie, omdat het eenvoudig onmogelijk is, in drie jaren t'jds eenigszins volledig in de theologische studie te worden ingeleid. Men kan na drie jaar v/el examen doen, en de examen-vakken achter den rug hebban; maar ook buiten de examen-vakken zijn er nog zeer gev/ichtige, waarin men toch geen vreemdeling mag zijn.

En in de tweede plaats, de gymnasiale cursus is hier op vijf jaren berekend, niet op zes', hoewel zes zeer stellig niet teveel ware.

Schrijver dezes is eerst zes jaren op het Leidsche gymnasium geweest, waar toen mannen als Winckel, R, Fiuin, Piuygers, Suringar, Hecker e.a. onderwijs gaven. Allen mannen „vermaard in wetenschappen". Na dien zesjarigen cursus heeft hij aan de academie drie volle jaren in de letteren gestudeerd. Zijn voorbereidende studiën hadden dus negen jaren geduurd. En daarna studeerde hij nog vier en een half jaar, in de theolog ie.

Als hij nu overweegt, hoe hij zelf na zoo breede studie, het zich later nog telkens beklaagde, dat hem zooveel ontbrak, dan kan jnceiiijk van hem gevergd, dat hij de inkorting vaa de gymnasiale studiën van zes op vijf jaren zonder protest late voorbijgaan.

En dat te minder, omdat de moderne talen en de natuurkundige wetenschappen thans veel metr tijd dan tijdensi zijn opleiding in beslag nemen, en ook de philosophische en realistische vakken, die men toentertijd eenvoudig verv/aarloosde, thans meer de aandacht trekken.

Doch ook al besnoeide men die zes op vijf jaren, dan nog blijft als resultaat dit vaststaan, dat een deugdelijke opleiding, die, uit paedagogisch oogpunt, den naam van „wetenschappelijke opleiding" zal mogen dragen, een doorloopen eischt van de vier boven aangeduide stadiën. Van 7—12 lager onderwijs. Van 12—17 gymnasiale opleiding. Van 17—19 propaedeuse, en van 19 — 23 theologie.

Daze regel staat onder alle mannen van het vak tamelijk vast. Verschil hierover dook niet op. Of waar verschil was, eischte men wel meer, niet minder.

Wilkn onze kerken dus het stelsel handhaven, om niet alleen theologische opleiding te geven, maar ook de propaedeuse, dan komt er gelijk men ziet hiervoor Uvee jaar te koït.

Wat zeve? i jaar zijn moest, doet men af in vijf.

Kan dit nu?

Beschikt men dan te Kampen over zoo zeldzaam taléntvolb jongelieden, dat ze allen halve Bilderdijks of Voetiussen of Hugo de Groots zija.' In hun soort miracula mundi?

Of ook, is het gymnasium of de Latijnsche school er bezet met zulke boven alles uitmuntende paedagogen, dat zij in driejaren kunnen klaar spelen, wat elders mannen als Fruin, Winckel, Piuygers e. a. niet dan in vijf of zes vermochten.''

Men gevoelt, die uitweg tér oplossing van het verschil bestaat niet.

De jonge mannen die in Kampen aankomen, zijn gewone jongens, en het onderwijzend personeel beschikt over zoo uiterst kleine kfacht, dat het eer te vroeg wordt uitgeput.

Blijft dus het feit, dat hier twee jaar te weinig zijn, en dat bij het gemis van deze twee jaren niet kan noch mag gezegd, dat deze voorbereidende opleiding aan den eisch van een wetenschappelijke opleiding ook maar eenigszins voldoet.

Aldus verklaart zich dan ook het feit, dat jongelieden die te Amsterdam op het admissie-examen dropen, zich terstond te Kampen aanmeldden en daar slaagden. Natuurlijk, want de studie scheelt, eer men aan de theologie komt, ruim iivee volle j& ren.

Dat; men zich nu aanvankelijk op die wijze behielp, is begrijpelijk, Sams moet men roeien met da rieaien die men heeft.

Maar die periode ligt thans achter ons,

Tiians nu de Theologische School aan 700 kerken toebehoort, zijn er krachten genoeg beschikbaar, om haar aan den eersten eisch van zvetenschappelijke opleiding te doen beaat woorden.

En dan aal het in de eerste plaats zaak zijn, dat men de Latijnsche school als onder deel v, 'in de Theologische School in eigenlijken zin onderscheide. Dat deze Latijnsche school een eigen rector en eigen docenten erlange. En dat niet langer pas aankomende jongens van 12 jaar zich kunnen inbeelden dat ze studenten zijn. "

Student is eerst wie tot de hoogere studiën is toegelaten.

Wie rog pas mensa gaat declir.eeren is gymnasiast.

Blijft het geloof?

Een onderzoekende broeder vraagt ons, of hst geloof j met ons in de eeuwigheid gaat, of wel dat, als het geloof in aanschouwen verwisseld wordt, het geloof ophoudt.

Om hier licht in te krijgen, zal het goed zijn, dat men wel cnderscheide.

Het geloof, gelijk dit in Hebr. 11 : i wordt omschreven, is van andere natuur dan het geloof, waarover de apostel roemt in Rom. 5:1. Men kan het eerste noemen het gemeene geloof, dat tot onze ongeschonden natuur behoorde, en het andere het zaligmakend geloof, waardoor de zondaar, die verlost werd, zich gerechtvaardigd weet.

Nu wint dit eerste geloof n? ^tuurlijk in kracht, hoemcer onze natuur weer aan het verderf ontkomt, en als door den dood alle zonde wordt afgesneden, zal dit gemeen geloof weer in volle kracht de uitdrukking zijn voor den band die ons aan onzen Gcd bindt.

Daarentegen zal het zaligmakend geloof zijn vrucht voleind hebben, zoodra de oor deelsdag achter ons ligt, en Christus de Middelaar het Koninkrijk aan God en den Vader zal hebben overgegeven, en God weer zijn zal, evenalsün het paradijs, alles in allen.

Ds zonde, en al wat God de Heere in zijn ontferming uitdacht en wrocht, om de zonde en haar gevolgen te niet te doen, en op de verheerlijking zijns Naams te doen uitloopen, zal eens blijken niets dan een tusschenbedrijf te 'zijn geweest.

Ea is dat tusschenbedrijf, doordien God weer alles en in allen wordt, uit en voorbij, dan valt natuurlijk ook dat bijzondere geloof weg, dat strekte om de wereld en de zonde ' te overwinnen.

Wie voor eeuwig zalig is, zonder ooit uit zijn zaligheid te ^kunnen uitvallen, heeft geen rechtvaardigmaking, en dus ook geen rechtvaardigmakend geloof, meer van noode.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Provinciale Universiteitsdag.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1893

De Heraut | 4 Pagina's