Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gereformeerde prediking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gereformeerde prediking.

20 minuten leestijd

Amsterdam, 29 Maart 1895.

II.

Op de inwendige roeping van den Dienaar des Woords is, met name in de Gereformeerde kerken, altoos groote" nadruk gelegd; maar op andere wijs en in anderen zin dan bij de Doopers.

Het was den Doopers er om te doen, om deze inwendige roeping voor de uitwendige n de plaats te laten treden. De uitwendige erd overbodig verklaard. Al wie door den Geest verwekt werd, mocht zonder meer opreden. Plij en hij, alleen. En trad hij dan op, dan deed hij het in den zin der aloude profeten, als, buiten cu zonder iverkelijk ambt, in den naam des ileereu betuigende en sprekende.

Doch zoo verstonden de Gereformeerden het nooit.

Zij toch hielden scherp het onderscheid in het oog tusschen de buitengewone bedeeling der profeten en apostelen, en de^^wone bedeeling waaronder wij thans vei keeren. Dus ook tusschen het ambtelijk en niet ambtelijk optreden. En ook tusschen hetgeen de Christus rechtstreeks in het hart wrocht, en hetgeen hij middellijk wrocht door zijn kerk.

Er is hier drieërlei standpunt mogelijk.

Alleen uitwendige roeping, zonder op de inwendige te letten. Dit is het standpunt van elke Hiërarchie.

Alleen inwendige roeping, zonder op de uitwendige te merken. Dit is het standpunt der Doopers.

En eindelijk, uitwendige en inwendige roeping in juist verband zetten. En dit is het standpunt der Gereformeerden.

Voor de Hiërarchie hangt alles aan de uitwendigheid, voor de Doopers aan de inwendigheid, voor de Gereformeerden aan uit-en inwendigheid saam.

En toch, ook al hechten Doopers en Gereformeerden beiden aan de inwendige roeping, (zij het ook de eersten volstrekt, de anderen betrekkelijk) toch hechten zij er beiden niet uit dezelfde beweegreden aan.

Voor de echte, oude Doopers, en nu nog onder veel vrome Kwakers, valt de nadruk bij die roeping op den Heiligen Geest, en wordt de daad van den Middelaar als het Hoofd der kerk geheel uit het oog verloren.

Voor zoover men bij hen nog van een kerk spreken kan, is hun kerk een kerk van den: Geest, en niet een kerk van Christus.

Bij ons Gereformeerden daarentegen is het juist om het werk van ons verheerlijkt Hoofd te doen. Hij is door God Almachtig aan de kerk tot een Hoofd gegeven. Van hem staat geschreven, dat hij apostelen, leeraars, herders en allerlei ambtsdragers geeft. En wel bedient de Christus] dit zijn werk door den Heiligen Geest in het hart der menschen, maar dan toch altijd zoo, dat ook deze werking van den Middelaar uitgaat, en alleen door den Heiligen Geest tot ons komt.

De wezenlijke en levende tegenwoordigheid van Christus in zijn kerk op aarde, krachtens die majesteit, genade en Geest, waarmee hij nimmer van ons wijkt, dat is en blijft l voor ons Gereformeerden de hoofdzaak.

Rome heeft haar Hoofd in den Bisschop van Rome. Dien verwierpen wij. Geen plaatsbekleeder was noodig. Niet alsof we buiten regeering door een hoofd konden; maar overmits de Christus zelf sijn kerk regeert, en wie zelf regeert, geen plaatsbekleeder noodig heeft.

Op dit punt komt het dus ook bij de roeping aan.

Ook hier is tweeërlei werking van den presenten Christus, de ééne in den persoon die geroepen wordt, de andere in de gemeente die hem roept.

Hieraan mete men nu af wat er aan is van het valsch gerucht, alsof de inwendige roeping er bij ons niet toe doen zou, en alsof een doode prediker van een levende waarheid ons even goed zou zijn.

Zeer zeker hangt de vraag, of de waarheid voor uw rekening ligt, voer u niet af van het dood of levend zijn van den man die u die waarheid voorhoudt.

Al lees ik die waarheid uit een boek, dat niet anders dan dood zijn kan, of af van een steen die koud als marmer voelt, & e^ waarheid blijft de waarheid, en in eeuwigheid zal ik mij bij mijnen Rechter niet verontschuldigen kunnen door te zeggen, dat de geestelijk levende prediker ontbrak.

Maar te zeggen, dat voor den Dienst des •yVoords het levend zijn en de inwendige roeping van [den Dienaar onverschillig zou zijn, is op Gereformeerd standpunt een volslagen ongerijmdheid.

Gaan we wat dieper op die inwendige roeping in, dan komt het vooral aan op een juiste onderscheiding tusschen de Dooperschc en de Gereformeerde roeping.

De Doopersche roeping, gelijk we reeds zeiden, is een afzonderlijk werk van den Heiligen Geest, de Gereformeerde roeping is het zeer saamgestelde werk van den Christus, en beide zijn scherp uiteen te houden.

Dit nu doet ge het gemakkelijkst op deze manier, zoo ge zegt, dat de Doopersche roeping er moet zijn als 7nen begint zich voor het ambt te bereiden, de Gereformeerde als men in het ambt zelf zal ingaan.

Op het eerste standpunt blijft dus het g voorzienig bestel van den Koning der kerk o er buiten, en zal in den regel de opleiding t en voorbereiding voor het ambt niet kunnen beginnen voor men omstreeks twintig jaar is.

Zal men toch aan iemands zeggen, dat hij roeping van Godswege voor het ambt van Dienaar heeft, wezenlijke waarde en beteekenis hechten, dan moet hij, zeer enkele gevallen nu uitgezonderd, tot zekere rijpheid van jaren gekomen zijn. De gymnasiale studiën vangen anders op een leeftijd van II a 12 jaar aan. Maar wie zal, in den regel; aan het zeggen van een knaap van II a 12 jaar geestelijke beteekenis toekennen? Uitzonderingen nu daargelaten, weet immers zulk een pasbeginnend knaapje er zoo goed als niets van wat de Dienst des Woords beteekent. Zulk een roeping kan eerst komen, als de besliste bekeering voleind is, en wie zal staande houden, dat de bewuste, klare, besliste bekeering reeds opzulk een jeugdigen leeftijd, (zeer enkele uitzonderingen nu daargelaten) uit den wortel der wedergeboorte doorbreek?

Zeer terecht en consequent heeft men op dat standpunt dan dat jonge studeeren ook afgeschaft, en als regel gesteld dat de opleiding eerst omstreeks twintig jaar beginnen zal.

Hierbij echter stuit men at op de ordinantie Gods, die in ons menschelijk wezen v s de natuurlijke gaven zóó heeft aangelegd, dat de _< ; avc om het schoolwerk arm te leeren, cii alzoo op degelijke vorming te worden voorbereid, in de jaren van 12—18 het gereedst en het sterkst is, terwijl daarna andere gaven op den voorgrond treden, waardoor het geheugenwerk dan minder vlot.

Voor het voorbijzien van deze zielkundige ordinantie Gods zijn alle Doopersche richtingen dan ook gestraft, doordien bij hun opleiding, die pas op later jaren begon, nimmer die degelijke fundamenten konden gelegd worden, waarop later helderheidvan hoofdQVigereedheid voor dieper inzichtVo'Or nen rusten.

Op hooger gebied hebben de Doopers noch hier noch in Engeland noch in Amerika zich dan ook ooit met de Gereformeerden kunnen meten.

Bij de Doopers bleef het zwevende oppervlakkigheid, maar bij de Gereformeerden vond men het degelijke.

En toch, het standpunt zelf der Doopers het geen andere gedragslijn toe. Wacht toch het begin van alle studie op de bewuste roeping van den Geest, dan kan men niet wel voor de twintig jaar beginnen, en moet soms pas begonnen worden, als men dertig of veertig jaar is.

Consequent gingen dan ook alleen die mystieken te werk, die alle opleiding kortweg afsneden.

Wie door den Geest geroepen was, zou ook door den Geest in alle waarheid geleid worden. Alzoo óf leeraars zonder opleiding, óf gansch geen leeraars, en niets dan «voorgaande broederen."

En hierin hadden dezulken gelijk.

Immers, geestelijk bewuste roeping aan den aanvang der opleiding vergen, en dan toch schoolsche opleiding willen geven, is een hinken op twee gedachten, en kan voor de ordinantie Gods in de natuurlijke gaven niet bestaan.

De Gereformeerden namen dan ook een heel ander standpunt in.

Voor hun overtuiging was de inwendige roeping het resultaat en het eindbesluit van een veelzijdig bestel van den Christus omtrent den te roepen persoon.

Van den Vader ging het uit, die reeds in het voorafgaand geslacht, en in den vader of in de moeder, zijn te roepen dienaar voorbereidde, krachtens zijn voorbeschikking en zijn uitgaand besluit.

Hierop volgde geheel de opvoeding en de levensloop, die onder 's Heeren hoog bestel, ook al wist de jonge man het zelf nog niet, hem den weg naar het ambt opleidde, en zijn voorbereiding er voor al gereeder maakte.

Zijn eigen keus uit valsche gronden, of de vaak ongeestelijke keus van vader of moeder of voogd ; drang der omstandigheden; een verrassend geopende weg; dit en zooveel meer gebruikte de Christus om, krachtens het welbehagen des Vaders, zijn Dienaren te vormen.

En daar achter werkt dan ook, en daar komt dan ten slotte bij, de persoonlijke inwendige overtuiging door den Heiligen Geest, waartegen de jonge man zich eerst vaak verzet, waar hij soms meê spotten zal, en die hem toch geen rust laat, tot de klare, heldere bekeering doorbreekt, en nu, alzoo heel zijn verleden, met zijn studie incluis, geheihgd zijnde, ook het innerlijk besef van roeping tot den Dienst met al sterker aandrang en begeerte in hem opwaakt, en heel zijn hart en heel zijn persoon overreedt.

Hier, bij de Gereformeerden, is alzoo de belijdenis van Gods Drieëenigheid ook in de roeping der Dienaren; terwijl de Dooper den Vader en den Zoon voorbijgaat, en alleen drijft op den Heiligen Geest.

En dit nu maakt, dat bij de Gereformeerden de studiegang de gewone van God gestelde orde volgt; en meest op een leeftijd van 11 a 12 jaren aanvangt, om tegen den leeftijd van 23 jaren een einde te nemen.

Zoo stemt natuur en genade overeen.

Het is God die regeert, door zijn Christus, wiens het bestel en de uitwerking van Gods welbehagen is.

De mensch weet er meest niet veel van; de keurders hebben de hand op den mond te leggen; maar de Christus zet, uit den Vader en door den Heiligen Geest, zijn heilig werk rustig voort.

Soms zelfs beschaamt hij alle menschelijke berekening, en laat een prediker, die straks een hoofdkracht van zijn kerk zal zijn, eerst afdolen op zijpaden, om hem dan opeens staande te houden, en te schikken naar zijn dienst.

Denk aan Augustinus.

Of ook hij spot met alle opleiding, en geeft aan de gemeente een man van dertig of meer jaren, die opeens met zulk een rijk talent optreedt dat het de kerk verbaast.

Altoos maar om den mensch klein te maken ; om de keur uit menschenhanden in eigen hand te nemen; en groot en machtig in zijn kerk te laten zijn de regeering die van hem als het Hoofd der kerk uitgaat.

En voorts heeft de mensch dat werk te bewonderen, het te volgen, er stille onder te zijn.

En wee hem, die ooit op dit heilig terrein ijn^eigen ïvijsheid boven de wijsheid van onzen Middelaar in stee poogt te stellen.

Kerk en School.

V. (Slot.)

Komt men nu ten besluite aan de pracische toepassing van het verhandelde toe, an stuit men daarbij op allerlei bezwaren, ie elk te werk gaan naar vaste regelen ortweg verbieden; en ook hierover moet ns in dit slotartikel nog een woord van et hart.

Ongetwijfeld is de meest gewenschte toetand, dat de grenzen van uw school en an uw kerk saamvallen. D. w. z. dat uw chool uitga van wie tot uw kerk behooren,

en dat ais regel . dereu van leden

Want wel zegt de buiteiiwuci-it, dut dit sektenhaat kweekt, maar de ondervinding logenstraft al zulk beweren. Nergens wordt de sektenhaat sterker ontwikkeld, dan waar ge door vermenging wrijving en botsing uitlokt, en nergens is stiller vrede en kalmer rust op confessioneel gebied, dan waar ge aan elke groep haar vollen eisch geeft.

Edoch, zulks is alleen mogelijk in groote steden, of ook in dorpen waar al het vrome volk van één kerk is, gelijk men dit met name in menig dorp van Groningen en Drente vindt, waar indertijd al wat nog aan den Christus vasthield, het Genootschap verliet en zich als Gereformeerde kerk openbaarde.

Doch zoo staat het in de meeste dorpen niet; zelfs niet in de kleinere steden.

Meestal is deJo-acht van ééner kerke leden te klein en te zwak, om de kosten van een eigen school te dragen, en kan de school er alleen komen, en alleen in stand worden gehouden, bijaldien de voorstanders van een Christelijke schoolopvoeding uit meer dan één kerk de handen ineen slaan, en saam, met vereende kracht, de school bouwen en in stand houden.

Zulk een toestand is echter bijna altoos uiterst kiesch en delicaat.

Waar tweeërlei soort kerkleden aan ééne school saamwerken, is allicht het ééne element sterker dan het andere, zoekt meerder macht aan zich te trekken, en neigt tot onderdrukking.

Ook staan de geesten soms zoo fel en verbitterd op kerkelijk gebied tegenover elkander, dat men elkander bij alles verdenkt, alle onderling vertrouwen bant, en letterlijk op voet van oorlog met elkander leeft.

Helaas, hoe menige school werd van dien confessioneelen hartstocht niet reeds het slachtoffer, en hoevele zullen er nog als offer voor vallen moeten.

Dit zou niet zoo zijn, indien men zeggen kon dat bij de kerkeraden, en met name bij de Dienaren des Woords, in zulke gevallen de wijsheid placht voor te zitten.

Ware dit zoo, dan zoyden deze kerkeraden het vuur van den hartstocht blusschen kunnen, manen tot bedaard overleg, en de zaak zou best loopen, gelijk de gelukkige uitkomst, in dorpen, waar wijze mannen in den dienst zijn, dit dan ook toont.

Maar helaas, zoo is het lang niet altijd.

Zelfs zijn er dorpen te noemen, waar een der kerkeraden, de leeraar aan het hoofd, den hartstocht veeleer opzettelijk aanblies, en het op den ondergang van de Christelijke school toelegde.

Reeds meer dan één predikant heeft in zulk geval den moord van een Christelijke school op zijn geweten.

De moeilijkheid zit 'em dan vooral in de Bestuursleden en in de keuze van den hoofdonderwijzer. De meerderheid van het Bestuur wil men over en weer aan zijn eigen kant hebben, en de hoofdonderwijzer moet tot zijn kerk behooren. En als aan die conditie niet voldaan wordt, trekt men zich terug.

Ook speelt de geldquaestie hierbij een verre van ondergeschikte rol.

Denk maar aan die laffe middelen, om met geld opeens een vijftig nieuwe leden te scheppen, een vergadering te overrompelen, het bestuur om te zetten, en zoo de school naar zijn kant te dwingen.

In al zulke gevallen nu zou onze raad zijn: Houd u met uw school van beide kerkeraden op een eerbiedigen afstand. Anders wordt uw school het kind van de rekening.

Onder de kerkleden van beide kerken, die zelven met hun kinderen in verlegenheid geraken, zijn er altoos wel eeiiige wijze mannen van goeden wil te vinden, die de zaak regelen kunnen, en op hun beleid moet de school dan drijven, om bij mogelijk conflict, de beslissing in te roepen van den Schoolraad.

Het is dan wel jammer dat het verband met de kerk slapen moet; maar nood breekt wet; en beter buiten de kerk om uw school gedreven, dan dat de kerkelijke naijver uw school in den grond boort.

Gaat het in het eind niet meer, en is splitsing mogelijk, dat men dan splitse. Beter twee kleine scholen met vrede in eigen boezem, dan één groote school die van twist samenhangt.

Maar is splitsing om de kleinheid der middelen of het klein getal kinderen volstrekt onmogelijk, schik u dan in het onvermijdelijke; neem liever het halve ei dan den leegen dop; matig uw wenschen; en help alzoo een geslacht opvoeden, dat later krachtig genoeg zal zijn, om het schoolwezen naar eisch te doen bloeien.

Dit zou zeker niet mogen en niet kunnen, indien de kerk ambtelijk zeggenschap over de school had, maar het kan wel nu het verband tusschen kerk en school niet anders dan contractueel kan wezen.

Immers als er een contract valt te sluiten, moet elk der beide partijen in volle vrijheid beslissen, of ze dat contract sluiten wil en kan.

Niet om dusdoende wilkeur in te voeren; want als ik zedelijk tot het aangaan van zulk een overeenkomst gehouden ben, mag ik het niet nalaten om bijredenen.

Maar wel mag ik dit dan laten, als de school zelve er de dupe van zou worden, altoos naar den regel: Salus scolae suprema lex esta, d. w. z. het in stand blijven der school gelde steeds als hoogste wet.

Staat daarentegen de toestand niet zoo hopeloos, en vindt men in beide kerkeraden verstandige, wijze, vroede mannen, zoo dat saamwerktng mogelijk is, zorg dan voor het minst dat alles scherp bepaald en geformuleerd zij, en houd altoos den uitweg van den Schoolraad open.

Bij verband van uw school met ééne kerk eindelijk zal men wel doen, met getn vasten regel te volgen.

Zulk verband kan op allerlei manier gelegd wordten, en welke van die manieren voor I nw doro de be=; f" hancf)' zio^ieer van niet is te geven.

Is er in den kerkeraad geschikt personeel ook voor het schoolwezen, dan is zeker de eenvoudigste manier, dat men den kerkeraad verzoekt, één of twee leden van den raad in de schoolcommissie te benoemen; mits maar de leden van den kerkeraad die op deze wijs in de schoolcommissie komen, nooit in het moderamen zitting krijgen, maar uitsluitend gewone bestuursleden blijven. Anders toch komt de school te zeer onder andere macht.

Wel kan daarom iemand die kerkeraadslid is, tegelijk voorzitter van zulk een schoolcommissie zijn, maar dit is heel iets anders.

Dan is hij lid der vereeniging, en wordt als zoodanig om zijn geschiktheid, door de leden in het Bestuur gekozen.

Een kerkeraadslid daarentegen, dat bij contract zitting heeft, onderhoudt als we a zoo zeggen mogen, de correspondentie tusschen school en kerk, en mag daarom als d zoodanig niet in het schoolbestuur presideeren.

En voorts gelde ook hier de regel, dat het leven niet buiten God is, en dat dus in het leven zelf, uit de omstandigheden, ook in verband met het verleden, meestal vanzelf de beste, de gezondste, de meest gereede oplossing voorvloeit.

Daarom gaven we in deze artikelen alleen de leidende gedachten aan, voor zooveel die uit de beleden beginselen voortvloeien; en het zal ons een oorzaak van dank en vreugde zijn, bijaldien deze voorlichting ook onze scholen ten zegen mag zijn.

Onverklaarbaar.

Dr. J. J. van Toorenenbergen heeft dezer dagen een tweede editie aan de markt gebracht van zijn in 1869 verschenen werk: De symbolische geschriften der Nederlandsche Hervormde kerk.

Wat den tekst betreft, waarop het hier in de eerste plaatH aankomt, is deze nuttige uitgave gebleven wat zij was, en slechts hier en daar in de aanteekeningen met een enkele opmerking verrijkt.

Alleen in de »inleiding" valt hier en daar zeker verschil op te merken, gevolg van de veranderde tijdsomstandigheden.

Schreef hij in 1869 op blz. XVII, dat vasthouden aan de Formulieren middel was »om iterx partij-decoratie oivoordeelige standplaats te verwerven, " thans in 1895 ging dit niet meer.

De geleerde schrijver had thans gemerkt, dat de wienden der Formulieren, die hij in 1869 verdacht maakte als eerzuchtige en baatzuchtige lieden, juist omgekeerd allerlei voordeel hadden prijsgegeven, en er alles aan hadden gewaagd, om trouw aan hun overtuiging te blijven.

Daarom liet hij thans die »partij-decoratie" en die »voordeelige standplaats" er uit. Zijn standpunt tegenover de hu al minder confessioneele kerk, waartoe hij zelf nog altoos behoort, poogt hij thans te handhaven door de bijvoeging op blz. 16, dat de symbolen »een aanklacht tegen de kerk zouden worden, als er in die kerk geen »Gereformeerde gezindheid" meer bestond."

Een nog driester spelen met woorden.

Dank zij onzen strijd tegen de Revisielegende is op blz. XXV de omschrijving'der Remonstrantsche revisie eenigszins gewijzigd, zonder dat evenwel het eigenlijke punt van verschil rondborstig wordt uitgesproken.

De »oude" Gereformeerden van 1869 zijn nu op blz. XXVI »de oudste" Gereformeerden geworden.

Op blz. XXXVII zijn eenige volzinnen omgezet, en zoo zijn er meer kleine verschillen.

Toch, en dit is voor ons hoofdzaak, is het boek als boek, ook wat inleiding en standpunt betreft, wezenlijk hetzelfde gebleven wat het in 1869 was.

En juist dit nu is voor ons, in dit op zich zelf nuttige en keurige boek, het ten eenenmale onverklaarbare.

Dat toch een man van de historsche kennis van Dr. Van Toorenenbergen in 1869 zóó schreef, laat zich nog begrijpen.

Velen met hem konden toen nog ih ernst wanen, dat de afwijkende richtingen onder de orthodoxen in het centrum althans stand zouden houden, en allengs de waarheid weer in de kerk zouden doen triomfeeren.

Bij die hope en dit blijde uitzicht was het te verstaan, dat aan de kerkrechtelijke beteekenis der symbolen weinig waarde zou worden gehecht, en dat men schier alles verwachtte van een gemeend vasthouden aan hun hoofdinhoud door leeraars en leden individueel.

Dit was ook toen, gelijk de uitkomst geleerd heeft, wel verkeerd gezien, maar het was althans zelfs in een man van zijn beteekenis niet onverklaarbaar.

Of wie is er die in vroeger jaren zich niet wel overgaf aan illusies, die later in rook opgingen?

Maar wat we niet verstaan, wat ons een volstrekt mysterie, wat ons ten eenen male onverklaarbaar blijft is het nuchtere feit, dat een man als Dr. Van Toorenenbergen in die 25 jaren niets geleerd heeft uit het verloop der dingen, en als verkeerden we nog in den ouden toestand van 1869, al wat hq toen schreef in hoofdzaak onveranderd nogmaals publiceert.

Hij heeft nu in die 25 jaren gezien, hoe er in de Nederlandsche Hervormde kerk van een vasthouden aan den hoofdinhoud der belijdenis van verre geen sprake meer is. Die kerk als zoodanig vraagt naar haar symbolen niet meer, bekreunt er zich niet om, en laat ze als waardelooze documenten in haar archiefkist bestuiven.

De Ethischen zijn onder de leeraars en leden almeer van rechts naar links overgegaan, en komen er almeer toe, om geheel den grondslag van alle symbolen saam, door het prijsgeven der Heilige Schrift, v: n onder die symbols weg de onder.

De Ritscüliaausche school heeft ouder den linkervleugel der naar links afgeschoven leeraars reeds haar intrede gedaan.

De Irenische heeren verloo]3en almeer in puur practisch methodistischen arbeid, laten alle theologie varen, en zien naar geen symbolen meer om.

En de enkele Gereformeerde leeraren in deze kerk, die nog met den inhoud der symbolen instemmen, laten zich kerkrechtelijk allerlei aanleunen, dat door deze symbolen gewraakt wordt, ; en hebben allen strijd er voor opgegeven.

Zóó en niet anders is de wrange vrucht geweest van het ongeoorloofde pogen, om kerkrechtelijk geijkte symbolen, kerkrechtelijk van hun waardij en beteekenis te berooven.

Het is alles één afloop en een zeer snelle floop van de symbolische wateren.

En toch, na dit alles gezien en mee oorleefd te hebben, blijft Dr. Van Tooreenbergen onaandoenlijk voor de werkeijkheid, zich troostende met de ijdele geachte, dat deze symbolen toch ook zoo og den dienst doen »van te getuigen tegen en naam dien een ontaarde gemeenschap r aan mocht willen ontkenen" (p. XVI).

Dit nu verstaan we niet.

Maar wel noopt het ons tot de \': 'ïrklaring, at na Dr. Van Toorenenbergen, zelis na de in ollen gang zijnde ondermijning van heel e Heilige Schrift, en hiermede van den rondslag van al onze symbolen, nóg geen larm slaat, onze oppositie tegen zijn'streven n vroeger dagen, op droever wijze dan we vermoed hadden, gerechtvaardigd wordt.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Gereformeerde prediking.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's