Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Practicisme.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Practicisme.

9 minuten leestijd

IX.

Vraagt men ons nu, wat dan toch wel op deze ontwikkeling van de ziekenverpleging is aan te merken; of er dan schooner arbeid te bedenken valt, dan lijdenden op hun krankbed het leed te verzachten; en of het dan toch geen vitten op alles wordt, zoo ook hierover afkeurende critiek moet gaan; — dan zullen we in dit verband geen woord spillen aan den lof der ziekenverpleging •— goede wijn behoeft geen krans — maar ook hier er op wijzen, hoe er op elk terrein doode vliegen zijn, die de beste zalf bederven kunnen.

Dit wordt niet in de voornaamste plaats gezegd van den „zuster-naam" en het „ordekleed", al valt ook hierop captie te maken. Onze critiek bij deze ziekenverpleging doelt op heel iets anders, t. w. op haar verband met Huis en Kerk.

Toch zij vooraf met een kort woord ook die „zusternaam" en dat „ordekleed" besproken.

Van „broeders en zusters" spreekt men, ook waar niet op geboorte uit hetzelfde bloed gedoeld wordt, daar, waar sprake is van een ambtelijk of geestelijk verband, waarin verschillende personen tot elkander staan. De Vrijmetselaars hebben de vaste gewoonte, elkander broeders te noemen. In kerkeraden heeft men eveneens van oudsher de vaste gewoonte gehad, althans van en over elkander ais „broeders" te spreken. En op nog veel breeder schaal spreekt de Dienaar des Woords in Christus kerk de vergaderde geloovigen aan als „broeders en zusters in onzen Heere Jezus Christus.”

Afwijkend van dat vaste gebruik, is het incidenteele gebruik van den broedernaam, bij het toespreken in ernstige oogenblikken van landgenooten, strijdmakkers of lotgenooten, waarbij dan meestal de saamvoeging: mannenbroeders gangbaar is. - Het woord „zuster" wordt in dien zin niet gebezigd. Een aanspraak die met: Vrouwenzusters begon, is ons niet bekend. En zulks niet, alsof de „zusters" niet met de „broeders" van gelijken rechte waren, maar omdat de vrouw minder dan de man voor het publieke terrein des levens roeping en gave ontving, alsook omdat een toespraak aan „Mannenbroeders" bedoelt een beroep op manlijke veerkracht, en het „vrouwenzusters" juist de omgekeerde uitwerking zou hebben. „Mannenbroeders" richt zich tot heroïeken moed, „vrouwenzusters" zou zich richten tot de teederheid des gemoeds.

Tegen het gebruik van het woord „broeder" in bovengemelden zin nu bestaat op zichzelf geen wezenlijke bedenking, al stellen we op den voorgrond, dat de broedernaam alleen ter aanduiding van de geloovigen tot zijn volle recht komt. De geloovigen belijden voor elkander en voor de wereld, dat ze uit éénen Vader in de hemelen geboren zijn, en als zoodanig „Gods kinderen" heeten. Waar nu één Vader is en vele kinderen, daar is de broedernaam voor de onderlinge betrekking, waarin deze kinderen tot elkander staan, de eenig juiste uitdrukking. Overal daarenegen waar dat hebben van dien éénen Vader ontbreekt, kan de broedernaam of usternaam nooit anders dan in oneigenlijken, verdrachtelij ken zin gebezigd worden. Onderinge aaneensluiting doet nooit de betrekking an broeder of zuster ontstaan. Het geeel eigenaardige toch van de betrekking van broeder en zuster, evenals die van ader en kind, - is juist daarin gelegen, dat eze betrekking niet door onzen wil tot tand komt, noch door onze keuze, maar eheel buiten ons om. Men kiest zijn roeders en zusters niet, men maakt iemand iet tot broeder of zuster, en men wordt iet iemands broeder of zuster door eigen wilsdaad, maar door eene van onzen wil nafhankelijke geboorte. Alle vereeniing of aaneensluiting tot een dusgenaamde roederschap is uit dien hoofde een n zichzelf ongerijmde gedachte. Schoonroeder en schoonzuster is alleen daarom en gezonde term, omdat deze zich aan het ezenlijke broederschap rechtstreeks aanluit, en door de voorvoeging van het schoon r genoegzaam van onderscheiden i.s, om verarring af te snijden.

Intusschen kan men op grond van het roederschap, dat ons als kinderen Gods aatiiverbindt, zeer w^'< !en naam van broek h P der laten opkomen, zoo dikwijls men die gezamenlijke geestelijke geboorte uit den Vader der lichten met eenigen nadruk wil laten uitkomen. De Hernhutters noemen hun vergadering liefst „broedergemeente", en bedoelden daarmede oorspronkelijk niet anders, dan dat zij zich als geloovige en belijdende Christenen aaneensloten Ze ontkenden daarom niet, dat er ook buiten hun kring kinderen Gods waren, maar deden door dien naam slechts uitkomen, dat zij elkander als broeders en zusters in Christus erkenden. En zoo ook was de oorsprong van den brocdernaam voor de onderlinge betrekking van ambtsdragers in de gemeente. Dat kerkeraadsleden elkander als broeders begroetten, was niet ter oorzake van het ambt, alsof eerst het ambt den broedernaam deed opkomen, maar wijl ze als ambtsdragers der gemeente hun Christelijk karakter als kinderen Gods wilden eeren.

Uit dit oorspronkelijk goede en volkomen gerechtvaardigde gebruik is intusschen al spoedig een geheel ander begrip opgekomen, alsof men door afspraak, door aanstelling, door aaneensluiting enz. elkander tot broeders of zusters maken kon. Zoo echter drukte het niet de gemeenschappelijke herkomst uit, maar een titel dien men elkander over en weer gaf, om de innige of de nauwe betrekking uit te drukken, waarin men over en weer tot elkander stond.

Aanvankelijk bleef dat dan nog beperkt tot het heilige terrein. Wie op heilig terrein, door heilig beginsel gedreven, zich voor een heilig doel aaneensloten, vormden dan een broederschap of confrèrie. Vandaar dat het ordewezen onder de Hiërarchie er als vanzelf toe overging, om op dezen broedernaam beslag te leggen, en dat in verband met, of los van deze orden, zich vooral in later tijd allerlei broederschappen gevormd hebben, als de Skapulier-broederschap, de Rozenkrans-broederschap, enz.

Dat vond vooral vroeger navolging ook bij wie tegen de Hiërarchie min of meer in oppositie stonden, zooals bij de Broederen des vrijen geestes, de Broederen des gemeenen levens, enz., gelijk in den laatsten tijd ook onder Protestanten de Broederschap der Adventisten opkwam, en ook de Darbisten wel „Broeders in den Heere" genoemd worden.

Nog verder week het later gebruik van het oorspronkelijke af, waar men ten slotte geheel het heilige terrein verliet, en den naam van confrater of confrlrc of broederschap voor allerlei ambtsbetrekking, gildenverband, of voor eenheid van bedrijf, ook zonder verband, i nvoerde, gelijk o. a. de journalisten de gewoonte hebben, elkander steeds met den Franschen naam van confrère te betitelen.

Eerst dus: het saam zich kennen als kinderen Gods en daarom als broeders geboren uit éénen Vader. Toen: de broedernaam gebezigd, waar dat zijn van kind Gods met bijzonderen nadruk uitkwam. Daarna: de broedernaam in gebruik voor het zich vereenigen op heilig terrein voor een heilig doel. Voorts : de broederschap een meer gemeene en gewone naam voor allerlei verbonden en vereenigingen. En ten slotte geheel van de oorspronkelijke beteekenis vervreemd : van broeder en zuster, of van confrater en confrère gesproken, • om uit te drukken dat men op maatschappelijk terrein in eenzelfde beroep optrad.

Zoo nu bezien, zou er op zich zelf niets tegen zijn geweest, dat ook Christenvrouwen die zich vereenigden, om in naam van Jezus de kranken te verplegen, tegenover elkander bekenden, dat ze elkander erkennen als kinderen Gods, als kinderen Gods liefhebben, en met elkander als kinderen Gods in dezen heiligen dienst arbeiden willen.

Maar zóó liep het gebruik bij de ziekenverpleging niet. Het sprak aldoor van zusters, ook daar waar van Christelijke belijdenis geen oogenblik sprake was; ook dan als het een kring gold, die geheel buiten alle Christelijk geloof stond. Niemand kan uit dien hoofde beweren, dat de oorspronkelijke naam hier in zijn zuiverheid tot zijn recht kwam. De naam „zuster" drukte bij de ziekenverpleging allengs geheel hetzelfde uit, wat het broeder in de gilden of corporation beduidde. Er lag niet anders in, dan dat men door eigen keus zich tot dat gemeenschappelijk werk vereenigdc. Van het geboren zijn uit éénen Vader in de hemelen bleef geen zwak spoor zelfs merkbaar. Voor zoover zulke vereenigingen nog min of meer geloovig waren, stak in dien zusternaam dan ook niets anders dan een navolging van de Roomsche broederchappen of orden; en voorzoover de ziekenverpleging geheel buiten Christus omging, was het niets dan een wereldsche confrèrie.

In Roomsche landen werden van oudsher chier alle hospitalen door ordezusters bediend. Zoo was daar de zusternaam ineemsch geworden. En het is uit dit geruik in Roomsche landen, dat men dien usternaam ook in onze gasthuizen heeft vergebracht.

Dit komt daarin het sterkst uit, dat e naam van zuster bij de ziekenverleging als titel in eigenlijken zin gebezigd ordt. Het is niet alleen, dat men elkaner als zusters toespreekt, maar er wordt an de verpleegsters als zusters gesproen, geheel los van haar onderling verand. De directie heeft twee zusters oodig. Een candidaat meldt z'ch aan om uster te worden. De drectrice is een zeer oede zuster op het spoor. De verpleegster eet zuster A of zuster B. Er is een zuster oor de jongenszaal, een zuster voor de inderzaal.

Zoo is zuster de aanduiding van een ualiteit, van een dienstbetrekking, van en officie geworden, en dit juist is met den chten zusternaam in onverzoenlijken strijd. n uw huis, als ge zes dochters hebt, zult e nooit spreken van een ztister voor de inderkamer, of van een zuster voor liet uishouden, van Zuster Anna of van zusier etronella. In huis, als het werkelijk zusters

geldt, komt de naam zuster alleen aan de orde als de onderlinge betrekking moet worden uitgedrukt; nooit als aanwijzing van haar taak of als titel.

Op grond hiervan nu moet onder Protestantsche Christenen het gebruik van den zuster-titel voor de qualiteit van ziekenverpleegster stellig ontraden worden. In dien zin hoort het gebruik van den zusternaam onder ons niet thuis. Het eigenlijke zusterschap wordt er geheel in gemist. Het woord zusier wordt op die wijs ontzield, tot een soort ordenaam gemaakt, en overgenomen uit geheel andere kringen, die leven uit geheel andere beginselen.

Dat vrouwen, die weten overgezet te zijn uit den dood in het leven, en sa&amp; m uit God geboren te zijn, elkander als zusters in Christus begroeten, en om Christus wille als zusters liefhebben, is uitnemend; maar (lualiteit of titel mag nooit in den zusternaam worden gezocht.

Alleen bij de oppervlakkigheid en de geestelijke ondiepheid van alle Practicisme was het dan ook mogelijk, dat desniettemin deze zusternaam er zoo vlot bij ons inging, en op zoo onnadenkende wijze ook door de Protestantsche geloovigen hier te lande werd overgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Practicisme.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1900

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken