Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Practicisme.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Practicisme.

9 minuten leestijd

X.

Zoo trekt dan de Zuster-nzzxa. voor een verpleegster ons niet aan. Het is een naam, die in dit verband niet van Protestantschen oorsprong is. Iets wat niet gezegd wordt, als moest op alles de ban gelegd, wat in niet-Protestantsche kerken bestaat; maar omdat onze vaderen zulk gebruik van dien naam, in verband met het orde-en kloosterwezen, destijds bij ervaring kenden, en er mee braken. Dit deden ze niet uit gril, maar krachtens het beginsel dat hen leidde. En heeft het dan pas, zulk een gebruik toch weer op te nemen, zonder zweem van schuldbekentenis, ja, onderwijl men roepen blijft tegen alle Papisme.?

De mogelijkheid is op zichzelf volstrekt niet uitgesloten, dat onze vaderen in de i6de eeuw zich op dit of dat punt hebben vergist, en dat ze, onder den invloed dier vergissing, iets uit de toenmalige practijk veroordeelden en afschaften, wat in zich zelf prijslijk was en had moeten blijven. Doch dan worde dat ook ridderlijkweg erkend; dan worde over die feil en fout schuld beleden, en dan herstelle men het afgeschafte in zijn wezenlijke gestalte.

Doch dat doet men niet, en zóó bedoelt niemand het onder ons. Men wil geen klooster, geen orde, geen confrèrie. Men wil geen gelofte van armoede gehoorzaamheid en kuischheid. Men wil vrij blijven om, opent er zich de weg voor, te huwen. Men blijft eigenaresse van zijn eige.n goed. Als men weg wil, neemt men zijn ontslag. En terwijl op die wijze juist alles ontbreekt wat vastheid en onverbreekbaarheid van band geeft, en juist daarom zich als zusterschap kon aandienen, neemt men nu bloot den zusternaam over, en zijn we zoover, dat men reeds in geval van krankheid zegt: Zoudt ge niet een zuster nemen? — aldus de volle uitdrukking bezigend, die alleen bij een orde past.

Dit nu onderstelt een splitsing van het leven in twee deelen. Er is een heilig en er is een ongeheiligd terrein. Het eerste heet dan de kerk, en het tweede is de wereld. Nu behoort het gezin van den kranke tot de wereld, maar die verpleegster tot de kerk, en omdat in de kerk alleen broeders en zusters zijn, en dat broederschap en zusterschap hier zelfs nog een exponent ontving, is zulk een verpleegster nu niet een juffrouw of een dame, maar is ze een heilig soort vrouw, en heet als zoodanig: een zuster.

Bij de erkentenis der Gemeene gratie daareiitegen, is er ook buiten de heilige sfeer wel terdege uitnemende ziekenverpleging denkbaar, niet alleen met kennis en oefening, maar ook met veel ernst en toewijding. Vandaar, dat het bij ons niet is de kerk die komt verplegen in de wereld, maar dat de burgermaatschappij en het huiselijk leven eigen verpleegkracht bezitten.

Zooveel over h'et gebruik van den zuster-rva3.xa., die soms niet zoo heel ver ligt van het „Menisten zusje.”

De overgang ligt voor de hand.

Niet alleen toch, dat de Doopersche jonge vrouwen „zusjes" werden genoemd, maar ook deze droegen een afzonderlijke kleeding, gelijk dit onder de echte Kwakers in Engeland nog het geval is. En ook bij de ziekenverpleging is die kleeding weer opgekomen.

Dit versterkt wat we over het gebruik van den zuster-naam schreven. Zoodra bij den zuster-naam het zuster-kleed komt, neemt de afscheiding van het gewone leven nog scherper vorm aan.

De zusternaam scheidt af voor het gehoor, het zusterkleed voor het oog, en bij de variatiën in het leven, heeft de plastiek van het oog altoos sterker werking.

Toch versta men ons, wat dit kleed of gewaad aanbelangt, niet verkeerd.

Dat men elk geteekend bedrijf aan het kleed moest kunnen herkennen, is ook onze overtuiging. Nu nog ziet men op straat wie al dan niet soldaat, wie stukadoor, wie slager, wie smid, wie timmerman is. Een boer en een matroos onderscheidt ge, zonder nader onderzoek, bij het eerste zien.

Dit nu is kostelijk. Het kleed moet zich voegen en schikken naar den persoon. Alleen het witte kleed van den slager geeft waarborg voor zindelijkheid in de behandeling van het vleesch, en de hygiene wint er bij. En zoo is het tot op zekere hoogte met elk bedrijf, waarbij de werkman op eigenaardige 'wijze met bepaalde stoffen in aanraking komt, of dat een bijzonder herkenningsteeken eischt.

Op zich zelf is er dus niets op tegen, eer is het aanbevelenswaardig, dat ook wie zieken verplegen zal zich zoo kleede, als voor die verpleging het geschiktst is. Men moet geheel vrij in zijn bewegingen zijn. om goed te kunnen tillen en helpen. Men moet geen gewaad aan hebben dat niet tegen een vlekje kan. Om niet het kwaad van den een op den ander over te brengen, moet men een kleed hebben, dat telkens gewasschen en zoo weer geheel gereinigd en gedesinfecteerd wordt. En ook, het kleed moet eenvoudig zijn; bij het ziekbed schikt men zich niet op. We geven dan ook van harte toe, dat de kleeding, waarin veel ziekenverpleegsters in de ziekenkamer verwijlen, in meer dan één opzicht aan dezen eisch beantwoordt.

Onze bedenking tegen het meest blauw getinte, waschbare, eenvoudige kleed waarin men zich veelal steekt voor de eigenlijke verpleging, zou dan ook alleen doelen op de te groote eenvormigheid. De tint en snit behoeft niet voor elk persoon en voor elk huis precies dezelfde te zijn. Mits aan de hoofdeischen van gemakkelijke beweging, eenvoud en waschbaarheid voldaan zij. is allerlei variatie denkbaar, en juist die variatie naar persoon of huis zou ons aantrekken. Het zou de vrijheid hand­ haven van het persoonlijke, en de eigenaardigheid van een ziekenhuis, zonder aan de zaak te schaden, terwijl omgekeerd te groote uniformiteit altoos weer aan het ordewczen herinnert.

In Engeland is hieraan veelal in zooverre voldaan, dat elke vereeniging of elk hospitaal het dienstgewaad varieert. Hier nu is niets tegen, en het breekt de eentonigheid en de eenvormigheid.

Toch richt onze hoofdbedenking zich niet tegen het gewaad, waarin men verpleegt, maar tegen het gewaad, waarin men op straat komt.

Zwart en wit zijn onder ons de kleuren van den rouw, en het straatgewaad onzer verpleegsters gelijkt dan ook van zeer nabij op het rouwgewaad van onze weduwen en weezen.

Hier spreekt zich een gedachte in uit, en die gedachte is in den grond der zaak geen andere, dan dat men met de wereld gebroken heeft, voor de wereld dood is, en nu! als een die niet meer tot de wereld behoort, door de straten der wereld heen zich naar het krankbed begeeft.

Dat nu dit rouwgewaad niet zelden zonderling contrasteert met de vroolijke gelaatstrekken en zoekende blikken van wie zulk gewaad dragen, is geen geheim. Soms gaf het zelfs aanstoot.

Doch ook, waar dit gelukkig nog excepties zijn, valt toch moeilijk te ontkennen, dat gewaad en persoonsbesef hier met elkander in strijd zijn. Voor tal van verpleegsters die in de verpleging niets dan een bestaan zoeken, en voorts zich geheel als andere menschen van haar jaren aanstellen, past geen gewaad dat een dood-zijn voor de wereld uitdrukt.

De meeste „zusters" zijn het niet. Ze behoeven het o. i. ook niet te zijn. Maar dan moeten ze er ook niet een vertooning van maken.

Zulk gewaad voegt alleen bij het ordewezen, als men de drie geloften heeft afgelegd, en voor nu en voor de toekomst niets meer van de v.'ereld verwacht.

Toch gaan we niet zóóver, van elk gewaad voor onze verpleegsters op straat af te keuren. Verpleegsters moeten op tijden en ontijden alleen over straat gaan. Haar altoos te laten begeleiden, is ondoenlijk. Haar dienst begint vaak als de donker reeds inviel. En dan moeten ze gedurig door eenzame buurten naar het huis van haar kranke toe. Dit nu zou ze kunnen blootstellen aan onaangename bejegening. En inzooverre is er iets voor te zeggen, dat ze bij zulke gelegenheden zich in zulk een gewaad vertoonen, dat als vanzelf veiligheid belooft. Zelfs de deugnieten op straat hebben nog altoos zeker respect voor iemand die zieken gaat verplegen. Weten ze dat, zien ze dat aan het kleed, dan houden ze zich op een afstand.

En dan verstaan we tevens, dat een vereeniging of Huis, dat uitgaande verpleegsters in grooten getale verzamelde, het gemakkelijk vindt, om een vast model van kleeding in te voeren. Dit komt goedkooper uit. Het is eenvoudiger. En het maakt minder verschil.

Liet men een ieder geheel vrij, dan sloop allicht te sterk de vrouwelijke ijdelheid in, en zou de één pogen de ander de oogen uit te steken.

Maar wat niet hoeft is, dat men het ten deze onnatuurlijke rö? /wgewaad bezigt. Zulk een Huis of stichting kan zeer wel een uniforme, eenvoudige, gedistingeerde kleeding invoeren, die dezelfde voordeden aanbiedt, zonder zulk een onware symboliek.

Dit zal dan variëeren al naar gelang de geest verschilt, die zulk een stichting of vereeniging bezielt.

Werken in zulk een stichting enkel gewone burgerlijke factoren, zonder dat een hooger beginsel drijft, dan zal het gewaad dat men kiest, ook meer gewoon burgerlijk kunnen zijn.

Is daarentegen sprake van een vereeniging, die door hooger beginsel wordt gedreven, en waarvan de verpleegsters noch voor eigen positie zorgen, noch verdere verwachtingen van het leven hebben, zoo zal deze meer volkomene toewijding zich ook in een soberder gewaad kunnen uitdrukken.

Vooral zoo het een stichting geldt, waarin geen salaris genoten wordt, en allen saam uit de fondsen of interesten van het Huis, zonder eigen bezit, leven, is zulk een soberheid van gewaad op zijn plaats.

Maar zelfs dan blijft het ons wenschelijk voorkomen, dat zulk een gewaad niet permanent zij.

Als een timmerman naar de kerk gaat, draagt hij niet zijn schootsvel. Een stukadoor gaat niet in zijn lange witte jas naar een bruiloft.

Het geteekende gewaad hoort bij het bedrij f en bij den dienst, maar ook daarbij alleen. Is men daarentegen buiten dienst, mengt men zich als gewoon persoon onder het gezelschap, dan vervalt alle reden om zich in zulk een dienstgewaad te steken. Men kan zich dan kleeden gelijk iedere andere ernstige vrouw.

Iets wat dan weer samenhangt met deze andere vraag, of voor dezen dienst het jonge meisje wel de eerstgeroepene is.

De Heilige Schrift wijst voor al zulken dienst in de eerste plaats onze weduwen en dan natuurlijk onze kinderlooze weduwen aan.

Deze hebben haar jaren en haar ondervinding voor, en zijn daardoor vanzelf beter voor dezen dienst geschikt. Ook mag men van haar, die de Schrift noemt „zij die waarlijk weduwen zijn", onderstellen, dat eigen keus bij de kleedij niet met den eisch van eenvoud en soberheid in strijd zal geraken.

Maar hoe dit ook zij, de naam van zuster, en evenzoo een vast rouwgewaad, waarin men zich onder menschen vertoont, hoort bij onze Protestantsche traditiën niet thuis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 25 November 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Practicisme.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 25 November 1900

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken