Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„En het hoofd buigende, gaf hij den geest”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„En het hoofd buigende, gaf hij den geest”.

8 minuten leestijd

[ GOEDE VRIJDAG 1909.]

Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: et is volbracht. En het hoofd buigende, gaf hij den geest. Joh. 19 : 30.

Ge zult den dood des Heeren gedenken!

Elk heilig Avondmaal roept er n toe op, en geen dag kan de bede om vergeving voor Gods troon opgaan, of Golgotha leeft voor u op. Niets staat in aller Christenen geloof zoo scherp omlijnd in het middenpunt als het Kruis. Wat het ongeloof uit de Kerst-historie ook in de schaduw terugdringe, van den Man van Smarten, die aan het Kruis den geest gaf, blijft een ontroering door alle ziel gaan. Dat ook die heilige Jezus den tol aan den dood moest beta, len; dat die Jezus die, waar bij kwam, zegen om zich spreidde, zoo vroeg stierf j dat die Jezus, die niets dan liefde ademde, onder rechterlijk geweld bezweek, - het blijft op zulk een gedenkdag, als ook nu met den „Goeden Vrijdag" terugkeert, zelfs ook de afgedoolde Christenheid Fomber, althans tragisch ernstig stemmen, en in geen gedenkdag der Christenheid leeft de moderne vroomheid zoo ernstig mee als in den gedenkdag van Jezus sterven.

Zelfs schijnt het, alsof het ongeloof meer aan den Goeden Vrijdag hecht, dan de belijders der Christenheid zelve. Voor onze vaderen ging op dien dag de arbeid der week door, en alleen na afgeloopen arbeid vereenigden degeloovigen zich in hun bedehuis. Thans wijdt men met voorliefde heel een etmaal aan de gedachtenis van Golgotha. £n zoo er in zulk een kring nog Avondmaal wordt gehouden, is het breken van het brood in den avonddienst van Goeden Vrijdag nog het meest gezocht. Soms maakt het dan ook in allen ernst den indruk, alsof eerst in moderne kringen het Kruis van Jezus de ware heugenis en de warmste waardeering gevonden had.

Nu behoeft ge ook hierop niet laatdunkend neer te zien. Zelfs kan het u goed doen, te merken, hoe althans het sterven van Jezus ook in die kringen nog een heilige sympathie wekt.

Alleen, het misleide u niet, en vooral verleide het u niet tot meedoen. Wat in die afgedoolde knt'gen den Goeden Vrijdag zoo hoog doet stellen, is dat ze in den stervenden Jezus den martelaar eeren, en het bezwijken vanden Zoon des m? Dschen onder den toorn Gods niet meer verstaan.

Wie in Jesus den martelaar eert, plaatst hem op één lij a met de wolke van getuigen, die, om 't geloof niet te verzaken, den dood moedig trotseerden. En dan natuurlijk is Jezus zelfs niet de eerste der martelaren. Hoevelen toch zijn er niet, die veel vreeslijker gemarteld zijn en veel bitterder dood hebben gesmaakt!

Jezus die als martelaar stierf! Het schijnt zoo aandoeülijk, het kan u ontroeren. En toch, het trekt Golgotha neer naar den gewonen bodem van ons menschelijk leven. Zelfs het Heidendom en de Islam hebben heroieke marte - laars gekend.

Een onafzienbare schare van martelaren rijst dan voor uw geest uit de herinnering op, en Jezus was er één van. Op verre na niet een der meest gemarteldeo.

Gods Woord teekent u dan ook een geheel ander Golgotha. De worsteling van den Heilige tegen den Dood. Het op zich nemen vanden last der zonde door den Zone Gods. Het rusten van den vloek en den toorn Gods op den Verlosser der wereld. Een ingaan in den dood, zooals geen in zonde ontvangen en geboren menschenkind den dood ooit ingaan kon.

Wij zijn te zondig, om te verstaan wat heilig held is, en (ïaarom kunnen wij den afstand niet meten, die als klove tusschen Jezus en den Dood gaapte.

Bij ons, zondig als we zijn, hoort de dood. De dood is voor ons de natuurlijke afloop van ons zondig bestaan. Maar in Jezus was niets, dat hem met den dood gemeenschap gaf. De dood is zoo diep onheilig. Uit de heiligheid bloeit het leven op. Maar de dood is de vijand, de laatste vijand, het natuurlijk eind punt waarop elke zondige existentie uitloopt. Elke zondaar is een kind des doods, en aan den dood verwant. Mdar voor Jezus was de dood de meest ontzettende tegenstelling die zich met zijn heilige natuur denken laat. De dood was voor uw Heiland zooveel vreeslijker dan ze voor één onzer zijn kan.

Als de dood onder ons menschen reeds in het Paradijs wordt uitgezonden, spreekt in dien dood de wille Gods, om zich in zijn Goddelijke heiligheid tegenover de zonde te handhaven. Er kan tusschen een heilig God en de zonde geen gemeenschap zijn. Heel het wezen Gods gaat in heiligen toorn tegen de zonde uit. Voor de zonde is in God een vloek. lïet is in den dood, dat die vlosk zich belichaamt. En daarom komt de eeuwige dood over een iegelijk, die zondaar was, en niet uit zijn zondestaat wordt uitgetrokken en gered.

Den dood ingaan was daarom voor den heiligen Jeïus een zich overgeven in een macht, die diep onheilig tegen geheel zijn wezen indruischte. Het was zijn eigen heilig wezen laten zwichten voor het schiiklijk einde, waarin de zonde haar triomf viert.

Mensch te worden, was voor Jezus een ingaan in onze onheilige gemeenschap. Wat nu die onheilige gemeenschap is, gevoelen wij slechts bij zeer z«akke benadering. Onze conscientie klaagt ons aan bij wat we persoonlijk misdeden, maar wat verstaan wij van de zondige levensgemeenschap, waarin we geboren zijn ? Verreweg de meesten verstaan hier niets van. Wie hooget opklom begon er soms iets van te gissen. Er zijn er die onder de zonde van hun volk, van bun gezin, van hun geslacht geleden hebben. Tranen, zegt de psalmist, vloeien uit mijn oogen omdat de goddeloozen uw wet verlaten. Maar voelen met wat doodelijke omklemming de zonde hier beneden ook heel ons leven omstrengeld houdt, wie onzer kan het?

Alleen Jezus kon dit. Juist zijn volstrekte heiligheid bracht te weeg, dat hij door de zondige atmosfeer van ons menschelijk leven heel zijn ziel voelde benauwen. Er was in de wereld niet maar^«zoudigd, neen, heel onze menscbelijke existentie was wf-zondigd. Het droop zonde van alle zijden, zonde perste uit elke scheur die in het leiren kwam. En waar ook die zonde zich uitte, ze vertoonde altoos aan haar keerzijde de indringing van Gods heiligheid met zijn heiligen toorn. Op alle zonde rustte vloek. En die vloek drong steeds naar zijn voleinding, ook in den dood.

Er was voor Jezus niet zonde in Petrus en t zonde in Thomas, maar het was één last, éen macht der zonde die aanzwol in heel het leven van ons menschelijk geslacht, en in de gemeenschap van zulk een geslacht was hij door zijn vleeschwordicg ingegaan. Daar bad hij deel aan. Hij, de heilige, voelde al de jaren van zijn leven op aarde, in zijn eigen ziel, de ontzettende tegenstelling tusschen zijn eigen heilig wezen, en het diep zondige wezen van het geslacht waartoe hij was ingegaan.

En nu trekt Jezus zich niet uit die gemeenschap van ons zondig geslaëht terug. Zijn heilig wezen vliedt niet en ontvlucht niet. Hij doet zijn vleeschwording niet teniet. Neen, hij voleindt zijn vleeschwording in zijn uitgang te Jeruzalem. Onze onheilige existentie loopt uit op den dood. En dezen boozeu weg gaat ook Jezus in. Tot in het diep onheilig wezen van den dood dringt hij door. De toorn moest gedragen, de vloek ingedronken, de bittere dood moest gesmaakt.

En daarom is Jezus sterven geheel eenig, Zooals hij stierf, kon en kan geen onzer sterven. Duizend dooden lagen voor Jezus in dien ééaen dood.

Hij had zich zelven vernietigd. Steeds dieper moest hij veninken in zijn menschelijk bewustzijn. Onze natuur nam hij aan, en in het eind komt DU ook de dood, die hem als mensch zelfs van de ge meenschap met zijn Vader afsnijdt. Eii, Eli, lamma Sabachtani! Gethsemané zegt't u. Gethsemané, dat niet spreekt van vreeze voor den martelaars dood. Dan toch zou Jezus in die ure bij zoo menig heroiek martelaar achter hebben gestaan. Wat in Gethsemané zijn ziel ontroerde tot den dood toe, was niet ster vensangst, heen, heel anders, het was de bittere afstand tusschen zijn ziel en het onheilig wezen van den dood, gedrukt door den vloek en den toorn Gods. Elk oogenblik had Jezus kuanen omkomen. De weg naar den hemel stond voor hem open. Zijn Vader zou hem meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten. Maar dit alles wil hij niet. Hij heeft onze natuur aangenomen, niet om ons op't laatste oogenbiik weder aan ons zelf over te laten. Zijn oneindige liefde houdt ons vast. Den last onzer zonde laat hij zich niet van de schouders nemen. Voor geen toorn en geen vloek deinst hij terug, Den dood mijdt hij niet, maar zoekt hij. Door alles wil en zal hij heen, om dien vloek te breken, in den dood zelf den dood te overwinnen, enden buit van Gods kinderen uit deze zondige wereld weg te dragen.

De gang naar dit einddoel is zijn lijden, zijn lijden zoolang hij op aarde was. Dat lijden verscherpte zich, toen de krijgslieden de hand aan hem sloegen. Het zwol aan, toen hij aan het Kruis werd genageld. Maar tocb, voleind werd die vla dolorosa eerst, toen de dood zelf hem in de ziel greep. Toen boog hij het hoofd, en gaf den geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 april 1909

De Heraut | 4 Pagina's

„En het hoofd buigende, gaf hij den geest”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 april 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken