„De haven hunner begeerte”.
Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij ze tot de haven hunner begeerte geleid heeft. Ps. I07 : 30.
Onze gang door het leven roept altoos weer het beeld op van de reis over zee.
Niet thuis blijven hangen, maar de wereld ingaan. In die wereld te worstelen krijgen met de gevaren waarmee 't leven ons bedreigt. Onder dat alles door toch op een vast doel afgaan. Zoo ge geen schipbreuk lijdt, dat doel eindelijk bereiken. Dan de haven uwer begeerte inglijdec. En eens weer aan land, in dank en aanbidding nederknielen voor Hem die onder het woeden van golven en orkanen u veiliglijk geleid heeft.
Voor een volk, dat als 't onie aan zee opgroeide, is de teekening in Psalm 107 zoo majestueus schoon:
»Die met schepen afvaren, handel doende op groote wateren;
Die zien de werken des Heeren, en zijn wonderwerken in de diepte.
Als Hij spreekt, zoo doet Hij een stormwind opstaan, die de golven omhoog verheft.
Dan dansen zij en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.
Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid, die ze hadden, zoo voerde Hij hen uit hun angsten.
Dan doet Hij den storm stilstaan, zoodat hun golven zwijgen.
En dan zijn zij verblijd, omdat Hij ze tot de haven hunner begeerte geleid heeft«.
Maar dan is hiermee de beeldspraak nog niet •f, en komt er als slot schier vanzelf de conclusie der aanbidding bij:
»Laat hen voor den Heere zijn goedertierepheld loven, en zijn wonderwerken voor de kinderen der menschen«!
Ge kunt uw leven ook wel bij een reis door de woestijn of langs de bergen en dalen vergelijken, maar vooral voor een volk als 't onze. dat de woestijn nooit zag, en waarin men den lach opwekt als 't een zijner gehuchten „Berg en Dal" hoort noemen, maar dat van oudsher de zee bewonderd, en de zee gezocht, en de zee bevaren heeft, en van welks opbloeien de dichter zingen kon:
»De welvaart van dit land die komt van 't vareiif,
is en blijft de reis over zee een veel sprekender beeld van zijn leven.
De zee is zoo groot, en bij die groote zee vergeleken, de mensch, die haar bedwingen wil, zoo klein. De elementen zijn op den grooten oceaan zoo machtig. Ze kunnen er zoo overweldigend werden. Voor mislukking in de maatschappij is er geen treffender beeld dan dat van schipbreuk in 't leven. Op zee is 't alles poëzie. Een spel van hooger machten met den moedigen worstelaar die de eigen haven verlaten dorst om staks de haven zijner begeerte, die van zooverre hem wenkt, binnen te vallen.
Op zee grijpt ge de majesteit des Heeren veel meer rechtstreeks dan op 't land. Bij schipbreuk knielde en bad zoo vaak, wie op 't land alle bidden verleerd had. Zeker, het scheepsvolk is ruw. Veelal zijn 't echte watertotten. En toch, als 't er op aankomt, blijkt telkens weer in dit verwilderd gemoed nog een teederheid te schuilen, die willig den indruk van 't Heilige in zich opneemt.
Eén ding vooral spreekt aan boord sterk.
Geen schip op de groote wateren, of 't weet waar het naar toe wil. Elk schip heeft zijn lastbrief en in dien lastbrief staat de haven vermeld waar 't heen vaart. Langs de kust moge men spelevaren, maar wie over zee gaat, heeft een doel, heeft zich een land, een streek, een baai op de kaart gekozen, waar de tocht heen moet. En zoo heeft elke bemanning die over de groote wateren trekt, een haven harer begeerte.
En zco nu, zal 't goed zijn, moet ook een ieders varen op de groote zee van 't leven zijn. lede onzer moet weten waar hij heen wil, waar hij op aanstuurt, wat het doel is van zijn tocht door het leven, eu waar de haven ligt waarbij wil binnenvallen.
Zelfs geldt dit in drieërlei opzicht.
Wie allengs uit de kinderschoenen uitgroeit, moet weten wat hij worden wil. Wie zijn intrede in het leven deed, moet in elke nieuwe periode weten, wat hij in dat tijdperk verrichten zal. Ea voor wie niet gedachteloos van dag op dag glijdt, maar klaar bewust zijn leven doorwandelt, moet 't vaststaan, wat haven hij uit zal kiezen, als dit zijn leven ten einde spoedt.
Niet bij een ieder teekent zich dit even scherp af. Niet in ieders leven zijn de lijnen even diep ingesneden. Ook op de levenszee worden reizen gemaakt zonder dat men door storm beloopen wordt. Maar toch, zal 't goed zijn, dan mag geen onzer onbedacht en doezelend zijn leven slijten. Wie geen havenbtief toonen kan, is ook op de menschenzee een kaper.
Toch zijn er zulke kapers maar al te velen. Leven bij den dag. Teren op anderen. Geen vast doel voor oogen hebben, 't Jaar uitgaan zonder oogsten, en weer een jaar ingaan zonder te zaaien. Geen hoogere roeping gevoelen. Van plichtsdraug niets in de ziel gewaar worden. Nooit tijd te kort, maar aUoos lange zeurdagen waar men geen weg meê weet. Leven in de maatschappij, maar zonder dat die maatschappij iets verliezen zou zoo ge uitvielt. En dan, loopt het op 't einde, niets van de toekomst weten, misschien zalig worden, misschien verloren gaan. Geen haven kennen waarop men aanstuurt, maar zich door golf en windruk, als men sterft, laten stak slaan op een rif langs de kust.
En dit alles waarom'?
De psalmist zegt niet, dat de zeelieden zelve het schip ia de haven hunner begeerte gestuurd hebben, maar heel anders, dat ze nepen tot den Heere in de benauwdheid die ze hadden, en dat Hij ze toen in de haven hunner begeerte geleid heeft.
En hier is het mysterie.
Wie niét zelt de haven zijner begeerte kiest, maar vraagt naar de roeping waarmee zijn God tot hem komtj wie als de orkanen opzetten en de afgronden zich openen, tot God in zijn benauwdheid weet te roepen, en dan niet op eigen kracht, maar op zijn God steunt, om schipbreuk te ontgaan en zijn levensdoel te bereiken, — die stapt straks in de haven zijner begeerte aan wal, én bij wat hij worden zal, én bij wat hij als levenstaak opneemt, én bij den doorgang door den dood in het leven.
Wat moet mijn kind worden? vraagt de vader, maar ook het kind zelf moet er op turen, om van zijn God het antwoord op die vraag te ontvangen: Mijn God, wat wilt Gij dat ik worden zal? Wat bestemming hebt Gij mij aangewezen? Wat is de roeping die Gij voor mij hebt weggelegd? Ea ook bij die eerste reis kan 't stormen, en tegenspoed ons terugslaan, maar 't eind moet zijn, dat onze God ons brengt waar we wezen moeten. Ea dan geen ontevredenheid meer, maar inleven in zijn levenspositie, met geen ander gebed in 't hart, dan of men in 't te beurt gevallen beroep zijn God dienen en zijn Naam verheerlijken moge. Ea dit geheel onverschillig, of men uitging naar bet Zendingsveld, of tot zijn sterven toe het brood in den oven zal schuiven. Er zijn geestelijke, er zijn aardsche beroepen, maar in elk beroep, welk ook, zij 't dienen van zijn God het levensmotief. Dat is de eerste haven onzer begeerte. Be. reiken wat men worden wilde.
En dan komt de tweede, 's Morgens opstaan, en weten wat de taak van dien éénen dag is. Bij eiken Sabbath een schreef op de mijlpaal insnijden, en weten wat in die nieuwe week moet worden volbracht. Zoo ook bij de nieuwe maand, en straks als 't jaar om is, waarop men aan heeft te sturen voor het jaar dat dan komt. Altoos een vastgekozen doel voor oogen. Voor zichzelf bepalen wat in die week, die maand, dat jaar bereikt moet. AUoos op een vast doel aansturen, en dan juichen en jubelen als de tijd om en de haven binnengegleden is.
Doch ook dit alles is bij wie God vreest noch slechts voorbereiding; het stukwerk, dat voorbij gaat; en de groote doelsbepaling, die heel 't leven beheerschen moet, is en blijft, of we, zoo God ons uit het leven oproept, op 't kompas zien kunnen, dat we de haven der eeuwige ruste genaderd zijn, of vreezen moeten dat ons scheepken zal worden stukgeslagen in de branding.
Laat DU wie ernst mist, daarbij op avontuur afgaan, Gods kind doet zoo niet. Wie den waarachtigen levensernst kent, rust niet eer hij 't den apostel kan naroepen: „Ik weet dat ik uit den dood overgegaan ben in 't leven". En komt dan de dag der beslissing, als de laatste ademtocht ons uit de borst zal glijden, dan ziet Gods kind reeds van verre den vuurtoren eerst glinsteren, en dan glansen, die hem 't welkom van de kust toeroept, en met zijn jongsten snik hoort hij het anker ratelend neerzinken in de haven zijner begeerte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1911
De Heraut | 4 Pagina's