„Mijn hart verwijd”.
Ik zal den weg uwer geboden loopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. Psalm II9 : 32.
Uw hart heeft een binnenkant en een buiten kant, en kan van beide kanten gedrukt, gekweld en benauwd worden.
Van binnen kan uw hart zoo vol worden, dat het d.eigt te bersten; dat er geen ruimte meer in ov^er blijft; en dat een gevoe van stikking in uw smart maakt, dat ge nauwelijks meer kunt ademhalen. Maar ook van luiten kan uw hart zoo gedrukt, benauwd en als overstelpt worden, dat ge geen weg met uw hart weet, er alle zeggenschap over verliest, en ontwaart hoe de stormwind van 't lot met u speelt.
Is het druk van buiten, die uw hart in het nauw brecgt, dan wordt het u te eng en zoekt ge verruiiuiog. Zoo zong David er van, dat zijn haters hem omsingeld hadden: maar de Heere voerde hem uit in de ruimte". Zoo betuigt Elihu aan Job: Uw God zou ook u afgevoerd hebben in den mond der angsten tot de ruimte, waarin geen benau< ving zou geweest zijn". Zoo heet het in Psalm 118 : 5: Uit de benauwdheid heb ik den Heere aas geroepen, en Hij heeft mij verhoord, stellende r»ij in de ruimte^ en in Ps. 119:45: Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik de bevelen des Heeren gezocht heb".
Dat begrip van ruimte staat tegenover de engte, waaiia het hart geraken kan. £a die overkomt ons, zoo we stuiten op tegenstand, zoo baat en Uster ons omringt, zoo overmoed en geweld ons den pas afsnijdt, zoo we in onze vrije beweging belemmerd worden door wie onze vijanden zijn, of ook zoo tijden en gelegenheden ons teleurstellen, tegenspoed na tegenspoed ons overstelpt, bittere nijd ons alle levensvreugd rooft of krankheid ons machteloos ter neer werpt.
Komt er dan eindelijk verlossing, en werpt de Heere onze tegenstanders terug, gaat 't licht in de duisterheid van ons leven op, en volgt er op krankheid afgebeden herstel, dan overkomt ons wat de psalmist aldus uitdrukt: „Hij stelde mijn voet in de ruimte".
Maar het kan ook zijn dat 't leed, waaronder we gebukt gaan, ons niet van buiten benauwt, maar opkomt uit ons eigen hart. Dat booze gedachten ons innerlijk vrees aanjagen. Dat 't geloof tasen gaat in glans. Dat 't vertrouwen in het vetkregen kindschap ons begeeft. Dat we onze schuld van Golgotba terug halen, en weer op onze eigen schouders nemen. Dat onheilige gedachten booze lusten in ons opwekken. Dat we in swatt pessimisme blindweg grabbelen gaan. Dat 't alles donker van binnen in ons wordt, en geen straal van hooger licht meer in ons doorbreekt. En dat, als wrange vrucht van dit woelen in eigen zielsbederf, ten slotte ons hart 't niet meer kan uithouden, verstikt in zijn benauwdheid, en het zoo vol krijgt dat 't bersten zou, zoo de Heere geen uitkomst gaf. Dan kan de ziel niet meer loven, dan kan ze nauwelijks meer bidden; en komt er dan verhooiing op het gebed, *dan roemt 't hart, dat „'t gewaad des lofs in plaats trad van de benauwdheid des geestes". Wat dan zeggen wil, niet dat ons hart m de ruimte is gezet, maar dat de Heere ons hart dat ineenkromp, verwijd heeft. £n dan kan het weer voomit, en juicht de geredde: „Nu zal ik den weg uwer geboden loopen, omdat Gij mijn hart verwijd hebt".
Van Salomo staat er, dat hij ontving „een wijd begrip des harten", maar dit is heel iets anders. Dit doelt op het groote veld dat God in de Wijsheid voor hem ontsloot. Hier daarentegen is sprake van een toestand, waarin het hart, door allerlei verkeerds dat we in ons hart opstapelen, aan gedachten, aan gevoelens, aan overwegingen, aan angsten en zorgen, zoo tot stikkens toe vol wordt en ineen krimpt, dat er voor 't heilige in ons hart geen plaats meer is. Dan iminers bestaat de veriossing uit onzen noodstand daarin, dat onze Grod aan ons benepen hart door hooger genade zijn rekbaarheid hergeeft, het uit zijn overspanning ontspant, het weer uitzet waar het ineen kromp, 't bloed, dat stokte, er weer vrij door doet stroomen, en aldus ons hart verwijdt.
Door die ontspanning verliest dan 't sombere de alleenheerschappij daar binnen, heilige yioolijkheid vervangt ons somber pessimisme, en al is ook niet met één slag al 't bange en benauwde van ons geweken, we strijden er dan toch tegen, we durven den strijd weer aan, we dringen het sombere door het licht terug, en het einde is, dat we weer uit de volle borst zingen durven:
»lk zal, nu ik mag ademhalen, Na zooveel hangen tegenspoed, Al mijn geloften U betalen, U die in nood mg hebt behoed«.
Dat kan de Heere doen, door ons een onverwacht geluk te doen beleven. Hij kan 't doen door ons een overwinning te geven bij booze verleiding en verzoeking. Hij kan ons hart verblijden door een klare geloofsverwachting. Hij kan 't ook doen, door ons 't zondige van ons pessimisme te doen inzien. Hij kan het doen door velerlei genade, die Hij ons uit drie beekskens van Sion tegelijk doet toevloeien. Maar op wat wijs ons de Heere ook begenadigt, altoos is de uitkomst, dat len leste op eens het looden juk ons van de schouders glijdt, de elasticiteit van het hart terugkeert, en uit het hart dat zich verwijdde en uitzette, voor klacht weer dank opgaat, altoos zoo als Jesaja 't uitzingt: „Het gewaad des lofs voor een benauwden geest."
Toch kan nieuwe zonde zich bij de oude voegen, en de genade des Heeren tegenstaan.
Alle tijden door zijn ze er geweest, en ze zijn er nog, droefgeestig-gestemden, die zich steeds san de vroolijkheid des geestes hebben gespeend, lust in klacht voedden, de donkerheid boven het licht verkozen, genoten bij het woeien in geestelijke somberheden, en zich niet wilden laten opbeuren, ja, veeleer het aan anderen euvel duidden, dat ze in het licht van 't Goddelijk aanzijn dorsten voortwandelen en niet in de spelonk der droefgeestigheid wegkropen gelijk zij. Geestelijke gierigaards, die rijk in God gezegend, al hun geestelijken schat wegborgen, en geestelijk verhongerden van gebrek.
Hun zonde is, dat ze tegen Gods genade ingaan; van Gods genade die oneindig is, klein denken; in zelfaanklacht zelfbehagen hebben; en zoo de ontfermingen van hun God tegenstaan.
Nu gaat dit bij graden.
Er zijn er, doch Gode zij dank slechts zeer enkelen, die, tegen alles in, van hun zielsziekte niet willen aflaten, de luiken sluiten, en het licht der genade niet in hun sombere bidcel laten doorbreken. Veel talrijker daarentegen zijn de half-klagers, die ook wel genieten willen van Gods liefde, maar toch het zondig spelen met hun eigen zielsnood te lief hebben, om hun klaagstem, die huilen wil, om te zetten in een toon des lofs, der dankzegging en der aanbidding, en daarom bij buien leven. Nu eens rijk in hun God, maar slechts even, en dan weer teruggeworpen in hun angsten. En al behoeft dit niet van de vromen in breeden kring beleden te worden, toch is 't bijna regel, dat nu en dan de sombere toon weer boven komt. Het geredde kind dat toch weer klagen gaat, in plaats van in vroolijken jubel de hand te kussen die de redding aanbracht. Het geloof zegt: „dat het mij in Christus is alsof ik nooit zonde gehad of gedaan had, jt, als had ik 't al volbracht wat Christus voor mij volbracht heeft"; en wie dat gelooft jubelt vanzelf uit 't verwijde hart: Ik heb, in nood aan God verbonden, in Hem mijn hoog vertrek gevondep; 'k vertrouw op Hem geheel en al, den Heer, wiens werk ik roemen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1911
De Heraut | 4 Pagina's