Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Veroordeeld”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Veroordeeld”.

8 minuten leestijd

DE ZESDE LIJDENSWEEK.

Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige; en hij wederstaal u niet. Jacobus 5 : 6.

Dit wai de laatste krenking, die hij onderging, Mr het aan de Verbrijzeling, gelijk 't bijjesaia heet, toekwam. Dat Jezus werd veroordeeld, was e«n zoo aangrijpende gebeurtenis, dat de verrader 't er niet onder uit kon houden. „Ziende, zoo itaat er, dat Jezus veroordeeld was, heeft hi berouw gehad, en heengaande verworgde zich zelven". Zelf had Jezus er in de profetie van zijn lijden op gewezen: „Ziet, wij gaan op Jeruzalem, zoo sprak Hij tot zijn jongeren, en de Zoon des menschen zal aan de Overpriesters overgeleverd worden, en zij zullen hem veroordeelen" Toen 't in de Raadszaal ten einde liep, zoo verhaalt Markus ons, kwam ten slotte het oogenblik „dat ze hem allen veroordeelden" Jacobus, de apostel, riep het nog, toen hij oud was geworden, in zijn zendbrief aan de Joden toe: „Gij hebt veroordeeld den rechtvaardige" £n zoo blijkt 't telkens weer, dat we over dat veroordeeld worden niet mogen heenlezen, omda ook in dat 0(; r< f«< /dat Jezus onderging, voor Hem een eigen stuk van zijn lijden lag.

Reeds onder menschen verstaan we hier iets van. Wie voor den rechter is geweest en een vonnis kreeg, verloor daardoor op zichzelf iets van zijn ongerepten naam. Wie kan, zoekt 't te verbergen, en komt 't ongelukkigerwijs uit, dan sluit zich aanstonds voor hem meer dan één deur die anders voor hem openstond. Als hulp in zaken neemt men niet gaarne in zijn onderneming op, wie een vonnis te zijnen laste heeft. Geen vader geeft gaarne zijn dochter aan wie veroordeeld werd door den rechter. Onder de Romeinea noemde men een vonnis in die dagen „een vermindering van zijn hoofd ondergaan", een diminutio capitis, en al kennen wij die uitdrukking niet, toch geldt 't ook onder ons als regel, dat wie gedrukt door een rechterlijk vonnis zijn weg moet vervolgen, niet meer als eertijds met opgeheven hoofde over de markt van het leven schrijdt.

Dit beduidt niet, dat wie niet voor den rechter gedaagd werd, onschuldig is, maar wel dat zoo ge gedaagd en gevonnist werdt, uw eere gekrenkt werd, omdat ge zonkt beneden het gewone zedelijke peil. Nu kan dit eerst alleen u na worden gehouden in kleinen kring, het kan daarna uw naam bevlekken in de publieke opinie. Doch dit alles is nog minder, en zedelijke doodsverklaring wordt het dan eerst, als eindelijk de rechter er zich in moet mengen, uw zaak onderzoekt, getuigen oproept, en nu ten slotte uitroept, dat ge niet te verontschuldigen zijt, en dat ge, als een verloren man, valt onder het veroordeelend vonnis van de Overheid die het recht uitwijst.

Hier nu kan overdtijving in liggen. Vandaar de velerlei pogingen, om wie aldus verloren man werd, maatschappelijk er boven op te helpen. Doch ook dit is alleen bij vonnissen van lager orde mogelijk. £n althans waar sprake is van een veroordeeling tot den dood, is de aanrandicg en ondergang van uw menscheneere, immers zoo de rechter die 't vonnis sloeg hoog itond aangeschreven, volkomen.

Zoo nu ooit, dus was dit laatste hier het geval.

Er was tweeërlei soort rechtbank, de eene geestelijk, de andere wereldlijk. Nu zetelde de hoogste geestelijke rechtbank te Jeruzalem in 't Sanhedrin, en de hoogste wereldlijke rechtbank in de vierschaar van den Romeinschen Keizer. Cajaphas en Pilatus waren in die ure te Jerusalem de twee hoogepriesters van het heilig recht.

Hooger en beter liet zich destijds op aarde niet denken.

Ook in heidensche landen werden geestelijke rechters gevonden, maar wat was debeteekenis van het paganisme, vergeleken met de openbaring die aan Israel ten deel was gevallen; en wat was de bijgeloovige hoogeprïester der heidensche afgoderijen, vergeleken bij den Hoogepriester van Jehova in zijn tempel op Sion? Cajaphas moge onder ons om zijn schandvonnis, een smadelijken naam dragen, toch blijft het feit, dat hij op grond van de Openbaring Gods, en krachtens het door God zelf ingestelde ambt, de hoogste^ ja, de eenige autoriteit in 't geestelijk recht was.

En niet anders stond het met het wereldlijk recht van Pilatus.

Zelfs bij Griekenland vergeleken, stond het Romeinsche recht 't hoogst van alle rechtsplegingen in de toenmalige wereld. Het was der Romeinen eere, dat het recht juist onder hen tot zoo ongeëvenaard hooge ontwikkeling was gekomen. Geen rechtspleging van Babyion of Kgypte, van Pers of Scyth was met de rechtsorde, die in het keizerlijk Rome den toon aangaf, ook maar van verre vergelijkbaar. Zoo hoog was zelfs de stand en de eere van dat Romeinsche recht, dat nu nog, na verloop van tweeduizend jaren, de jurist in alle landen zich inspant om dat recht van Rome te leeren verstaan.

Zoo was er geen strenger geldend vonnis denkbaar, dan dat, van het Smhedrin uitgegaan, door den Romeinschen rechter bevestigd, bekrachtigd en uitgevoerd werd. Een veroordeeling, op die wijze tot stand gekomen, was de meest volstrekte veroordeeling die zich denken liet. Het vonnis door Cajaphas en Pilatus over Jezus geveld, was in vollen zin absoluut veroordeelend.

En dit volstrekte vonnis der meest absolute veroordeeling is nu neergekomen op Hem, die alleen onder alle kinderen der menschen als de onzondige en zondelooze geschitterd heeft; wiens gevoel voor het heilige in fijnheid en teederheid al onze gewaarwordingen van hetgeen recht voor God is, verre te boven ging; en wiens zelfbesef door dat vonnis der volstrekte veroordeeling scherper moest gewond worden, dan dat bij een onzer ooit kan.

Schreiend pijnlijk moet het voor een eerlijk man zijn, voor een dief te worden uitgemaakt, bitter smadelijk voor een weldoener onder de kinderen der menschen, van gruwelijken moord te worden beticht; maar zelfs dit bangste zou nog niet t« vergelijken zijn bij wat 't voor Jezus, den Heilige, wai, vwoordeeld tn gevonnist te worden, als had hij, door als onze] Messias op te treden, zich lasterlijk vergrepen! aan de heiligheid zijns Gods.

Nu heeft zoo bittere ervaring bij ons veelal de uitwerking, dat de onschuldige zich boven den laster, zelfs van een vonnis, verheft door op zijn beurt een publieke opinie of een rechtbank te verachten, die deswege tegen recht en waarheid ingaat. Maar ook dat was voor Jezus afgesloten. Immers heel zijn ingaan in den lijdensweg was niet om ons zondig geslacht van zich te stooten, maar juist omgekeerd om't te zoeken; om den last van onze schuld van ons te nemen; om ons te sterken; en om zelf in den vloek te verzinken, ten einde ons van den vloek te ontslaan.

Maar zoo verstaan, werd dat veroordeeld worden voor Jezus dan ook de culminatie van alle zonde en onheiligheid. Het was niet maar, dat de wereld zich aan hem vergreep, en dat hij zelf er persoonlijk zoo bitter onder leed, maar 't was tegelijk de uiterste openbaring van de zonde, om wier verzoening zijn bloed straks vloeien zou. Het was, als we ons zoo mogen uitdrukken, aan eigen lijden dat onze Heiland de snoodste openbaring der zonde moest uitlokken, om ze zoo eerst in zichzelve te kunnen j te niet doen.

Eu denk u nu in zoo ontstaanden toestand in.

Er was dan toch zelfs in deze diepgevallen wereld nog een tweeërlei openbaring van 't heilige. Eensdeels in Sions tempel te Jeruzalem, en anderdeels in het recht, dat heel de wereld door . in den naam der goden gesproken werd, en met name te Rome, onder het bewind des Keizers, een metterdaad Goddelijke macht vertegen­ . woordigde, die tegen misdaad en gruwel inging. Ea zelfs die twee, ten deele althans nog altoos heilige machten, moesten nu aan Jezus zichzelf . den dood eten. Wat de schare, wat de Phatizeën dachten, kon Jezus nog laten rusten, maar t hier was nu de eenige tot oordeelen bevoegde macht, in haar twee heilige functies van het geestelijk en het wereldlijk recht, en die macht kwam tegen hem op; tegen hem, den heilige, tegen hem, den eenig zondelooze, en niet lang meer, of het„Kruisthem", gaf in het volksgeroep weerklank op het vonnis der veroordeeling van deze van God gestelde rechters.

Er was meer nog.

Onze Heiland, toen hij de bitterheid der onschuldige veroordeeling onderging, wist en besefte, dat alles slechts voorspel zou zijn van wat eens zijn martelaren wachten zou. Nu vraagt 't martelaarschap op zichzelf nog geen schavot. Martelaar beteekent „lijdend getuige". Jezus goddelijk mededoogen gold allen die in de eeuwen na hem, om Zijnentwille, als zijn getuigen, door de wereld, door de publieke opinie, of door den rechter zouden veroordeeld worden.

Wie ook nu nog als getuige van Jezus' veroordeeld wordt, vindt alzoo in Jezus veroordeeling de vertroosting waar zijn krenking om roept.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's

„Veroordeeld”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's